Beknopte handleiding procederen

Beknopte handleiding voor het voeren van een procedure voor de rechtbank, afdeling civielrecht, kantonzaken*

Inleiding >>

Het voeren van een procedure voor de rechter is voor de meeste mensen geen dagelijkse bezigheid. Een groot gedeelte van de juristen en advocaten staat ook niet dagelijks in de rechtszaal. Zelfs voor een jurist en/of advocaat is procederen vaak een kwestie van “vallen en opstaan”.

Bij de meeste juridische dienstverleners zit wel een aantal personen voor wie de rechtszaal weinig verrassingen heeft te bieden. In de praktijk zullen deze personen vaak als vraagbaak dienen voor de minder ervaren krachten. Deze minder ervaren krachten zullen een aantal keren met de ervaren krachten een procedure bijwonen om te zien hoe een procedure voor de rechter wordt gevoerd. Na een aantal keren zal men de gang naar de rechter toch zelf moeten maken, terwijl men dan doorgaans weinig méér van de procesgang weet dan de cliënt die men vertegenwoordigt. De niet juridisch geschoolde procespartij die zelf de procedure ter hand neemt weet in het algemeen helemaal van “toeten noch blazen”.

Deze handleiding is vooral bedoeld voor niet-professionals, al zal ook een beginnende professional voordeel van deze handleiding kunnen hebben. Vanuit de invalshoek van zowel de gedaagde als de eisende partij wordt beschreven wat men als procespartij kan verwachten van de wijze van procederen bij de rechtbank, afdeling civiel recht, kantonzaken. De procesgang bij de andere rechtsprekende instanties wordt hier buiten beschouwing gelaten. Slechts voor de rechtbank, afdeling civiel recht, kantonzaken, kan de burger zelf procederen (de uitzondering daargelaten). Bij andere instanties heeft men, in civiele zaken, een advocaat nodig.

Een procedure voor de kantonrechter wordt gestart met een dagvaarding of een verzoekschrift. De kantonrechter oordeelt als enige rechtsprekende rechter over de zaak. Bij andere rechtsprekende instanties komt het ook voor dat meerdere rechters zich tegelijk over een zaak buigen.

De huidige regeling wordt gewijzigd. Het is de bedoeling dat deze wijzigingen in de loop van 2018 geldend beleid zal worden. Kijk voor de nieuwe regeling het hoofdstuk: Beknopte handleiding procederen vanaf 2018.

De wet bepaalt of er een dagvaarding of een verzoekschrift moet worden gebruikt om een procedure te beginnen. Als de wet spreekt over “vorderen” dan moet de procedure worden gestart met een dagvaarding; als de wet spreekt van “verzoeken”, dan moet een procedure worden begonnen met een verzoekschrift. Soms is de wet echter niet consequent in het gebruik van deze terminologie. Een voorbeeld van een “vordering” is artikel 7:303 BW, waarin staat dat de meest gerede partij (=de partij die daar het meest belang bij heeft) kan “vorderen” dat de huurprijs wordt vastgesteld als deze niet overeenstemt met de huurprijs van vergelijkbare ruimte ter plaatse. Een dergelijke zaak wordt dus ingeleid met een dagvaarding. Een voorbeeld van een verzoekschriftprocedure staat in artikel 7:304 BW. Als partijen er niet in slagen om gezamenlijk een deskundige te benoemen ter vaststelling van de huurprijs, dan benoemt de rechter “op verzoek” van de meest gerede partij een deskundige. Daarvoor is dus een verzoekschrift, ook wel rekest genoemd, nodig.

Deze handleiding is bedoeld voor juridisch niet complexe zaken
Uitgangspunt van dit hoofdstuk is dat partijen zelf een procedure kunnen voeren. Het moet dus niet gaan om complexe geschillen. Afgezien van de exceptie van niet-ontvankelijkheid worden in dit hoofdstuk geen procedurele incidenten besproken. De vrijwaring, voeging en tussenkomst en de voorlopige voorzieningen worden evenmin behandeld. Deze zaken zijn in beginsel te complex voor niet-professionals. Ook voorlopige getuigenverhoren en voorlopige deskundigenonderzoeken vallen buiten het kader van dit hoofdstuk.

Dit hoofdstuk is verder geschreven vanuit de gedachte dat zowel de eiser als de gedaagde geen gebruik maken van een professionele gemachtigde die de partijen gedurende de procedure met raad en daad ter zijde staat. Het procesrecht wordt in dit hoofdstuk echter zeker niet uitputtend behandeld. De lezer dient deze handleiding dan ook als een eenvoudige handleiding te zien, waarmee elke partij in een eenvoudige procedure een heel eind kan komen zonder de weg kwijt te raken. Een waarschuwing is wel op zijn plaats. Bij twijfel is het verstandig om een professional te raadplegen. Zelfs als men een sterke zaak heeft, kan men deze verliezen door een misstap in de procedure. Hier geldt in optima forma: “gelijk hebben betekent nog geen gelijk krijgen”. Voor een meer uitputtende beschrijving van het burgerlijk procesrecht verwijzen wij bijvoorbeeld naar M.L. Hendrikse en A.W. Jongbloed, “Burgerlijk Procesrecht Praktisch belicht”, Deventer: Kluwer 2007.

De integrale teksten van het rolreglement, de wettelijke tekst van het wetboek van rechtsvordering en het landelijk rolreglement vindt u op deze site. Op deze site vindt u ook voorbeelden van brieven, die in het kader van een procedure verzonden kunnen worden, evenals voorbeelden van dagvaardingen en andere processtukken (conclusies, akten, etc.). De procedure wordt doorgaans met een dagvaarding ingeleid. Dit stuk wordt dan ook aangeduid als “inleidende dagvaarding”. Middels de dagvaarding wordt de wederpartij voor de rechter gedaagd. In de dagvaarding worden voorts de gronden van de vordering kenbaar gemaakt en onderbouwd. Aan het eind van de dagvaarding (het “petitum”) wordt de precieze eis geformuleerd.

De bevoegdheid van de rechtbank, afdeling civielrecht, kantonzaken >>

Welk soort rechter is in huurzaken bevoegd (absolute competentie)? Alle huurzaken worden in eerste instantie door de kantonrechter behandeld ongeacht de hoogte van de vordering (artikel 93 sub c RV). Dat betekent dat partijen niet verplicht zijn om een advocaat in te schakelen als een zaak aan de kantonrechter wordt voorgelegd (artikel 79 lid 1 RV). Een partij mag zelf procederen, maar ook met behulp van een gemachtigde. Uiteraard mag een partij zich natuurlijk bij de kantonrechter eveneens door een advocaat laten bijstaan.

De rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, heeft in haar vonnis van 17 november 2011 LJN: BU7640, sector kanton Rechtbank 's-Gravenhage, 1083380/11-19968 bepaald dat partijen gebonden waren aan een arbitragebeding waarbij ten aanzien van bepaalde geschillen de gewone rechter als rechtsprekende partij was uitgesloten. De rechter beargumenteert dit standpunt in onderdeel 4 van het vonnis. Volgens de rechter wordt dit geschil beheerst door een wettelijke regeling met een semi-dwingend recht karakter, zodat van deze regeling niet ten nadele van de huurder van dat recht mag worden afgeweken. Dit betekent naar het oordeel van de rechter nog niet dat een huurder niet zou mogen kiezen voor een arbitrale geschillenregeling, welke doorgaans beschouwd wordt als procedureel met voldoende waarborgen omgeven. Volgens de rechter zullen ook arbiters de wettelijke bescherming van een huurder in het oog houden. De rechter wees vervolgens op het bepaalde in artikel 3:305 BW. Volgens dit artikel hebben scheidslieden de aldaar bedoelde zelfde bevoegdheden als de rechter.

Voor andere zaken (behoudens een paar uitzonderingen, waarop we in het kader van dit boek niet in hoeven te gaan) geldt dat de rechtbank, afdeling civiel recht, kantonzaken, bevoegd is zaken te beoordelen van vorderingen met een belang van € 25.000. De Wet van 19 mei 2011, Stb. 2011, 255 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie) hebben de absolute competentiegrens van rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, vastgesteld in artikel 93 RV op een bedrag van € 25.000. Tevens worden meer zaken als “aardzaak” onder de competentie van de kantonrechter gebracht.

De bekendste aardvorderingen zijn huur- en arbeidszaken. Deze zaken worden ongeacht de hoogte van de vordering door de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, behandeld. Consumentenkoop wordt als aardzaak toegevoegd. Hier geldt dus ook geen grens betreffende de hoogte van de vordering. De rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, is ongeacht de hoogte van de vordering bevoegd om deze zaken te beoordelen. Voorts worden vorderingen in verband met consumentenkrediet tot een bedrag van € 40.000 in het vervolg door de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, behandeld. De redactie van artikel 93 RV kan wat betreft de vorderingen verbandhoudende met consumentenkrediet tot verwarring leiden. De grens van € 40.000 wordt echter bepaald door artikel 3 van de Wet op het consumentenkrediet. In deze wet staat dat de regeling van de wet op het consumentenkrediet niet van toepassing is voor krediettransacties, waarbij de kredietsom meer dan € 40.000 bedraagt. Als dat zo is (dus de transactie beloopt een hoger bedrag dan € 40.000), is er dus geen sprake van een krediettransactie als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet en is rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, niet bevoegd een oordeel over het geschil te geven.

In welke plaats moet de zaak worden aangebracht (relatieve competentie)? Volgens artikel 99 RV is in beginsel bevoegd de rechter van het rechtsgebied van de rechtbank waarin de gedaagde partij woonplaats heeft. Voor andere rechtsgebieden kan dit anders zijn geregeld. Voor bestuurzaken bijvoorbeeld zijn bepaalde zittingsplaatsen aangewezen, die deze zaken af dienen te handelen. Op grond van artikel 103 RV is mede bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Soms kunnen dus twee verschillende rechtbanken bevoegd zijn; de eisende of verzoekende partij kan dan kiezen in welke plaats hij de zaak aanhangig maakt. Er geldt echter volgens artikel 103 RV in huurzaken een zeer belangrijke uitzondering: in zaken betreffende de huur van woonruimte of de huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW van het Burgerlijk Wetboek is echter uitsluitend bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.

Voor andere zaken dan huurzaken gelden uitdrukkelijk andere regels voor aanwijzing van de bevoegde rechter.

Beknopt overzicht van de mogelijke processtappen in een procedure >>

De procedure bij de kantonrechter kent verschillende fasen. Hieronder treft u deze verschillende fasen aan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een procedure zonder tegenvordering ( eis in reconventie) en met een tegenvordering.

1. De procedure zonder tegenvordering

Procedure zonder verweer:

Inleidende dagvaarding;
Vonnis ("verstek");

Procedure op tegenspraak en verweer ("exceptie") van onbevoegdheid en van beraad

  • Inleidende dagvaarding;
  • Exceptie van onbevoegdheid en van beraad;
  • Eventueel comparitie van partijen;
  • Vonnis (de rechter acht verder procederen niet nodig);

    A. Procedure op tegenspraak (= gedaagde voert verweer)

  • Inleidende dagvaarding ;
  • Conclusie van antwoord;
  • Comparitie van partijen ("zitting");
  • Vonnis (de rechter acht verder procederen niet nodig).

    B. Procedure op tegenspraak (= gedaagde voert verweer)

  • Inleidende dagvaarding;
  • Exceptie onbevoegdheid en van beraad;
  • Conclusie van antwoord;
  • Comparitie van partijen ("zitting");
  • Conclusie van repliek;
  • Conclusie van dupliek;
  • Akte uitlating producties zijdens eiser (alleen als bij de conclusie van dupliek stukken zijn ingebracht waarop eiser nog mag reageren);
  • Akte uitlatingen producties zijdens gedaagde (alleen als bij de akte stukken zijn ingebracht waarop gedaagde nog mag reageren;
  • Tussenvonnis of eindvonnis;
  • Akte opgave getuige en opgave verhinderdata voor de partij die een bewijsopdracht heeft gekregen);
  • Enquête;
  • Contra-enquête;
  • Conclusiewisseling na enquête;
  • Akte uitlating rapport deskundige (voor de partij die een deskundige een oordeel heeft laten geven);
  • Pleidooi;
  • Eindvonnis.

    2. Procedure op tegenspraak met tegenvordering ("eis in reconventie")

  • Inleidende dagvaarding;
  • Exceptie van onbevoegdheid en van beraad;
  • Conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
  • Desgewenst: conclusie van antwoord in reconventie;
  • Comparitie van partijen;
  • Conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie;
  • Conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie;
  • Conclusie van dupliek in reconventie;
  • Akte uitlating producties zijdens eiseres en/of gedaagde (alleen als bij de conclusie van dupliek in conventie en dupliek in reconventie stukken zijn ingebracht waarop partijen nog mogen reageren);
  • Akte uitlating producties partijen (alleen als bij de laatste akte stukken zijn ingebracht waarop de andere partij nog mag reageren;
  • (Tussen) (eind)vonnis;
  • Akte opgave getuige en opgave verhinderdata (voor de partij die een bewijsopdracht heeft gekregen);
  • Akte uitlating rapport deskundige (voor de partij die een deskundige een oordeel heeft laten geven);
  • Enquête;
  • Contra-enquête;
  • Conclusiewisseling na enquête;
  • Akte uitlating rapport deskundige (voor de partij die een deskundige een oordeel heeft laten geven);
  • Pleidooi;
  • Eindvonnis.
  • De (inleidende) dagvaarding >>

    Als de eiser de dagvaarding heeft opgesteld, stuurt hij deze naar de deurwaarder. De deurwaarder moet de dagvaarding bij de gedaagde partij bezorgen. Dit bezorgen van de dagvaarding wordt ook wel “betekenen” of “uitbrengen” van de dagvaarding genoemd. Een voorbeeld van een dagvaarding, alsmede een toelichting op de dagvaarding vindt Op deze site staan onder het onderdeel online documenten diverse voorbeelsdagvaardingen geformuleerd. U hoeft alleen de variabelen in te vullen, waarna u na een aantal handelingen een complete dagvaarding uit uw printer kunt laten rollen. U klikt op de volgende links om op deze onderdelen te komen: Dagvaardingen voor verhuurders wonen en Dagvaardingen voor huurders wonen.

    De dagvaarding bestaat uit drie componenten:

    1. Het formele deel van de dagvaarding waarin de eiser en gedaagde worden genoemd en waarin het gerecht staat vermeld waarin de gedaagde partij zich moet melden om zich te verantwoorden;
    2. Het lichaam van de dagvaarding waarin de eis staat gemotiveerd (gronden, verweer wederpartij, bijlagen);
    3. Het petitum van de dagvaarding, waarin de eis in het kort staat vermeld.

    Een aantal vuistregels voor het invullen van het formele gedeelte van de dagvaarding luiden:

    1. de datum wordt door de deurwaarder volledig uitgeschreven. Bijvoorbeeld zestiende december, de twintigste maart, dertigste januari (artikel 45 RV);
    2. het jaartal wordt ook volledig uitgeschreven: tweeduizentien, enz. (artikel 45 lid 3 sub a RV);
    3. als een natuurlijk persoon de eisende partij is dan dienen alle namen (voor - en achternamen) volledig te worden weergegeven: bijvoorbeeld: Gerrit Jan Jaap de Groot (artikel 45 lid 3 sub d RV, artikel 120 RV);
    4. als de eisende partij een vennootschap is (besloten vennootschap, naamloze vennootschap) moet de volledige naam worden weergegeven: bijvoorbeeld de besloten vennootschap De Verhuurbaas BV, de naamloze vennootschap De Huurbaas NV; een vennootschap onder firma mag ook als eisende partij optreden. Bijvoorbeeld de vennootschap onder firma: De Huurbaas VOF. Als de huurovereenkomst is gesloten door een vennootschap onder firma en de vennootschap niet meer bestaat, dan kan de vordering niet zonder meer door de voormalige vennoten worden ingesteld. De rechtbank Limburg heeft in haar kortgeding vonnis van 21 december 2015 ECLI:NL:RBLIM:2015:10868 vastgesteld dat gedaagden de huurovereenkomst met de VOF hebben gesloten en niet met de voormalige vennoten in persoon. Het is daarom volgens de rechter aan deze eisers om (voldoende onderbouwd) te stellen dat en waarom zij de rechtsopvolgers zijn van de VOF, althans dat zij in de huidige situatie zijn aan te merken als verhuurders van de betreffende woning. Het enkele gestelde gegeven dat eisers in het verleden vennoten van de VOF waren is daarvoor onvoldoende. De rechter was van mening dat eisers in het kort geding niet voldoende aannemelijk hebben weten te maken dat zij (de opvolgend) verhuurder zijn. Daarom werd om deze reden de vordering afgewezen. De vennoten hadden na vereffening van het vermogen van de VOF en toewijzing van de huurovereenkomst uit het vermogen van de VOF dit aan de huurders te kennen moeten geven. De vennootschap wordt vereffend door de beherende vennoten. Beide beherende vennoten zijn belast met de vereffening.
      Natuurlijke personen “wonen” en vennootschappen (bedrijven) “zijn gevestigd”; Woonplaats of vestigingsplaats vermelden, bijvoorbeeld Schiedam. In de dagvaarding dient de statutaire vestiging te worden vermeld. Het adres hoeft niet te worden vermeld (artikel 45 RV, artikel 111 RV); Volgens artikel 111 RV moet woonplaats in Nederland worden gekozen;
    5. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen en er een gemachtigde is aangesteld, dan dient de naam en het adres van de gemachtigde worden genoemd (artikel 111 lid 2 sub b RV);
    6. De deurwaarder zet zijn naam vaak met een stempel in de dagvaarding. U dient er op bedacht te zijn voldoende ruimte voor de stempel van de deurwaarder open te laten (artikel 45 lid 3 sub c RV);
    7. De gedaagde partij zal de huurder (contractuele medehuurder, echtgenoot, vennoot van vennootschap onder firma) zijn. Als de huurder een natuurlijk persoon is, dan moet tenminste de naam worden vermeld (artikel 45 lid 3 sub d RV). Het vermelden van de voorletters is niet verplicht. Het is wel verstandig zowel de voorletters en de naam en de geboortedatum van de huurder te vermelden als deze bekend zijn: dit om naamsverwarring met familieleden te voorkomen. Als de huurder is gehuwd is de wettelijke echtgenoot medehuurder en daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de huur. De echtgenoot moet dan ook op de dagvaarding worden vermeld. Als de huurder een vennootschap is dan is het verstandig de correcte naam te verifiëren bij de Kamer van Koophandel ( KVK). Een onjuiste naam in de dagvaarding kan een procedure doen mislukken als dit leidt tot onjuiste adressering van de dagvaarding. Een onjuiste naam kan in de procedure nog wel worden gecorrigeerd als het alle partijen duidelijk is om welke partij het gaat. Bij een verstekzaak kan een onjuiste naam voor problemen in de verdere executie leiden, omdat er dan geen mogelijkheid is om de naam te corrigeren en het vonnis dan een onjuiste naam vermeldt. Als naam van een besloten vennootschap moet dan bijvoorbeeld worden vermeld: de besloten vennootschap De Huurder BV; hetzelfde geldt voor de vennootschap onder firma: bijvoorbeeld de vennootschap onder firma De Huurder VOF. De vennoten van de vennootschap onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de rechtshandelingen van de vennootschap. De vennoten moeten dus ook worden vermeld: bijvoorbeeld J. de Groot, vennoot van gedaagde sub 1 en H. de Baas vennoot van gedaagde sub 1. (zie ook het onderdeel relaas dagvaarding gedaagde partij);
    8. Het adres vermelden; dit zal vaak het adres van het gehuurde zijn: bijvoorbeeld 3111 BB Schiedam aan de Hertogstraat 4 (artikel 45 RV, artikel 111 RV). Voor een vennootschap moet de vestigingsplaats worden vermeld (staat in het uitreksel van het handelsregister) de vestigingsplaats kan een ander adres zijn dan het kantooradres. Als de huurder woonplaats heeft gekozen in het gehuurde kan het exploot aan het gehuurde worden betekend, tenzij de huurder duidelijk niet meer in het gehuurde woonachtig is, dan mag het exploot niet meer aan het gehuurde worden betekend, maar dan moet het exploot ex artikel 54 lid 2 sub RV openbaar worden betekend. Volgens artikel 1:15 BW Noot 137 kan een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijke of langs elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is. Indien de keuze bij langs elektronische weg aangegane overeenkomst geschiedt, is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing. Als er woonplaats is gekozen, dan is in beginsel de verhuurder gehouden het exploot te betekenen aan het gekozen domicilie. Volgens een vonnis van de rechtbank te Utrecht van 4 januari 2012 ECLI:RBUTR:2012:3382 kan het exploot ook aan het gekozen domicilie van de huurder worden betekend als de gekozen woonplaats alleen in het belang van de huurder is gekozen. Het belang van de huurder is aanwezig als de huurder niet vaak aanwezig is op zijn woonplaats of niet zeker is dat de berichten hem bereiken omdat er bijvoorbeeld enkel een gezamenlijke brievenbus aanwezig is waardoor niet altijd zeker is dat daarin geworpen post de geadresseerden bereikt. Als partijen daarom het domicilie hanteren als correspondentieadres, dan kan van het genoemde belang aan de zijde van de huurder worden uitgegaan en dan moet het exploot aan het gekozen domicilie worden betekend.
      Los van het gekozen domicilie kan het exploot ook ex artikel 1:14 BW worden betekend aan een kantoor of een filiaal van een persoon ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen. Volgens artikel 1:14 BW Noot 138a heeft een persoon die een kantoor of een filiaal houdt, immers ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats.
      Een uittreksel van het exploot zo spoedig mogelijk bekend gemaakt in de Staatscourant onder vermelding van naam en kantooradres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploot kan worden verkregen. De kantonrechter van de rechtbank te Oost-Brabant was in haar vonnis van 4 november 2014 ( ECLI:NL:RBOBR:2014:6618 van mening dat een exploot openbaar betekend moet worden als de huurder wel woonplaats heeft gekozen in het gehuurde, maar daar niet meer woonachtig is. Artikel 115 lid 3 RV is in een dergelijke situatie niet van toepassing;
    9. Voor een natuurlijk persoon geldt dat het exploot aan zijn woonadres wordt afgegeven; de deurwaarder die een natuurlijk persoon op straat of in een café aantreft kan het exploot ook aan gedaagde partij betekenen. artikel 46 RV spreekt over het laten van een exploot van een exploot aan de persoon voor wie het bestemd is. Voor een vennootschap wordt gesproken van het kantoor (ten kantore laten van het afschrift;
    10. Als ten kantore (anders dan aan het vestigingadres) het exploot wordt betekend, moet worden vermeld dat het exploot ex artikel 1:14 BW ten kantore van gedaagde wordt gelaten;
    11. De datum van de rolzitting wordt op verzoek van de opdrachtgever door de deurwaarder ingevuld (artikel 111 lid 2 sub f RV); tussen het uitbrengen van de dagvaarding en de zittingsdag moet tenminste een week zitten. De deurwaarder vult deze data in; (artikel 114RV). De termijn van de dagvaarding vangt aan op de dag volgens op die waarop het exploot is uitgebracht.(artikel 119 RV). Deze termijn is onder meer van belang als er conservatoir beslag is gelegd en de dagvaarding binnen een bepaalde termijn na het leggen van het beslag uitgebracht moet worden;
    12. Het tijdstip wordt door de deurwaarder ingevuld (artikel 111 lid 2 sub f RV);
    13. In artikel 111 lid 2 sub e RV staat vermeld dat in de dagvaarding het adres van het gerecht, de eventuele neven vestiging en het postadres van het gerecht vermeld moet worden.

      a. De rechtbank civiele afdeling, kantonzaken, moet worden uitgezocht die de zaak dient te beoordelen (relatieve competentie, zie voor relatieve bevoegdheid artikel 99 RV tot en met 103 RV)). De absolute competentie (zie artikel 93 RV tot en met 98 RV) is voor huur- en arbeidszaken niet van belang, omdat alle zaken, ook zaken met een belang boven € 25.000,-- door de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, worden behandeld (artikel 93 RV).
      b. Voor huurzaken is de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, bevoegd, in welk gebied het gehuurde is gelegen (relatieve competentie). Volgens artikel 103 RV van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, bevoegd over een zaak te oordelen als de gehuurde zaak in haar rayon gelegen is. Als een gehuurde zaak bijvoorbeeld in Maassluis gelegen is, dan is de de rechtbank Rotterdam, afdeling civielrecht, kantonzaken, bevoegd over deze zaak een oordeel te geven. Dit is een belangrijke afwijking van de regel dat de rechtbank van de plaats van de gedaagde partij is bevoegd een oordeel over de zaak te geven. De hoofdregel is dat een gedaagde partij wordt gedagvaard voor de rechtbank in het arrondissement waarbinnen deze gedaagde woont. Kijk voor de bevoegdheid van de rechtbanken op de volgende pagina.

    14. Volgens artikel 111 lid 2 sub i RV en 140 RV moeten de gevolgen worden vermeld als een gedaagde niet in het geding verschijnt).
    15. De wet staat niet toe dat er bij het aangaan van de huurovereenkomst een bepaalde (de verhuurder welgelegen) rechtbank wordt aangewezen. Als in het huurcontract staat aangewezen dat de rechtbank Maastricht is bevoegd voor geschillen in verband met onroerende zaken die in Schiedam zijn gelegen, dan is dit geen geldig beding. Partijen kunnen een dergelijk beding wel overeenkomen, nadat het geschil is gerezen (zie voor de domiciliekeuze artikel 108 RV).
    16. Het lichaam van de dagvaarding moet worden opgebouwd uit verschillende onderdelen: feiten, de eis en de gronden (= substantiëringsplicht) daarvan (artikel 111 sub d RV), de door gedaagde aangevoerde verweren en de gronden (artikel 111 lid 3 RV, ontbreken daarvan maakt de dagvaarding niet nietig; de rechter kan op grond van artikel 120 lid 4 RV aanvulling verlangen). Voorts dient een gespecificeerd bewijsaanbod te worden gedaan. Er kunnen specifieke personen als getuigen aangedragen worden, of er kan nog een specifiek schriftelijk aanbod tot overleggen van bewijs worden gedaan. Een algemeen genoemde zinsnede in de trant van ‘eiseres is bereid desgevraagd bewijs van haar stellingen te leveren is volstrekt onvoldoende en kan door de rechter zonder meer worden gepasseerd’.
    17. Voor huur- en arbeidszaken is de kantonrechter rechter absoluut bevoegd ongeacht de hoogte van de vordering. Men dient er op bedacht te zijn dat de rente en de incassokosten bij de hoofdsom opgeteld dienen te worde. Dit betekent dat als de hoofdsom een bedrag van € 24700 beloopt, de incassokosten een bedrag van € 290 beloopt (fictief) en de wettelijke rente wordt berekend vanaf een bepaalde datum twee jaar voor het uitbrengen van de dagvaarding, de hoofdsom over de competentiegrens uitstijgt en de rechter zich niet ontvankelijk kan verklaren. Als er daarvoor ruimte is bij bijvoorbeeld verweer, dan kan de eiser, die deze fout ziet de vordering nog verminderen (artikel 283 RV en 130 RV). De incassokosten dienen te worden gebaseerd op de bedragen als genoemd in de staffel van het rapport Voorwerk II.
    18. Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard kan het worden geëxecuteerd ook als er nog rechtsmiddelen open staan tegen het vonnis. De rechter dient uitvoerbaar bij voorraadverklaring te motiveren. De geliquideerde kosten waartoe de verliezende partij kan worden veroordeeld bestaan uit het salaris van de gemachtigde van een partij in de procedure en de verschotten (griffiekosten, explootkosten, uitroepgelden en overige kosten (kosten deskundigen, taxe getuigen).
    19. Vaak wordt bij een ontruimingsprocedure door de rechter verzocht de eisende partij te machtigen om de deurwaarder in te mogen schakelen om het gehuurde te ontruimen. De rechtbank Limburg besliste op 5 december 2014 ECLI:NL:RBLIM:2014:10549 in kort geding over een gevorderde ontruiming. In dit vonnis is de ontruiming toegewezen dat een gebruiker van woonruimte wegens ontbreken van recht of titel de woning moest verlaten. De gevorderde machtiging om de ontruiming te bewerkstelligen door een deurwaarder met behulp van de sterke arm werd afgewezen, omdat deze bevoegdheid reeds voortvloeit uit de artikelen 556 lid 1 RV jo. artikel 557 RV jo artikel 444 RV.
    De vordering in het petitum (het eind van de dagvaarding onder het mitsdien) moet overeenkomen met de onderbouwing van de vordering in het lichaam van de dagvaarding. Als in het lichaam van de dagvaarding wordt gesproken over een vordering van € 500,00 en in het petitum staat een vordering van € 750,-, dan loopt de vordering kans te worden afgewezen vanwege inconsistentie in de dagvaarding.

    Primaire en subsidiaire vorderingen>>

    Het instellen van primaire en subsidiaire vorderingen is bedoeld om verschillende acties achter elkaar in te stellen voor het geval de eerste actie niet slaagt. Bijvoorbeeld: de verhuurder wenst de huur te beëindigen door ontbinding van de overeenkomst en/of door opzegging. De verhuurder wenst allereerst de huurovereenkomst te ontbinden. De primaire vordering is dan gebaseerd op ontbinding van de overeenkomst. De verhuurder draagt zoveel mogelijk argumenten aan om ontbinding door de rechter uit te laten spreken. Lukt deze actie niet, dan valt de verhuurder terug op de subsidiair ingestelde vordering, namelijk de opzegging. Lukt de ontbinding wel, dan komt de rechter niet meer toe aan de subsidiaire vordering. De eiser dient zich goed te realiseren dat alle vorderingen die hij in het kader van de ontbinding in wenst te stellen onder de primaire vordering gebracht dienen te worden. Als de vordering elders en dus niet bij de primaire vordering staat vermeld, dan zal deze vordering niet tot toewijzing kunnen leiden. Enerzijds niet als de primaire vordering wordt toegewezen, want dan komt de rechter niet toe aan toewijzing van overige vorderingen, en anderzijds niet als de primaire vordering is afgewezen, want een vordering in het kader van de ontbinding (primaire vordering), die onder de opzegging (subsidiaire vordering) is geplaatst, kan niet worden toegewezen, omdat ontbinding en opzegging twee verschillende rechtsgronden zijn.

    Een voorbeeld van een onjuist gebruik van een primaire en een subsidiaire vordering wordt gegeven in een arrest van het hof te Amsterdam van 26 juni 2006. In deze zaak was door de verhuurder de huur opgezegd wegens de opzeggingsgrond “dringend eigen gebruik”. De verhuurder had primair een verklaring voor recht gevorderd dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en subsidiair ontbinding en ontruiming gevorderd. De primaire vordering werd als niet weersproken toegewezen met afwijzing van het meer of anders gevorderde. De verhuurder ging tegen deze uitspraak in beroep.Het beroep kon de verhuurder niet baten. Immers de huurovereenkomst blijft op grond van artikel 7:272 BW van kracht totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering tot huurbeëindiging. De verhuurder heeft echter niet primair een vordering tot huurbeëindiging ingesteld en aan de subsidiaire eis kwam de rechter niet toe. De ingestelde primaire vordering was onjuist ingesteld, omdat een verklaring voor recht van rechtsgeldige opzegging onnodig is. Als er rechtsgeldig is opgezegd, dan zal de rechter bij een juiste inkleding van de opzeggingsgronden de zaak inhoudelijk bekijken. Voorts had de verhuurder in het kader van de primaire vordering ontruiming van de woning dienen te vorderen en niet de ontruiming als subsidiaire vordering in dienen te stellen. Zoals gezegd komt de rechter niet meer toe aan beoordeling van de subsidiaire vordering na toewijzing van de primaire vordering. Toewijzing van de primaire vordering gaf in deze zaak niet het effect van huurbeëindiging, omdat de constatering van een formeel juiste opzegging nog niet met zich mee brengt dat de opzeggingsgronden inhoudelijk correct zijn beoordeeld. Aan dit punt zou de rechter pas toekomen als ook huurbeëindiging zou zijn gevorderd. Dat was uitdrukkelijk niet het geval (Hof Amsterdam 23 juni 2006, zaaknummer 200.104.910).

    Is de beheerder of de verhuurder procespartij?>>

    Inleiding

    In huurzaken is het meestal duidelijk welke partijen bij de overeenkomst zijn betrokken. Het is immers meestal wel duidelijk wie de huurder en de verhuurder zijn. Als de verhuurder een beheerder heeft ingeschakeld om zijn zaken te behartigen is het soms onduidelijk wie aan de zijde van de verhuurder in de procedure betrokken dient te worden. Moet de verhuurder of de beheerder in een procedure worden betrokken? Op deze vraag wordt in dit onderdeel antwoord gegeven.

    Vaak wordt door een verhuurder een beheerder ingeschakeld die voor de verhuurder alle werk uit handen neemt. Als beheerder kan door de verhuurder bijvoorbeeld een makelaar worden benoemd. Vaak is niet eens duidelijk wie de verhuurder is. De beheerder treedt dan op namens een “niet nader te noemen verhuurder”. De identiteit van de verhuurder is niet eenvoudig te achterhalen als er sprake is van een verhuurder die economisch eigenaar van de onroerende zaak is. De grondslag van het beheer is meestal een lastgevingovereenkomst. De beheerder is dan lasthebber en de verhuurder is dan de opdrachtgever. In de lastgevingovereenkomst zijn de taken van de beheerder precies omschreven.

    Op grond van de lastgevingovereenkomst kan de beheerder worden belast met het sluiten van nieuwe huurovereenkomsten met nieuwe huurders, incasso van de huurpenningen, onderhoud van het gehuurde en inspectie van het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst. Het takenpakket kan dus groter of kleiner zijn dan hier omschreven. De bevoegdheden van de beheerder dienen dus nauwkeurig in de lastgevingovereenkomst te zijn vermeld.

    De inhoud van de lastgevingsovereenkomst is voor de huurder vaak niet zichtbaar. De huurder weet vaak niet hoever de volmacht reikt. Om te kunnen beoordelen of de huurder over bepaalde kwesties over de huurovereenkomst rechtstreeks de beheerder of de verhuurder dient is de manier bepalend waarop de beheerder zich heeft gepresenteerd en welke handelingen hij in het kader van de huurovereenkomst heeft verricht. Voorafgaande aan het starten van een procedure is het daarom wijs de beheerder uitdrukkelijk te vragen of hij rechtstreeks kan worden aangesproken voor de kwestie die partijen verdeeld houdt. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof Amsterdam van 19 maart 2011 LJN: BQ1730, Gerechtshof Amsterdam, 200.069.226/01 was de huurder van een verkeerde partij uitgegaan. Dit had voorkomen kunnen worden door onderzoek of navraag wie als partij aangemerkt diende te worden gedurende de looptijd van het huurcontract.
    Hoewel niet bijzonder duidelijk was of de lasthebber voor zichzelf of namens de eigenaar optrad, was het hof desondanks van mening in rechtsoverweging 3.5 van dit arrest dat de huurder ervan uit mocht gaan dat de eigenaar als verhuurder aan was te merken. Dat gold volgens het hof eens te meer nu een derde die namens de eigenaar was aangesteld om huur te ontvangen, deze bedragen ook zonder protest ontving. In de correspondentie was deze derde uitdrukkelijk als vertegenwoordiger van de eigenaar aangemerkt.

    De beheerder als onmiddellijk vertegenwoordiger

    Een onmiddellijk vertegenwoordiger treedt op in naam van de verhuurder. Bijvoorbeeld de makelaar Jansen treedt uitdrukkelijk op namens de verhuurder (Pieterse). De verhuurder heeft de beheerder dan opdracht gegeven om in zijn naam een bepaalde rechtshandeling te verrichten. De onmiddellijk vertegenwoordiger handelt in naam en voor rekening van de verhuurder.

    De huurder dient in deze situatie voor de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien de verhuurder rechtstreeks aan te spreken. De onmiddellijk vertegenwoordiger kan de huurder ook niet zelfstandig aanspreken betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst.

    Als de beheerder achteraf niet bevoegd blijkt te zijn geweest en weigert de verhuurder de rechtshandeling te bekrachtigen (artikel 3:69 BW) dan kan de huurder op grond van artikel 3:61 BW zich op het standpunt stellen dat de verhuurder de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt. Voor een succesvol beroep op vertegenwoordigingsbevoegdheid dient de vertegenwoordigde handelingen en/of gedragingen te verrichten die de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bevestigen bij totstandkoming van de overeenkomst. Gedragingen voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst kunnen ook van belang zijn.

    Ook incasso van huur kan de beheerder op naam van de verhuurder doen. De verhuurder wordt dan geacht de betalingen te hebben ontvangen. Discussies over de huur moeten dan tussen de huurder en de verhuurder worden gevoerd. Vorderingen van de waarborgsom bij het einde van de huurovereenkomst moeten tegen de verhuurder worden ingesteld.

    Vuistregel: als de beheerder als onmiddellijk vertegenwoordiger is opgetreden namens de verhuurder, dan dient de huurder de verhuurder te benaderen als zich problemen bij uitvoering van de huurovereenkomst voordoen. De huurder en verhuurder zijn de procespartijen.

    De beheerder als middellijk vertegenwoordiger

    De middellijk vertegenwoordiger sluit de overeenkomsten voor zich. De rechtsgevolgen treden voor de beheerder zelf in. De beheerder wordt immers beschouwd als zelfstandige partij van de huurovereenkomst. De verhuurder staat buiten de rechtsverhouding tussen de huurder en de verhuurder. Als er een toereikende volmacht mocht ontbreken, dan is van belang wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen hebben kunnen afleiden.
    Bij middellijke vertegenwoordiging treedt de beheerder bijvoorbeeld namens een niet nader genoemde verhuurder op (de verhuurder kan ook bekend zijn) en staat in het huurcontract dat de beheerder alle zaken met betrekking tot de huurovereenkomst regelt.

    Aan de beheerder moet door de verhuurder een toereikende volmacht zijn gegeven (artikel 3:60 BW). Als in het huurcontract staat dat de beheerder gehouden is alle zaken over de huurovereenkomst met de huurder te regelen, dan lijkt het dat de huurder van een toereikende volmacht uit mag gaan. De verhuurder die immers op grond van het huurcontract iemand in zijn woning laat wonen wekt het vertrouwen dat de beheerder op basis van de huurovereenkomst de zaken over het gehuurde mag regelen als dit in het huurcontract staat vermeld. De verhuurder wordt wel geacht van de inhoud van het huurcontract op de hoogte te zijn.

    Ook incasso van huur kan de beheerder op zijn eigen naam doen. De beheerder wordt dan geacht de betalingen te hebben ontvangen. Discussies over de huur moeten dan tussen de huurder en de beheerder worden gevoerd. Vorderingen over de waarborgsom bij het einde van de huurovereenkomst moeten in zo'n geval tegen de beheerder worden ingesteld.

    Als de incasso van de huur door de beheerder in het kader van middellijke vertegenwoordiging wordt behandeld, maar het onderhoud bij de verhuurder ligt, kan de huurder in het kader van een incassoprocedure over achterstallige huur geen vordering in reconventie tegen de beheerder voor herstel van gebreken indienen. De beheerder is dan immers niet verantwoordelijk voor het onderhoud. De huurder kan alleen een vordering in reconventie tegen de beheerder indienen als hij zelf een vordering ten laste van de beheerder heeft. Ook als in standaardvoorwaarden staat vermeld dat de huurder zich voor alle zaken omtrent het gehuurde zich tot de beheerder moet wenden maakt dit de beheerder nog geen partij bij de huurovereenkomst (de beheerder kan dan immers ook als onmiddellijk vertegenwoordiger optreden). De huurder moet dan voor herstel een aparte procedure starten en deze laten voegen in de incassoprocedure.

    Vuistregel: treedt de beheerder als middellijk vertegenwoordiger op, dan kan de verhuurder de beheerder rechtstreeks voor kwesties omtrent de huurovereenkomst aanspreken.

    Beheerder moet zijn verplichtingen correct nakomen
    Als de beheerder met de verhuurder is overeengekomen dat de beheerder het financiële, commerciële, en technische beheer van de woning overneemt, dan kan de beheerder jegens de verhuurder aansprakelijk worden gehouden voor het houden van onvoldoende toezicht.

    De beheerder werd aansprakelijk gehouden voor de schade die door de verhuurder werd geleden door het aanleggen van een hennepkwekerij door de huurder in het gehuurde. De verhuurder stelde zich op het standpunt dat de beheerder tekortgeschoten was geschoten in de nakoming van de beheerovereenkomst. Volgens de verhuurder heeft de beheerder niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot verwacht mocht worden. De beheerder had volgens de verhuurder geen antecedentenonderzoek gedaan, geen vooronderzoek gedaan, geen sluitende administratie gevoerd en de woning niet gecontroleerd (ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe door de verhuurder bij het aangaan van de beheerovereenkomst). De verhuurder vorderde daarom ontbinding van de overeenkomst en vorderde vergoeding van schade in het kader van ongedaanmakingsverbintenissen voor een bedrag van circa € 17.000 aan herstelwerkzaamheden en een bedrag van circa € 4.000 aan misgelopen huurinkomsten.

    De beheerder meende dat hier slechts sprake was van een overeenkomst waarbij slechts voor de huurincasso zorggedragen diende te worden.
    De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam vond in haar vonnis van 27 maart 2015 ( ECLI:NL:RBROT:2015:1801) de argumenten van de beheerder niet overtuigen. De rechtbank was van mening dat de beheerovereenkomst een overeenkomst van opdracht betrof. Bij een overeenkomst van opdracht moet de opdrachtnemer (de beheerder) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen . Dit volgt uit artikel 7:401 BW.
    De kantonrechter constateerde dat de beheerder adverteerde dat zij grondig onderzoek deed naar een mogelijke huurder van in dit geval het huis van de verhuurder. Het doel van dit onderzoek zou het vinden van een juiste en correcte huurder zijn. In de praktijk ging het alleen om (kort gezegd) een onderzoek naar de kredietwaardigheid van de potentiële huurder. In deze zaak wilde de huurder alleen contant betalen. Volgens de rechtbank betekende dit niet dat de huurder niet kredietwaardig zou zijn. Dát de huurder de huur contant wilde betalen, had voor de beheerder aanleiding moeten zijn hem (en het huis dat hij huurde) in de gaten te houden. Het is immers in het huidige maatschappelijke verkeer niet gebruikelijk om de huur contant te betalen. Het had op de weg van de beheerder gelegen conform de afspraken regelmatig de woning te inspecteren. Nu de beheerder dit niet had gedaan, had deze niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden zou moeten doen. De rechter wees ontbinding van de overeenkomst toe. De beheerder kon gezien deze omstandigheden geen beroep doen op uitsluiting van de aansprakelijkheid op basis van de algemene voorwaarden. De gevorderde schade werd daarom ook toegewezen.

    Omschrijf de gedaagde partij zeer nauwkeurig
    Het is van groot belang om de gedaagde partij, en diens adresgegevens, zeer nauwkeurig en correct te omschrijven. Zorg bijvoorbeeld voor een uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel, teneinde de juiste naam en de correcte adresgegevens te achterhalen. Aan de deurwaarder kan worden gevraagd alvorens de dagvaarding uit te brengen eerst de adresgegevens bij de Gemeentelijke Basis Administratie te verifiëren. [gedaagde] heeft [betrokkene] gedagvaard voor de kantonrechter. Zij heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de met [betrokkene] gesloten huurovereenkomst is ontbonden, met veroordeling van laatstgenoemde tot voldoening van de bestaande huurachterstand en tot vergoeding van de door hem aan het gehuurde toegebrachte schade. (ii) De kantonrechter heeft de vorderingen bij verstek toegewezen. Op grond van dit verstekvonnis heeft de deurwaarder op 3 december 2012 het gehuurde ontruimd.

    De bewindvoerder is procespartij >>

    De beschermingsbewindvoerder
    De kantonrechter te Arnhem heeft aan de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld over de positie van de bewindvoerder als procespartij in een procedure. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525 ) deze vragen beantwoord. De inhoud van dit arrest is zo volledig en compleet, dat ik er voor kies de tekst van dit arrest grotendeels over te nemen. De feiten waarvan de rechter in de procedure van uit ging luidden als volgt:
    De verhuurder heeft de (onder bewind gestelde) huurder in een procedure betrokken. In deze procedure heeft de verhuurder een verklaring voor recht gevorderd dat de met huurder gesloten huurovereenkomst is ontbonden, met veroordeling van laatstgenoemde tot voldoening van de bestaande huurachterstand en tot vergoeding van de door hem aan het gehuurde toegebrachte schade. In deze kwestie had de verhuurder de huurder gedagvaard, omdat de verhuurder niet bekend was dat de huurder onder bewind stond. Een onderbewindstelling wordt niet gepubliceerd in openbare registers, dus is het vaak lastig voor de verhuurder om op de hoogte te zijn. Dat de verhuurder met de onderwindstelling niet bekend was, kon de verhuurder niet worden verweten. Dat geldt eens te meer nu de bewindvoerder niets had gedaan om de huurachterstand te voorkomen.

    De kantonrechter heeft de vorderingen bij verstek toegewezen. Op grond van dit verstekvonnis heeft de deurwaarder op 3 december 2012 het gehuurde ontruimd. De bewindvoerder van de huurder is bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2011 op de voet van artikel 1:431 BW benoemd tot bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de huurder. De bewindvoerder is in verzet gekomen van het verstekvonnis van de kantonrechter. Hij heeft aangevoerd dat hij in dit geding optreedt als formele procespartij ten behoeve van de huurder, en dat de verhuurder op de hoogte is of had kunnen zijn van zijn benoeming. Hij heeft zowel de door de verhuurder gestelde huurachterstand als de schade betwist. In conventie heeft hij gevorderd dat de kantonrechter hem tot goed opposant zal verklaren en de vorderingen van de verhuurder alsnog zal afwijzen.
    De kantonrechter heeft de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

    1. Kan de beschermingsbewindvoerder ( artikel 1:435 BW) door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard (in casu door een verzetdagvaarding uit te brengen) als procespartij worden aangemerkt?
    2. Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de beschermingsbewindvoerder) in die procedure?
    3. Dient de beschermingsbewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft)?
    4. Dient een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of (juist) tegen de beschermingsbewindvoerder?
    De Hoge Raad stelt het volgende voorop bij de beantwoording van deze vragen.
    De Hoge Raad is allereerst van mening dat het huurrecht als een goed moet worden gezien dat onder het bewind valt. De consequentie daarvan is dat de verhuurder dus de bewindvoerder zal moeten dagvaarden. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen dus niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden ( artikel 1:438 leden 1 en 2 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte ( artikel 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Een veroordeling tot ontruiming jegens de bewindvoerder is voldoende. Ook de huurder is dan gehouden om het gehuurde te ontruimen. Het feit dat de ontruiming feitelijk door de huurder en niet door de bewindvoerder moet worden uitgevoerd (of anders door de deurwaarder met behulp van de sterke arm van politie en justitie) maakt dat niet anders. De huurder behoeft dus niet in het vonnis genoemd te worden als veroordeelde partij. Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend.

    Concreet betekent dit dat de bewindvoerder die in rechte verschijnt in een procedure waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, als formele procespartij heeft te gelden. De bewindvoerder is bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was, indien en voor zover in dit vonnis is geoordeeld over een onder bewind gesteld goed. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.

    Indien echter een procedure met betrekking tot een onder bewind gesteld goed tegen de rechthebbende zelf is ingesteld door een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, vergen de redelijke belangen van de wederpartij en het algemene belang van een vlot verlopend rechtsverkeer, dat het bewind niet aan de wederpartij kan worden tegengeworpen. In een zodanig geval kan de procedure dus tegen de rechthebbende zelf aanhangig worden gemaakt, en worden gevoerd. In artikel 1:440 lid 1 BW ligt besloten dat een eventuele veroordeling van de rechthebbende dan op de onder bewind gestelde goederen kan worden verhaald.

    Gelet op het beschermingskarakter van het bewind brengt een redelijke wetstoepassing in een zodanig geval echter mee dat, indien de bewindvoerder tijdens het geding – zolang dit niet door een onherroepelijk geworden uitspraak is geëindigd - ervan op de hoogte raakt dat de rechthebbende zelf als partij is betrokken bij een geding over een onder bewind gesteld goed, hij in dat geding kan verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Hiermee strookt dat de bewindvoerder een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was. In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder dus oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.
    De rechtbank Noord-Holland oordeelde in haar kortgedingvonnis van 5 november 2015 ( ECLI:NL:RBNHO:2015:9676) dat de verhuurder, die de huurder zelf in een ontruimingsprocedure middels een dagvaarding van 21 oktober 2015 had betrokken niet-ontvankelijk verklaard diende te worden nu de procedure tegen de huurder zelf en niet tegen zijn bewindvoerder was gevoerd. Uit de stukken die bij de dagvaarding waren gevoegd was duidelijk dat er sprake was van een onderbewindstelling. De kantonrechter kon uit het bewindsregister het volgende opmaken. De goederen van de huurder waren bij beschikking van de kantonrechter van 1 maart 2011 onder bewind gesteld met benoeming van C. als bewindvoerder. C werd echter op 9 december 2013 ontslagen als bewindvoerder. Met ingang van diezelfde datum werden de heren R. en B. als bewindvoerder aangesteld. Op 4 augustus 2015 zijn deze bewindvoerders op gezamenlijk verzoek uit het bewind ontslagen. Deze bewindvoerders hadden aannemelijk gemaakt dat samenwerking met de onder bewindgestelde niet mogelijk is. Bij dezelfde beschikking is de zaak aangehouden om de huurder in de gelegenheid te stellen om een nieuwe bewindvoerder voor te dragen, met de bepaling dat indien niet uiterlijk op 20 augustus 2015 bericht zou zijn ontvangen van huurder, hij geacht zou worden een verzoek tot opheffing van het bewind te hebben gedaan. Naar de mening van de rechter was niet gebleken dat een nieuwe bewindvoerder was benoemd. Er diende daarom ervan te worden uitgegaan dat huurder een verzoek tot opheffing van het bewind had gedaan en dat op dat verzoek nog niet was beslist, zodat het bewind nog in stand was. De verhuurder had daarom de gewezen bewindvoerder in een procedure dienen te betrekken. Volgens artikel 1:448 lid 3 BW blijft een gewezen bewindvoerder verplicht al datgene te doen, wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. De verhuurder had dus de heren R. en B. dienen te dagvaarden. Gezien het feit dat de verhuurder bij de producties bij de dagvaarding ervan op de hoogte was dat er sprake was van een onderbewindstelling, deed zich hier de situatie niet voor dat de verhuurder pas gedurende de procedure van onderbewindstelling in kennis was gesteld.

    Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient gezien het bovenstaande te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van artikel 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

    De bewindvoerder van de huurder is in het licht van het bovenstaande arrest van de Hoge Raad bevoegd de huur op te zeggen. De kantonrechter te Rotterdam oordeelde in haar vonnis van 23 januari 2015 ( ECLI:NL:RBROT:2015:776) dat de bewindvoerder de huur van de onder bewind staande huurder op mocht zeggen, nadat in de woning van deze huurder een hennepkwekerij was ontdekt. De verhuurder had daarna de huurder gelegenheid geboden de huur ter vermijding van verdere kosten op te zeggen. De bewindvoerder had de huurovereenkomst opgezegd ter voorkoming van verdere kosten. De kantonrechter oordeelde dat die opzegging rechtsgeldig was gedaan. Volgens de kantonrechter kwam op grond van artikel 1:438 leden 1 en 2 BW tijdens het bewind het beheer van de aan de onder bewind gestelde goederen niet toe aan de huurder maar aan de bewindvoerder. De bewindvoerder was daarom bevoegd om de huurovereenkomst op te zeggen en behoefde daarvoor niet een opdracht van de huurder.

    Onderscheid tussen bewindvoerders
    Er dient als antwoord op de vraag of de bewindvoerder al dan niet als partij in een procedure betrokken dient te worden onderscheid gemaakt te worden tussen verschillende vormen van bewindvoering. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen het beschermingsbewind in de zin van artikel 1:431 lid 1 BW en de bewindvoerder op grond van de Wet op de Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).

    de WSNP-bewindvoerder
    De partij die een WSNP-bewindvoerder krijgt toegewezen wordt niet handelingsonbekwaam, maar verlies wel het beheer en de beschikking over zijn vermogen. Het hof te 's-Hertogenbosch was in haar arrest van 8 mei 2007 ( ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0040) tot oordeel dat de huurder wél bevoegd blijft de huur te betalen. Dit volgt uit artikel 297 FW in verband met artikel 299 FW en uit de regeling van het aan de schuldenaar vrij te laten bedrag dat er toe dient hem of haar in staat te stellen aan lopende verplichtingen als huurbetalen te voldoen. Dat is anders als de bewindvoerder de huurder heeft verboden uit het vrij te laten bedrag de huur te voldoen. Ingevolge artikel 313 FW zijn onder andere de artikel 25 FW en artikel 27 FW in geval van toepasselijkverklaring van de schuldsaneringsregeling, van overeenkomstige toepassing.

    Een bewindvoerder controleert in de drie jaar dat de WSNP duurt of de schuldenaar zijn verplichtingen tijdig nakomt door maandelijks een bedrag te storten op de boedelrekening. Wie alles goed heeft gedaan, krijgt na drie jaar een schone lei. Dit betekent dat de schuldeisers de restschuld niet meer op kunnen eisen. De lopende verplichtingen zoals de huurverplichtingen vallen in beginsel niet onder de verplichtingen die de bewindvoerder in het kader van de boedelverplichtingen dient te beheren. De bewindvoerder berekent welk bedrag de schuldenaar maandelijks mag houden om de vaste lasten te betalen (huur, water, energie, verzekeringen en huishoudgeld). Dit heet het ‘vrij te laten bedrag’. Het bedrag dat overblijft, stort de schuldenaar op een rekening die voor de schuldenaar wordt geopend. Dat is de boedelrekening. Het bedrag op de boedelrekening is bedoeld om de schuldeisers terug te betalen en de bewindvoerder te betalen. De huurder die in de WSNP zit en zijn lopende huur niet betaalt moet dit melden bij de bewindvoerder. Deze kan dan de regeling door de rechter laten beëindigen, waarna de schuldenaar automatisch failliet verklaard wordt.

    Het is niet zonder meer de taak van de bewindvoerder om toezicht te houden op het financieel beheer door en vanwege huurster. Volgens het hof is het huurster’s eigen verantwoordelijkheid om tijdig uit het vrij te laten bedrag de huur te betalen of te laten betalen. De huurder kan zich ter afwering van de vordering van verhuurster in het kader van een huurachterstand daarom niet verschuilen achter de handelwijze van de bewindvoerder. Zulks volgt ook uit het doel van de WSNP, namelijk om de sursiet te laten aantonen dat zij zelfstandig in staat is gedurende drie jaren een eigen verantwoord financieel beheer te voeren.
    Volgens het hof hoeft de bewindvoerder niet te worden gedagvaard als de huurder zijn verplichtingen niet nakomt. Als de bewindvoerder niet wordt gedagvaard zal het vonnis echter de boedel niet raken. De bewindvoerder kan dus wel worden gedagvaard. Dat is anders als de bewindvoerder de uit het vrij te laten bedrag de huur te voldoen. Als de huurder alleen is gedagvaard en niet de bewindvoerder, dan dient de huurder deze bewindvoerder wél van deze procedure op de hoogte te brengen.

    De rechtbank Limburg oordeelde in haar vonnis van 2 maart 2016 ( ECLI:NL:RBLIM:2016:1784) dat de man terecht de vrouw en niet haar bewindvoerder in deze procedure had betrokken, omdat de vrouw geen huurster was en het huurrecht niet tot de boedel van de vrouw behoorde. De rechter overwoog verder dat de vrouw weliswaar feitelijk in de huurwoning verbleef, maar nog geen formele status van huurder of medehuurder in de zin van artikel 7:267 BW had. Dat betekende dat er ook (nog) geen onder bewind gesteld goed van de vrouw onderwerp is van dit geschil, zodat in dit geschil de vrouw zelf (en dus niet haar bewindvoerder) was gedagvaard.

    In deze zaak werd door een WSNP-bewindvoerder van een huurder (de man) een vordering tegen zijn voormalige partner (de vrouw), die eveneens in de schuldsanering zat, een vordering tot ontruiming van de door hem gehuurde woning ingesteld. De vrouw bewoonde de woning, die door de man tijdelijk was verlaten nadat de relatie tussen de man en de vrouw op de klippen was gelopen. De vrouw had het wettelijke medehuurderschap niet verkregen, omdat er niet gedurende de bewoning van de woning geen sprake was van een huwelijk, dan wel van een geregistreerd partnerschap. De vrouw wenste ex artikel 7:267 BW de man te laten veroordelen tot medewerking aan het doen een vordering tot verkrijging van het medehuurderschap door de vrouw. In het kader van de over en weer gestelde vorderingen was het logisch dat namens de man de vordering door de WSNP-bewindvoerder werd ingesteld. Het huurrecht dat aan de man toebehoorde dient immers te worden aangemerkt tot een goed dat tot de boedel behoort. Dit goed wordt door de WSNP-bewindvoerder beheerd. De bewindvoerder van de man had de vordering tot ontruiming van de woning door de vrouw tegen de vrouw ingesteld.

    Het hof te 's-Hertogenbosch was in haar arrest van 8 mei 2007 ( ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0040) oordeelde dat de procedure tijdens de periode van de WSNP tegen de huurder zelf aanhangig gemaakt dient te worden als het de huurder vrij staat de verplichtingen zelf te voldoen. Slechts als de bewindvoerder of de rechter-commissaris de huurder heeft verboden vrij te laten bedrag de huur te voldoen, dan dient de bewindvoerder in en procedure te worden betrokken. Er vindt dus in beginsel in geval van een Wsnp-bewind geen vertegenwoordiging plaats van de schuldenaar door de bewindvoerder. Het bewind betrekt zich, blijkens artikel 316 FW, uitsluitend op de boedel in de schuldsaneringsregeling en dus niet op de lopende termijnen.

    Artikel 305 lid 2 FW bepaalt dat een verhuurder bevoegd is de huur tussentijds te beëindigen indien de schuldenaar jegens de verhuurder een verplichting, die is ontstaan na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet nakomt. Een ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurschulden, welke zijn ontstaan vóór de toepassing van de WSNP, is op basis van artikel 305 lid 2 FW niet mogelijk. Gedurende de toepasselijkheid van de WSNP op de huurder is de verhuurder gehouden voort te gaan de huurder, ondanks een anterieure tekortkoming in het betalen van de huurpenningen, als huurder te accepteren. Evenzo wordt de tenuitvoerlegging van een vóór het toepasselijk worden van de WSNP tegen de huurder uitgesproken ontruimingsvonnis geschorst en is de verhuurder gehouden het gebruik van het gehuurde door de huurder gedurende de toepasselijkheid van de WSNP te aanvaarden. Blijkens de wetsgeschiedenis wordt hierbij echter wel de voorwaarde gesteld, dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan: “De huurovereenkomst mag niet tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling door de verhuurder beëindigd worden – hetzij opgezegd op grond van artikel 7:274 BW, hetzij ontbonden op grond van artikel 6:265 BW - op grond van een huurachterstand die is opgebouwd vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De verhuurder zal zich hier moeten voegen bij de andere schuldeisers die moeten afwachten of ze nog iets op hun vorderingen uitgedeeld krijgen. Een ontruiming aan het begin van de schuldsaneringsregeling geeft de schuldenaar echter een moeizame start en doorgaans extra onkosten.(…) Daarom wordt de executie van het ontruimingsvonnis opgeschort. Voorwaarde is wel dat de lopende huurpenningen tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling steeds tijdig worden betaald. Zodra de schuldenaar een nieuwe huurschuld doet ontstaan, kan het ontruimingsvonnis alsnog ten uitvoer gelegd worden (…)” (Handelingen TK, w.o. 29 942, MvT nr 3, I, onderdeel T).
    De huurachterstand die vóór de schuldsanering is ontstaan valt in de boedel van de schuldsanering en kan niet leiden tot ontbinding van de overeenkomst tijdens de periode dat de WSNP van toepassing is. Het starten van een procedure heeft dus geen zin als het gaat om huurachterstand die vóór de toepassing van de WSNP is ontstaan. als een ontruimingsvonnis vóór de WSNP is verkregen kan de executie van dit vonnis dus wél ten uitvoer worden gelegd als de huurder na toepassing van de WSNP wederom met betaling van de huur in gebreke blijft. Dit is bevestigd in een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 20007 ( ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1146).
    Als de WSNP-bewindvoerder merkt dat de schuldenaar zijn lopende huurverplichtingen niet nakomt, dan zal de bewindvoerder vragen het bewind op te heffen, waarna de schuldenaar failliet wordt verklaard. De curator en/of de verhuurder kan dan op grond van artikel 39 FW de huurovereenkomst beëindigen. De lopende termijnen na faillissement zijn dan wel boedelschuld.

    De vennootschap wordt ontbonden na het instellen van de vordering>>

    De rechtbank Overijssel heeft in haar vonnis van 26 juli 2016 ( ECLI:NL:RBOVE:2016:4070) een uitspraak moeten doen over terugvordering door de huurder van betaalde bemiddelingskosten. Het is inmiddels vaste rechtspraak dat de bemiddelaar die "twee heren heeft gediend" geen loon toekomt. Dit wordt uitgebreid besproken in het hoofdstuk De aanvang van de huurovereenkomst, onderdeel: Bemiddelingskosten voor rekening huurder?
    Deze uitspraak is met name van belang vanwege het verweer dat door een moedermaatschappij van de gedaagde vennootschap werd gevoerd inhoudende dat de gedaagde vennootschap was ontbonden en geliquideerd. Deze moedermaatschappij overlegde ter onderbouwing van dit verweer een drie pagina’s tellend uittreksel uit het handelsregister aangaande deze laatste rechtspersoon. Op pagina 2 van dit uittreksel was vermeld dat de onderneming van de gedaagde vennootschap 21 april 2016 is beëindigd en dat de vennootschap zelf per die datum is ontbonden. Deze ontbinding had plaats gevonden na de eerste zittingsdag van deze procedure.
    De rechter was daarom van oordeel dat de vennootschap niet was opgehouden te bestaan. Indien een rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij ingevolge het vierde lid van artikel 2:19 BW op te bestaan. Ingevolge het vijfde lid van dat artikel blijft een rechtspersoon echter ook na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Dat een rechtspersoon is ontbonden, betekent evenmin niet zonder meer dat deze niet meer in rechte kan optreden. In het geval de procedure tegen de rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van zijn ontbinding en de vereffening van zijn vermogen, kan de procedure tegen de rechtspersoon worden voortgezet, ook indien de vereffening van het vermogen inmiddels is geëindigd en de rechtspersoon niet meer bestaat (zie HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948
    In deze laatste procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014 werd door en/of namens een vereniging die was ontbonden gesteld dat zij ondanks de ontbinding in het hoger beroep kon worden ontvangen. Wederpartij had cassatie tegen dit onderdeel ingesteld waarin werd gesteld dat omstandigheid dat de vereniging door de rechter is ontbonden, meebracht dat zij - als niet langer bestaand - niet meer tegen de desbetreffende beslissing in beroep kon komen.
    Het hof had eerder geoordeeld dat de vereniging in hoger beroep ontvangen kon worden en had dit als volgt gemotiveerd. Bij beëindiging van een rechtspersoon onderscheidt de wetgever in de artikelen 2:19 en 2:20 BW het moment waarop de rechtspersoon wordt ontbonden van het moment waarop zij ophoudt te bestaan. Die twee momenten kunnen in de tijd samenvallen (artikel 2:19 lid 4 BW) maar noodzakelijk is dat niet. De rechtspersoon blijft na haar ontbinding bijvoorbeeld voortbestaan, voor zover nodig voor de afwikkeling van haar vermogen (art. 2:19 lid 5 BW). Civiele procedures lopen door ondanks het ontbonden zijn van een rechtspersoon, zodat door dan wel tegen die rechtspersoon een veroordelend vonnis kan worden verkregen (Hof Amsterdam 22 november 2011, LJN: BU6627). Onder de daarvoor normaal geldende voorwaarden is een dergelijk vonnis vatbaar voor hoger beroep en cassatie. Op grond van artikel 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, NJ 2013/59). Omdat het hof niet had vastgesteld dat de vereffening van het vermogen van de vereniging was geëindigd, diende tot uitgangspunt bij de beoordeling van het onderdeel te worden genomen dat de vereniging nog bestond. Daarom kon het onderdeel niet tot cassatie leiden.
    Er werd verder een subsidiair aangevoerd dat dat namens de ontbonden vereniging alleen door de vereffenaar hoger beroep kon worden ingesteld tegen de beschikking waarin de vereniging was ontbonden.
    De Hoge Raad oordeelt hierover het volgende: Mede gelet op de omstandigheid dat de taak van de vereffenaar is om het vermogen van de ontbonden rechtspersoon te vereffenen, en dat daartoe niet behoort de behartiging van de belangen die zijn betrokken bij het voortbestaan van de rechtspersoon, kan het door het onderdeel verdedigde standpunt niet worden aanvaard. Mede gelet op de omstandigheid dat de taak van de vereffenaar is om het vermogen van de ontbonden rechtspersoon te vereffenen, en dat daartoe niet behoort de behartiging van de belangen die zijn betrokken bij het voortbestaan van de rechtspersoon, kan het door het onderdeel verdedigde standpunt niet worden aanvaard. De ontbinding heeft tot gevolg dat de vereffenaars in de plaats treden van de bestuurders. Indien de rechter evenwel de rechtspersoon op de voet van artikel 2:20 BW ontbindt en daarbij een of meer vereffenaars benoemt die niet voor de ontbinding bestuurder van de rechtspersoon waren, brengt de fundamentele aard van de, door art. 8 Gw en art. 11 EVRM gewaarborgde, vrijheid van vereniging mee, dat de bestuurders wat betreft de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep of cassatie tegen de rechterlijke uitspraak waarin de vereniging is ontbonden, pas defungeren als de ontbinding onherroepelijk wordt.
    Ik ga ervan uit dat het hoger beroep wel door de vereffenaar ingeroepen moet worden als de voormalige bestuurders als vereffenaar zijn benoemd.
    Voor de zaak die diende voor de rechtbank Overijssel van 26 juli 2016 betkende dit dus dat ook indien moet worden aangenomen dat de vennootschap per 21 april 2016 was opgehouden te bestaan, dat de vennootschap nog bestond, omdat haar vermogen niet was vereffend en dus de procedure tegen de vennootschap gecontinueerd kon worden.

    Aantal exemplaren van de dagvaarding die de deurwaarder voor betekening nodig heeft >>

    De deurwaarder moet altijd één exemplaar van de dagvaarding meer ontvangen dan het aantal gedaagden. Als er één gedaagde op het exploot staat vermeld, dan moeten er twee exemplaren van de dagvaarding naar de deurwaarder worden gestuurd. Als er twee gedaagden op het dagvaardingsexploot staan vermeld, dan moeten er drie exemplaren van de dagvaarding naar de deurwaarder worden gestuurd. De deurwaarder betekent namelijk een afschrift van het exploot aan de gedaagde(n) en hij vult een origineel exemplaar in waarop de gedaagden en zijn bevindingen staan vermeld. De deurwaarder vermeldt bijvoorbeeld of hij de gedaagde het exploot heeft kunnen overhandigen, of dat hij het dagvaardingsexploot in een envelop in de brievenbus achter heeft moeten laten. Als het exploot wordt geweigerd, zal hij dit ook vermelden.

    Producties
    Aangeraden wordt om belangrijke documenten altijd bij de dagvaarding te voegen, namelijk als productie (bijlage). U dient de producties te nummeren. Vóór elke productie kunt u een productievel leggen, waarop het nummer van de betreffende productie is vermeld. Derhalve: “Productie 1, Productie 2, etc.”. De producties kunt u laten meebetekenen met de dagvaarding. Dat betekent dat u bij elk exemplaar van de (te betekenen) dagvaarding ook een set producties voegt.

    Begeleidende brief van de dagvaarding naar de deurwaarder

    In de begeleidende brief naar de deurwaarder moet staan dat de deurwaarder het formele gedeelte van de dagvaarding moet controleren en na controle moet betekenen. Verder is het verstandig om de deurwaarder duidelijk te maken dat het een losse opdracht betreft en dat hij niet als gemachtigde op mag treden. Voor de werkzaamheden als gemachtigde vraagt de deurwaarder een (gemachtigde-) salaris en dit is weggegooid geld als de procedure door de eisende partij zelf kan worden gevoerd. Met behulp van de online formulieren op Huurgeschil.nl moet dit in veel gevallen mogelijk zijn. In de brief moet verder het verzoek worden gedaan om de originele dagvaarding te retourneren onder begeleiding van de nota. U kunt de deurwaarder desgewenst ook verzoeken om de datum (van de rolzitting) te bepalen waartegen wordt gedagvaard, als u deze dag zelf nog niet hebt bepaald en hebt opgenomen in de dagvaarding. Het is verstandig om de deurwaarder hier uitdrukkelijk om te verzoeken.

    Termijn in de dagvaarding

    De dag waartegen wordt gedagvaard, is de dag waarop de gedaagde partij in de procedure moet verschijnen. Men noemt dit wel de “eerst dienende” dag of de “eerste rechtsdag”. De eiser dient te dagvaarden tegen een dag waarop de rechtbank “rolzitting” houdt. De “rol” is in feite een administratief systeem. Alle proceshandelingen verlopen via de rol. Elke rechtbank, afdeling civiel, kantonzaken, heeft eigen roldagen. Deze zijn, per rechtbank te vinden op de website Rechtspraak.nl.

    De gewone termijn tussen de betekening van de dagvaarding en de eerste zittingsdag beloopt tenminste één week: tussen de dag waarop de dagvaarding wordt betekend en de dag waartegen wordt gedagvaard moeten zich dus minimaal zeven dagen bevinden (artikel 119 RV jo. artikel 114 RV). Voor de goede orde: voor de termijn van zeven dagen tellen de dag waarop het exploot is betekend en de eerste rechtsdag dus niet mee!

    Als u als eisende partij nog een mogelijkheid van schikking open wenst te houden vóór de eerste zittingsdatum, of u wenst om organisatorische redenen de procedure later inhoudelijk te voeren, kunt u de deurwaarder vragen tussen de betekening van de dagvaarding en de eerste zittingsdag een x-aantal weken te plannen.

    Aanbrengen van de dagvaarding >>

    Na ontvangst van de originele dagvaarding moet de nota aan de deurwaarder worden betaald. Het betekenen van een dagvaarding kost € 77,84 (prijsbasis februari 2015). Hierbij komt vaak nog een bedrag aan informatiekosten. De deurwaarder controleert vaak of de gedaagde partij nog op het in de dagvaarding vermelde adres woont, of is gevestigd. Hier wordt vaak rond de € 10,- voor gerekend. Het bedrag dat de eisende partij aan de deurwaarder verschuldigd is staat vermeld in de begeleidende brief van de deurwaarder behorend bij de originele dagvaarding. De kosten die aan gedaagde partij doorbelast mogen worden staan vermeld aan het einde van het dagvaardingsexploot.

    De eisende partij moet vervolgens de originele dagvaarding aanbrengen (= toesturen) bij het gerecht waar de zitting plaatsvindt. Volgens de wet kunt u de dagvaarding indienen uiterlijk op de laatste dag waarop de griffie is geopend voorafgaande aan de in de inleidende dagvaarding vermelde roldatum (zie artikel 125 lid 2 RV). Met andere woorden: uiterlijk een dag vóór de eerste zittingsdatum moet de dagvaarding op de griffie van de rechtbank liggen. Wij raden aan om ervoor te zorgen dat de dagvaarding (voor alle zekerheid) reeds twee werkdagen vóór de eerste rechtsdag bij de griffie bezorgd te hebben. Zie hiervoor eveneens art. 3.1 van het Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 waarin is bepaald dat eiser het originele exploot na betekening zo spoedig mogelijk bij de griffie moet indienen. Wij raden aan om het exploot reeds (minimaal) twee werkdagen vóór de eerste zittingsdag bij de griffie te laten bezorgen. Belangrijk is dat u ook de producties (bijlagen) aan de rechtbank toezendt (artikel 3.3 Landelijk Rolreglement). In de begeleidende brief verzoekt u de rechtbank om u op de hoogte te houden van het verdere verloop van de procedure.

    Het is zeer belangrijk dat de rechtbank de dagvaarding daadwerkelijk ontvangt. Want als de rechtbank de dagvaarding niet heeft ontvangen, bestaat de zaak voor de rechtbank niet. Ook de gedaagde partij mag de dagvaarding op de rol laten plaatsen (artikel 127 RV), maar in de praktijk zal de gedaagde dit niet vaak doen. Gelet op een en ander verdient het aanbeveling om de griffie vóór de eerste rechtsdag nog even op te bellen, teneinde te verifiëren of de dagvaarding daadwerkelijk is ontvangen. Als de dagvaarding onverhoopt niet is aangekomen, kan deze nog worden gefaxt. Het originele exploot moet vervolgens wel alsnog worden toegezonden aan de griffie, en wel binnen 13 dagen (art. 3.2 Landelijk Rolreglement).

    Als u vergeet de dagvaarding aan te brengen, dan vindt er geen zitting plaats en moet de dagvaarding opnieuw worden betekend (de eerste dagvaardingskosten zijn dan weggegooid geld). De dagvaarding moet dan opnieuw door de deurwaarder worden uitgebracht. Zie overigens artikel 125 lid 5 RV over de mogelijkheid van een “herstelexploot”. Ook de gedaagde is, zoals gezegd, op grond van artikel 127 RV bevoegd de zaak op de rol te laten schrijven onder overlegging van het exploot van dagvaarding. Voor de gedaagde is dit soms interessant, bijvoorbeeld om een vordering in reconventie (tegeneis) in te stellen. Bijvoorbeeld: de verhuurder vordert één maand huur en de huurder vordert als tegeneis vervanging van een kapotte cv-ketel.

    Na eerste de zittingsdag ontvangt eiser een bevestiging van de rechtbank. De rechtbank geeft dan te kennen wat er op de zittingsdag is gebeurd. Dit wordt een rolbericht genoemd. In de rolberichten staat vermeld welke handeling de rechtbank voor uw zaak heeft verricht. Bijvoorbeeld: aan de wederpartij is uitstel verleend, of de reactie van de wederpartij wordt doorgestuurd. In de rolberichten na de eerste zittingsdag wordt de voortgang van de procedure weergegeven. De gedaagde partij krijgt ook steeds een rolbericht.

    De eisende partij krijgt al spoedig een nota voor het zogenoemde vastrecht, ook wel “griffierecht” genoemd. De eiser moet dit bedrag betalen. Als hij echter uiteindelijk de procedure heeft gewonnen, en ook heeft gevorderd dat de wederpartij in de proceskosten wordt veroordeeld, dan dient gedaagde het vastrecht aan eiser terug te betalen (zie overzicht griffierechten).

    De eerste zittingsdag>>

    In de dagvaarding staat vermeld op welke zittingsdag gedaagde verweer moet voeren.

    De rol van eiser op de eerste zittingsdag (de eerst dienende dag)
    Eiser heeft zijn vordering geformuleerd in de inleidende dagvaarding. De zittingsdag is vastgesteld. Eiser behoeft dan niet naar de zitting te gaan om zijn vordering toe te lichten. Hij heeft zijn vordering immers duidelijk in de inleidende dagvaarding vermeld. Bovendien is eiser niet aan de beurt; dit is het moment dat gedaagde aan zet is. Het bezoeken van deze rolzitting is derhalve (voor eiser) niet zinvol.

    De rol van gedaagde op de zittingsdag:
    De gedaagde partij heeft vier opties:

    1. er is geen verweer mogelijk, want de eiser heeft gelijk; verweer is weggegooide tijd; gedaagde laat dus verstek gaan;
    2. gedaagde heeft geen tijd om de zitting schriftelijk voor te bereiden, of om naar de zitting toe te gaan; gedaagde vraagt daarom schriftelijke uitstel voor antwoord aan;
    3. gedaagde is het niet eens met de vordering, gaat op de zittingsdag naar de zitting, en voert mondeling verweer;
    4. gedaagde voert schriftelijk verweer;

    In het eerste geval verschijnt de gedaagde niet. De rechter zal dan direct vonnis wijzen (een “verstekvonnis”), waarbij alle vorderingen van eiser in beginsel worden toegewezen (de rechter acht de vordering dan noch ongegrond noch onrechtmatig). In de overige drie gevallen verschijnt de gedaagde wel in de procedure. We spreken dan van een zaak “op tegenspraak”.

    ad 1
    Als gedaagde het met de vordering (bijvoorbeeld: een huurachterstand) wel eens is (de huurachterstand is door omstandigheden ontstaan) dan is het toch altijd wel zinvol om naar de zitting te gaan als men wel in staat is om binnen korte termijn aan de verplichtingen te voldoen. Te denken valt dat men de huurachterstand met vakantiegeld, of een dertiende maand binnen korte termijn denkt te kunnen voldoen. Ter zitting kan men de hoofdsom erkennen, maar men kan aan de rechter een terme de grâce vragen om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Door alsnog binnen een maand na betekening van het vonnis de verplichtingen na te komen, voorkomt gedaagde dat door de rechter de huurovereenkomst wordt ontbonden (als dit door de verhuurder is gevorderd). Verder kunnen ter zitting altijd de incassokosten worden bestreden. Veel incassobureaus vragen belachelijke bedragen aan incassokosten, terwijl de buitengerechtelijke werkzaamheden vaak zijn beperkt tot het schrijven van één of twee brieven. Dit rechtvaardigt niet toewijzing van honderden euro’s incassokosten. De gedaagde partij wordt daarom geadviseerd altijd verweer tegen incassokosten te voeren. De rechter is gerechtigd om deze kosten te matigen. De rechter mag ook ambtshalve (zonder dat u daarom vraagt) deze kosten matigen, doch de rechter is niet verplicht deze kosten te matigen. Klagen over incassokosten kan de gedaagde partij honderden euro’s besparen. De deurwaarder mag naast in rekening gebrachte incassokosten niet apart informatiekosten bij de gedaagde in rekening brengen. Mocht dit desondanks zijn berekend dan wordt de gedaagde geadviseerd hiertegen ook bezwaar tegen maken.

    Als er sprake is van een laag bedrag aan incassokosten (€ 50,-) en de gedaagde heeft geen belang bij een terme de grâce én de gedaagde is het eens met de gevorderde hoofdsom, dan is het wellicht verstandig om geen verweer te voeren. Elke proceshandeling maakt de procedure langer en duurder. Het eventuele voordeel bij verlaging van incassokosten valt dan weg tegen een verhoging van de proceskosten. Dit geldt alleen als er sprake is van een laag bedrag aan incassokosten, maar niet als het bedrag aan incassokosten boven € 150,- uitstijgt.

    Indien de gedaagde per ongeluk niet op tijd in de procedure is verschenen, is er overigens nog geen man over boord. Tegen een dergelijke gedaagde is “verstek” verleend, aangezien hij op de eerst dienende dag niet is verschenen. Maar meestal duurt het dan nog even alvorens de rechter daadwerkelijk zijn vonnis wijst. Zolang dit vonnis niet is gewezen, kan gedaagde alsnog in de procedure verschijnen (artikel 142 RV). Het verstek is daarmee “gezuiverd”, en gedaagde zal vervolgens alsnog inhoudelijk op de dagvaarding kunnen reageren. Ad 2
    Gedaagde krijgt altijd uitstel voor beantwoording van wat in de dagvaarding staat op de eerste zittingsdag. U hoeft dit verzoek om uitstel niet per aangetekende post te doen. Een faxbericht of een brief volstaat. Een telefoontje is niet voldoende (zie punt 2.5 Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 ).

    Het is wel raadzaam om de dag vóór de eerste zittingsdag de griffie te bellen met de vraag of de uitstelbrief binnen is gekomen. Het is voorts verstandig om een kopie van dit verzoek tot uitstel te maken. Wij raden verder aan om bij de brief met het verzoek tot uitstel een kopie van het voorblad van de dagvaarding te voegen. Soms heeft de eisende partij de dagvaarding pas één dag voor de zitting aangebracht en weet de griffie niet waar zij de brief moeten laten. Door een kopie van het eerste blad van de dagvaarding bij het verzoek tot uitstel te voegen maakt u het de griffie gemakkelijk om het verzoek tot uitstel te ordenen. De volgende zitting vindt dan, conform het Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 , vaak na vier weken plaats. Daarna krijgt de gedaagde partij bij veel rechtbanken alleen nog uitstel met toestemming van de eiser. Andere rechtbanken verlenen gedaagde partij nog eenmaal uitstel voor antwoord zonder toestemming van eiser. Het is niet duidelijk waarom hier geen eenduidig beleid bestaat. De gedaagde partij doet er goed aan om tijdig bij de rechtbank navraag te doen of nader uitstel (zonder toestemming van eiser) nog mogelijk is. Het is niet prettig om voor uitstel van de eiser afhankelijk te zijn, die waarschijnlijk niet het beste met de gedaagde partij voor heeft.

    Ad 3
    U kunt tijdens de zitting mondeling verweer voeren. Dit is niet aan te bevelen. De zittingen vinden standaard om 10.00 uur plaats. Alle rolzaken van die dag worden dan behandeld. Uw zaak kan dan op een veel later tijdstip worden behandeld, waardoor u veel tijd kwijt bent. Verder is het voor veel mensen moeilijk hun gedachten tijdens een dergelijke zitting te ordenen en vergeet men misschien punten aan te voeren door de omstandigheden van het geval. Voorts geldt dat het ook maar de vraag is of de rechter voldoende tijd en aandacht voor uw mondelinge verweer zal hebben. Een mondeling verweer is derhalve alleen aan te bevelen in simpele zaken, zoals beschreven onder a. Mondeling kunt u de daarin beschreven punten makkelijk aanvoeren. Voor ingewikkelde kwesties in het kader van gebreken, opschorting van huur, onduidelijke servicekostenoverzichten etc., is het verstandig om de gedachten schriftelijk te ordenen. Na een mondeling verweer kan de rechter een comparitie van partijen gelasten, of beslissen dat er schriftelijk doorgeprocedeerd kan worden.

    Ad 4
    De gedaagde voert schriftelijk verweer. Het verweer wordt conclusie van antwoord genoemd. Als u nog iets van eiser te vorderen heeft, dan kunt u tevens een eis in reconventie (= een tegenvordering) instellen. De conclusie wordt dan conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie genoemd . Een voorbeeld van deze processtukken vindt u ook op deze site.

    Na de conclusie van antwoord is de rechter aan zet. In beginsel zal hij een comparitie van partijen gelasten, maar hij kan (in uitzonderingsgevallen) ook beslissen dat er schriftelijk doorgeprocedeerd moet worden (artikel 131 RV).

    Als u van mening bent dat de rechter niet bevoegd is >>

    Als de gedaagde partij van mening is dat de rechter niet bevoegd is, dan moet u dit vóór het antwoord opmerking (zie artikel 209 RV). Gedaagde moet dan een exceptie van niet-ontvankelijkheid indienen. Dit wordt ook wel een “incident” genoemd. Het later oproepen van deze onbevoegdheid is niet meer geldig. De wet spreekt dan over straffe van verval tot instelling van deze vordering (zie artikel 110 RV). De rechter is bijvoorbeeld niet bevoegd als het gehuurde in Rotterdam ligt en u bent gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage. Op grond van artikel 103 RV is immers de rechter bevoegd binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. U kunt bijvoorbeeld ook een exceptie van niet-ontvankelijkheid indienen als bepaalde procedures elkaar doorkruisen: te denken valt aan een door de huurder gestarte procedure bij de huurcommissie, terwijl de verhuurder voor afhandeling van hetzelfde probleem de kantonrechter inschakelt. Volgens artikel 128 RV moet gedaagde alle excepties tegelijk naar voren brengen op straffe van verval van recht om dit later alsnog te doen.

    De conclusie van antwoord van gedaagde >>

    Een reactie op de dagvaarding kan zowel mondeling als schriftelijk worden gegeven. Een schriftelijk antwoord verdient de voorkeur. Een gedaagde partij die van plan is om tijdens een (rol)zitting bij de kantonrechter uitvoerig mondeling zijn zaak te bepleiten, zal doorgaans teleur gesteld worden. Waarschijnlijk zal de kantonrechter hem verzoeken om, na een uitstel, toch maar een schriftelijk antwoord in te dienen.

    Een schriftelijk antwoord wordt een conclusie van antwoord genoemd. Een voorbeeld van een conclusie van antwoord staat op deze site genoemd onder conclusie van antwoord en/of conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie.

    De conclusie van antwoord is een belangrijk document. Het is immers goed mogelijk dat deze conclusie uiteindelijk het enige schriftelijke stuk is dat door de gedaagde partij kan worden ingediend. In de conclusie van antwoord dient het verhaal van eiser, zoals gepresenteerd in de dagvaarding, zoveel mogelijk te worden weerlegd. Daarbij is het van belang om te beseffen dat stellingen van eiser die door gedaagde onvoldoende gemotiveerd worden betwist door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (artikel 149 lid 1 RV). Het is dus zaak om feiten die door de eisende partij zijn gesteld zoveel mogelijk te weerleggen! Gedaagde doet er goed aan om dit in de conclusie van antwoord te doen, aangezien dit – afgezien van de comparitie van partijen – mogelijk zijn enige kans is!

    Van groot belang is verder dat volgens artikel 128 lid 3 RV alle processuele verweren (“excepties”) in de conclusie van antwoord moeten worden vermeld. Daarna is het voeren van dergelijke verweren niet meer mogelijk! Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het verweer dat de rechter onbevoegd is of dat de dagvaarding nietig is. Verder is in artikel 128 lid 3 RV nog bepaald dat, als gedaagde in de conclusie van antwoord in het geheel niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan (dit noemt men “principaal” verweer), hij dat in het vervolg van de procedure niet alsnog mag doen. Het is dus van groot belang om in de conclusie van antwoord inhoudelijk op de zaak in te gaan. Als gedaagde dat nalaat, kan hij dus niet meer inhoudelijk reageren! Daarvoor bestaat dan pas weer de mogelijkheid in hoger beroep.

    Verder geldt de zogenoemde “waarheidsplicht” van artikel 21 RV ook voor de gedaagde partij. Ook gedaagde is dus, net zoals eiser in zijn dagvaarding, verplicht om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Daarnaast geldt voor de gedaagde partij dat ook hij, in de conclusie van antwoord, al bewijsmiddelen dient te vermelden, en in het bijzonder de getuigen waarover hij kan beschikken (artikel 128 lid 5 RV). Er wordt aangeraden om bij alle relevante stellingen tevens aan te geven op welke wijze deze stellingen kunnen worden bewezen.

    Als gedaagde ook een vordering op eiser meent te hebben kan hij deze vordering bij antwoord instellen (artikel 136 RV). Daarvoor is niet vereist dat beide vorderingen inhoudelijk samenhangen, zoals wel eens wordt gedacht. Gedaagde doet er verstandig aan om gebruik te maken van het processtuk “Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie”. Een tegeneis moet in de conclusie van antwoord zijn vermeld; later is dit niet meer mogelijk (artikel 137 RV). Zie de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 23 januari 2007 LJN: AZ8075, rechtbank Almelo, 227846 CV EXPL 8074-06. De rechter zal over de vordering van eiser (eis in conventie) en de vordering van gedaagde (eis in reconventie) bij hetzelfde eindvonnis beslissen (artikel 138 RV). Als de gedaagde heeft nagelaten om tijdig een eis in reconventie in te dienen, zal hij een aparte procedure moeten starten om zijn vordering te kunnen innen.

    Als eis in reconventie kan onder meer aan de volgende vorderingen worden gedacht:

  • eiser vordert een restant huur na beëindiging van de huurovereenkomst en gedaagde vordert de waarborgsom terug en/of vordert verrekening van de waarborgsom als het gehuurde correct is opgeleverd (zie het hoofdstuk: De oplevering);
  • eiser vordert bedragen in het kader van een huurachterstand en gedaagde vordert in reconventie herstel van gebreken aan het pand ( met vordering van een dwangsom als het herstel binnen een bepaalde gevorderde periode niet is afgerond);
  • eiser vordert bedragen in het kader van een huurachterstand en gedaagde vordert herstel van het gehuurde en verlaging van de huurprijs gedurende de periode dat het gebrek voortduurt.

    Bij de indiening van conclusies en akten met de daarbij gevoegde bescheiden moeten evenzoveel extra exemplaren worden aangeleverd als nodig is om elke wederpartij te bedienen (zie punt 2.4 Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 ). Dus: een exemplaar voor de rechtbank en een exemplaar voor iedere wederpartij. Als een partij te weinig stukken heeft ingediend, dan wordt hij door de rechter alsnog in gelegenheid gesteld voldoende stukken aan te leveren.

    Gedaagde moet niet vergeten de conclusie van antwoord te ondertekenen. De rechter kan besluiten niet ondertekende stukken te weigeren, en aan de weigering de consequenties verbinden die hem juist lijken. Wel dient de rechter de partij die heeft vergeten zijn processtuk te ondertekenen nog de gelegenheid te geven om alsnog tot ondertekening over te gaan (zie artikel 2.2. landelijke rolreglement kantonzaken, januari 2014 ). Het zou jammer zijn als uw steekhoudende verweer om deze reden gepasseerd zou worden!

  • Wijziging eis >>

    Zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen kan eiser altijd zijn vordering verminderen (artikel 129 RV). Een vermindering is bijvoorbeeld aan de orde als gedaagde een gedeelte van de huur heeft betaald. Dan is een vermindering van eis in ieder geval op zijn plaats.

    Eiser is eveneens bevoegd zijn eis of gronden daarvan schriftelijk bij conclusie of akte te veranderen of te vermeerderen. Deze bevoegdheid bestaat in beginsel zo lang nog geen eindvonnis is gewezen (artikel 130 lid 1 RV). Deze bevoegdheid heeft hij niet als de gedaagde niet in het geding is verschenen (artikel 130 lid 3 RV). Voor de wijziging van de eis kan gebruik worden gemaakt van de “akte wijziging eis”.
    Een wijziging van grondslag is niet altijd toegestaan. Een wijziging van de grondslag van de vordering kan in ieder geval niet worden toegestaan in een procedure, waarin tegen een partij verstek wordt verleend. Dit is beslist in een uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 5 november 2008. (LJN: BG8000, Rechtbank Rotterdam, 281154 / HA ZA 07-827 ).
    Gedaagde kan zich verzetten tegen deze wijziging op grond dat de verandering in strijd is met de eisen van goede procesorde. Bijvoorbeeld vanwege het feit dat het geding onredelijk wordt vertraagd, of met het argument dat gedaagde onredelijk in zijn verdediging wordt geschaad. De rechter zal hierover beslissen nadat hij partijen daarover heeft gehoord. Hij kan ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten, dat wil zeggen in de situatie dat de gedaagde zich niet tegen de wijziging of vermeerdering heeft verzet (artikel 130 lid 1 RV).

    Een voorbeeld van een vermindering van eis in een laat stadium van de procedure geeft het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 28 juli 2004 (LJN: AQ5839, Gerechtshof Leeuwarden, Rolnummer 0300155 ). In deze zaak had de verhuurder de vordering tot herstel va het gehuurde gewijzigd in een vordering tot betaling van een bepaald bedrag. Het gerechtshof was van mening dat de gedane wijziging van eis deels een vermindering, deels een nadere bepaling van het gevorderde inhield. De verhuurder vordert immers thans niet meer om huurder te veroordelen om het gehuurde te herstellen in de staat waarin het zich bij de aanvang van de huurovereenkomst bevond (hetwelk kan worden aangemerkt als een schadevergoeding anders dan in geld, zie HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495), terwijl zij haar vordering tot betaling van de herstelkosten thans nader heeft bepaald.

    Een wijziging van eis dient te geschieden bij akte of conclusie (akte wijziging eis). Bij de kantonrechter kunnen dergelijke akten of conclusies ook mondeling worden genomen (artikel 82 lid 2 RV).

    Als de rechter instemt met de wijziging van eis zal hij gedaagde in de gelegenheid stellen om zich tegen de (gewijzigde) eis te verweren. Wanneer de rechter de wijziging van eis niet toestaat, kan eiser natuurlijk altijd een separate procedure beginnen waarin hij het meerdere (of andere) alsnog opeist.

    De verdere gang van de procedure na antwoord >>

    Nadat door gedaagde een antwoord is gegeven beveelt de rechter een verschijning van partijen als bedoeld in artikel 87 RV en 88 RV, tenzij hij van oordeel is dat de zaak daarvoor niet geschikt is. Dit staat in artikel 131 RV vermeld. In het laatste geval (de uitzondering) zal de rechter partijen in de gelegenheid stellen om nog een keer op elkaars standpunten te reageren (repliek en dupliek).

    Partijen kunnen invloed uitoefenen op de wijze waarop het geding verloopt. Als een partij het bijvoorbeeld wenselijk vindt dat (inderdaad) een verschijning van partijen plaatsvindt, dan kan hij om een dergelijke verschijning vragen (zie ook artikel 4.2. Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 ). De beslissing over het verdere verloop is aan de rechter.

    Het uitgangspunt is, zoals gezegd, dat een verschijning van partijen plaatsvindt. Dit wordt ook wel een “comparitie van partijen” genoemd. Hier gaat het om een “echte zitting” waar u, als partij, wel bij aanwezig dient te zijn, zulks in tegenstelling tot de zogenoemde rolzittingen.

    Comparitie van partijen >>

    Door middel van een comparitie wenst de rechter een schikking tot stand te brengen, inlichtingen te verkrijgen, of met partijen van gedachten te wisselen over de wijze waarop de procedure verder dient te lopen.

    Partijen verschijnen bij de kantonrechter ter terechtzitting in persoon of bij gemachtigde. Uitgangspunt van deze handleiding is dat u de procedure zelf voert, zodat u zelf naar de zitting gaat. Ook als u een gemachtigde heeft ingeschakeld en de rechter heeft niet verschijning in persoon bevolen (zie artikel 87 lid 2 tweede zin RV), dan is het toch zinvol zélf (met de gemachtigde) naar de zitting te gaan. U kunt immers de rechter beter over de feiten informeren dan uw gemachtigde. Verder is het handig bij de zitting aanwezig te zijn als er een schikking gesloten kan worden; ook als uw gemachtigde een volmacht tot het bereiken van een schikking van u heeft gekregen, kan de gemachtigde vaak niet goed inschatten of u zich met een specifieke schikking akkoord zou verklaren. Het is dus in beginsel altijd van belang dat u als partij zelf bij een comparitie aanwezig bent. De rechter gelast een comparitie van partijen nadat de gedaagde partij een conclusie van antwoord heeft genomen, en in ieder geval als door een of beide partijen kenbaar is gemaakt dat prijs wordt gesteld op zo’n comparitie ( zie punt 4.2 Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 ).

    Partijen verschijnen bij de kantonrechter ter terechtzitting in persoon of bij gemachtigde. Huurgeschil.nl gaat er van uit dat u de procedure zelf voert, zodat u zelf naar de zitting gaat. Ook als u een gemachtigde heeft ingeschakeld en de rechter heeft niet verschijning in persoon bevolen (zie artikel 87 lid 2 tweede zin RV), dan is het toch zinvol zélf (met de gemachtigde) naar de zitting te gaan. U kunt immers de rechter beter over de feiten informeren dan uw gemachtigde. Verder is het handig bij de zitting aanwezig te zijn als er een schikking gesloten kan worden; ook als uw gemachtigde een volmacht tot het bereiken van een schikking van u heeft gekregen, kan de gemachtigde vaak niet goed inschatten of u zich met een specifieke schikking akkoord zou verklaren. Het is dus altijd van belang dat u zelf als partij bij een comparitie van partijen aanwezig bent.

    Als een partij niet gedurende een zitting verschijnt, ondanks dat de partij goed is opgeroepen, dan geeft artikel 88 lid 4 RV de rechter de bevoegdheid uit een niet-verschijnen ter comparitie de gevolgtrekking te maken die hij geraden acht. De rechter is niet verplicht een zitting te verplaatsen als een partij en/of de gemachtigde van die partij één dag voor de zitting te kennen geeft de zitting niet bij te kunnen wonen. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch stelt in haar arrest van 21 juni 2005 in rechtsoverweging 4.2.5. ( LJN: AU4078, gerechtshof 's-Hertogenbosch, C0400857/BR ) vast dat: "toereikend is geweest dat huurster en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld ter zitting te verschijnen en het woord te voeren. Dat huurster van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, komt voor haar risico".
    Het feit dat een partij op een zo korte termijn meldde niet bij een zitting aanwezig te kunnen zijn en het niet kunnen bereiken van de andere partij speelde hier ook mee. Als een partij ruim van te voren met overleggen van verhinderdata van de andere partij te kennen geeft niet te kunnen verschijnen, dan wordt doorgaans de zitting verplaatst naar een andere datum.
    Dit betekent echter niet dat zonder meer dat de rechter bij het niet verschijnen van partijen de conclusie mag trekken dat deze partij die eerder schriftelijk verweer heeft gevoerd dit verweer heeft prijsgegeven. Het uitgangspunt dient te zijn dat de rechter slechts ervan kan uitgaan dat een partij een verweer heeft prijsgegeven, indien dat, uitdrukkelijk of stilzwijgend, op ondubbelzinnige wijze is geschied. Zie de overweging 3.3.2. van de Hoge Raad in haar arrest van 9 juni 2006 ( LJN: AW2089, Hoge Raad, C05/082HR ).

    Als een partij gedurende een comparitie van partijen iemand mee wenst te nemen als toehoorder is dat mogelijk. Een toehoorder dient dan vaak op een rij stoelen achterin de zaal plaats te nemen. Mocht een partij deze toehoorder in de procedure later als getuige wensen te horen, dan kan de aanwezigheid van deze persoon tijdens de comparitie van partijen later een probleem opleveren. De verklaring van de getuige kan dan immers zijn gekleurd door de bevindingen die deze persoon tijdens de zitting heeft opgedaan. Mocht een partij graag later een persoon als getuige te horen, dan adviseer ik u deze persoon niet bij een comparitie van partijen aanwezig te laten zijn.

    Reageren op ingezonden stukken

    Stel dat een partij voor de zitting nog snel wat stukken heeft ingediend. Als u van mening bent dat u door indiening van deze stukken bent benadeeld, bijvoorbeeld omdat u te weinig tijd heeft om op deze stukken te reageren, dan doet u er goed aan om protest aan te tekenen. Doet u dat vooral tijdig. De rechter zal na het openen van de comparitie inventariseren welke stukken door partijen zijn ingediend. Dát is het moment om aan te geven dat u bezwaar maakt tegen het (late) indienen van de stukken door de wederpartij.

    Hoe verloopt een zitting ?

    Kijk voor de gang van zaken tijdens een zitting onder het kopje: "De zitting" verderop in dit hoofdstuk.

    Wat kunt u gedurende een comparitie van partijen verwachten ?

    Na het afroepen van de zitting door de griffier kunnen partijen de zittingskamer betreden. De zittingskamer bij kantongerechten is vaak niet zo groot. De zittingskamer komt meestal overeen met een grote huiskamer, waarin zich een grote tafel bevindt waarachter zich de rechter en griffier (in toga!) bevinden. Voorts bevinden zich in de ruimte twee kleine tafels voor partijen en een rij stoelen achter deze tafel voor het publiek. Rechtszittingen zijn openbaar, zodat hier ook publiek aanwezig kan zijn (in de praktijk wordt zelden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en worden de stoelen alleen gebruikt door bekenden van de partijen). Het kan echter gebeuren dat zich een onbekende “belangstellende” in de rechtszaal bevindt.

    Bij binnenkomst wijst de rechter vaak aan waar partijen dienen te gaan zitten. Er is een vaste plaats voor partijen, zodat de rechter de eisende en gedaagde partij niet door elkaar haalt. Het is handig om de rechter bij binnenkomst te vragen waar u moet plaatsnemen. U zegt dan tegen de rechter dat u de eisende of gedaagde partij bent, en de rechter zal dan uw plaats aanwijzen. In de regel zit eiser links en gedaagde rechts, gezien vanuit het gezichtspunt van de rechter.

    De rechter opent vervolgens de zitting met de vraag wie allemaal aanwezig zijn. De personalia worden dan nauwkeurig vermeld.

    Vervolgens zijn twee verschillende soorten aanpak mogelijk, al dan niet gecombineerd:

    1. 1. De rechter heeft naar aanleiding van de processtukken aan aantal concrete vragen aan partijen. Naar aanleiding van deze vragen mogen partijen hun standpunt uiteenzetten. Deze gang van zaken lijkt aan weinig formele regels gebonden. De rechter laat zich op deze wijze door partijen informeren en vormt zich aan de hand van dit gesprek een standpunt. Dit standpunt spreekt hij meestal niet duidelijk uit. De rechter moet er immers voor hoeden om partijen te beïnvloeden. De rechter hoort ook vrij passief (lijdelijk) te zijn. De rechter geeft partijen soms wel een voorlopig oordeel over hoe hij de zaak ziet op basis van de hem bekende gegevens. De rechter geeft partijen dan vervolgens, op basis van dat voorlopige oordeel, nog al eens de mogelijkheid om te proberen de zaak te schikken.
    2. 2. De rechter begint niet met het stellen van vragen. In plaats daarvan stelt hij partijen in de gelegenheid om hun standpunt nog eens uiteen te zetten. Vaak mag de eiser eerst zijn standpunt toelichten, waarop gedaagde dan kan reageren.
    Het kan verstandig zijn om voorafgaande aan de comparitie van partijen te bellen met de griffie van de rechtbank om te vragen wat precies de gang van zaken zal zijn tijdens de comparitie. Indien u graag de gelegenheid wenst te krijgen om uw standpunt tijdens de comparitie nog eens uiteen te zetten, kunt u daartoe bij de griffie het verzoek doen. De griffier zal uw verzoek dan bespreken met de kantonrechter. De ervaring leert echter dat rechters nogal terughoudend zijn om een partij de gelegenheid te geven om tijdens de comparitie een pleidooi te houden. Meestal wenst de rechter de comparitie te benutten voor het stellen van vragen.

    Tijdelijke schorsing van de zitting

    Als men op basis van deze gegevens van mening is dat het goed zou zijn om nog eens met de wederpartij van gedachten te wisselen en/of om alsnog tot een schikking te komen dan kan men schorsing van de zitting verlangen. Vaak gebeurt dit op instigatie van de kantonrechter. Gedurende de schorsing van de zitting kan men op de gang met elkaar van gedachten wisselen.

    De kantonrechter kan soms erg overtuigend zijn in zijn verzoek aan partijen om toch vooral te proberen er gezamenlijk uit te komen. Soms geeft hij de schikking zelfs bijna op een presenteerblaadje aan. Op zo’n moment is het erg oppassen. Natuurlijk mag uiteindelijk geen sprake zijn van een “dwangschikking”. Een minnelijke regeling moet door partijen uit vrije wil worden aangegaan. Daarom raden wij u aan om de druk van de kantonrechter te weerstaan indien u het aangaan van de gesuggereerde schikking niet in uw belang acht. De kantonrechter dient uw visie te respecteren!

    Uitkomst van de onderhandelingen

    Als men naar aanleiding van de onderhandelingen tot een schikking is gekomen is het verstandig de rechter te vragen op grond van artikel 87 RV een proces-verbaal van comparitie op te maken. Dit proces-verbaal van comparitie is een voor executie (zie het onderdeel "executie vonnis" in dit hoofdstuk) vatbare titel. Als de wederpartij alsnog zijn verplichtingen niet nakomt, kunt u dit stuk naar de deurwaarder sturen om zo de gemaakte afspraken door executie te laten afdwingen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag en het verkopen van de desbetreffende zaken.

    Punten van aandacht bij onderhandelingen

    Let bij het voeren van onderhandelingen op het totale plaatje van uw vordering! Stel dat uw hoofdsom € 1000,- is en u wenst om u moverende redenen de zaak alsnog te schikken, dan moet u bij uw vordering ook de dagvaardingskosten en griffierecht betrekken. Door deze kosten mee te nemen is uw vordering in ieder geval rond de € 1300,- (exclusief rente).

    Bij iedere schikking moeten partijen water bij de wijn doen. Het is echter onredelijk dat de eisende partij alle proceskosten voor zijn rekening neemt als duidelijk is geworden dat de rechter (in zijn voorlopige oordeel) bijvoorbeeld € 700,- voor toewijzing gereed acht en voor het overige een verdere procedure noodzakelijk acht. In dit geval is het alleszins redelijk de wederpartij te houden aan vergoeding van (een deel van) de proceskosten. Als het er naar uit ziet dat de rechter voor het grootste gedeelte uw vordering zal toewijzen, is het redelijk dat de wederpartij ook een groot deel van uw proceskosten vergoedt. De wederpartij heeft u kennelijk genoodzaakt om deze procedure voor uw grotendeels terechte vordering te starten!

    Als de gedaagde partij een vordering in reconventie heeft ingediend en die vordering is terecht, dan dient u er rekening mee te houden dat de proceskosten door de rechter kunnen worden gecompenseerd (= tegen elkaar weggestreept). Voor een procedure in reconventie worden ook proceskosten berekend. De eiser in reconventie heeft echter geen dagvaardingskosten en griffierecht betaald. Deze kosten zijn voorgeschoten door de partij die de procedure is gestart. Bij compensatie van kosten blijven deze kosten (gemiddeld ongeveer € 500,--) dus voor rekening van de eisende partij.

    In deze handleiding wordt ervan uit gegaan dat u zonder gemachtigde procedeert. Als u wel met een gemachtigde procedeert, dan kunt u in het kader van een schikking een gedeelte van de incassokosten en de rente laten zitten. Let er wel op dat uw gemachtigde van u kan verlangen het verschil in incassokosten bij te passen. In het kader van een schikking moet u dus de volgende posten in ogenschouw nemen:

  • hoofdsom;
  • griffiekosten;
  • dagvaardingskosten;
  • gemachtigdensalaris, als u een gemachtigde heeft ingeschakeld;
  • (buitengerechtelijke) incassokosten, in het geval u een gemachtigde heeft ingeschakeld;
  • rente.

    Door inschakeling van een gemachtigde worden de schikkingsonderhandelingen ook complexer, omdat u dan ook met de kosten van de gemachtigde rekening moet houden. Aan het gemachtigdensalaris en de incassokosten heeft u niets (dit gaat naar uw gemachtigde), terwijl deze kosten u wel beperken in de onderhandelingsruimte. In deze handleiding wordt ervan uit gegaan dat u voor duidelijke en eenvoudige vorderingen zoals huurincasso’s geen gemachtigde nodig heeft. Als u duidelijk kunt maken wat de huurachterstand is en er spelen geen kwesties over gebreken aan de woning dan kunt u met behulp van de informatie op de website van Huurgeschil.nl zelf uw standpunt verwoorden en hoeft u de kosten van een gemachtigde niet bij de schikkingsonderhandelingen te betrekken.

    Als de wederpartij een gemachtigde heeft ingeschakeld en deze krijgt voor het grootste deel gelijk, geldt het omgekeerde voor hem. In beginsel zal de wederpartij dan proberen om de kosten voor zijn gemachtigde op u te verhalen! Als beide partijen tot op zekere hoogte gelijk hebben, dan is het verstandig om de kosten te compenseren. Dat wil zeggen: iedere partij draagt de eigen kosten.

    In het geval partijen tijdens de comparitie nog niet tot een schikking zijn gekomen, maar zij daarover wel verder willen overleggen, kunnen zij de rechter verzoeken om de comparitie gedurende een bepaalde tijd aan te houden. Partijen dienen dan vóór een bepaalde datum aan de kantonrechter te laten weten of zij nog verder willen procederen. Als partijen vervolgens tot een vergelijk komen, dan kan de eiser verzoeken de zaak op de rol door te halen (“royeren”). Eiser moet daar wel toestemming van gedaagde voor hebben.

    Nadat een royement heeft plaatsgevonden zijn beide partijen weer bevoegd de zaak op de rol te laten plaatsen; in dat geval kan verder worden geprocedeerd. Dit is echter niet mogelijk indien partijen een definitieve doorhaling van de zaak hebben beoogd.

    Hoe gedraagt u zich bij en jegens de kantonrechter?
    Het is van groot belang, ook voor uw zaak, dat u zich bij de rechter fatsoenlijk gedraagt. Neemt u dus alle elementaire fatsoensnormen in acht, óók richting de wederpartij. Wij adviseren om uw emoties zoveel mogelijk buiten de rechtszaal te laten, en dat u zich dus vooral zakelijk opstelt, óók (zelfs vooral) als de wederpartij dat niet doet.

    U spreekt de kantonrechter aan met “meneer/mevrouw de kantonrechter” en (natuurlijk) “u”. Bij het binnenkomen en verlaten van de rechtszaal dient u de rechter niet de hand te schudden. U begroet de rechter simpelweg met “goedemorgen of goedemiddag”; bij het verlaten van de rechtszaal na de zitting geldt hetzelfde. Eventueel bedankt u de kantonrechter voor de door hem of haar genomen tijd.

    In het bijzonder wijzen wij er nog op dat u in de zittingszaal uw mobiele telefoon dient uit te schakelen. Vergeet u dat niet! De kantonrechter stelt het doorgaans niet erg op prijs als tijdens een zitting een telefoon afgaat.

  • Na de comparitie van partijen >>

    Na een comparitie van partijen beslist de rechter hoe de procedure verder verloopt. De rechter bepaalt wanneer de zaak weer op de rol komt (artikel 87 lid 4 RV), en geeft aan welke proceshandelingen eventueel nog van partijen worden verwacht. Bijvoorbeeld dat eiser zijn standpunt nog eens mag toelichten in een conclusie van repliek, en dat gedaagde daarop mag reageren bij conclusie van dupliek. De rechter kan voorts, zonder dat verder nog proceshandelingen plaatsvinden, vonnis wijzen. Dit kan een tussenvonnis (artikel 232 RV) of een (geheel of gedeeltelijk) eindvonnis zijn.

    Conclusie van repliek >>

    In een conclusie van repliek geeft eiser een toelichting op wat hij heeft gevorderd en geeft hij tevens een reactie op wat gedaagde in zijn conclusie van antwoord heeft geschreven. Als gedaagde de vordering gemotiveerd heeft ontkend, dan kan eiser een bewijsaanbod doen, ter onderbouwing van zijn vordering. Het bewijsaanbod moet specifiek over een bepaald punt worden gedaan. Hetzelfde geldt als een partij een deskundige in wenst te schakelen om de stellingen kracht bij te zetten. De rechter zal een algemeen bewijsaanbod naast zich neer kunnen leggen. Een algemene zin in de vorm:"eiser biedt aan al zijn stellingen door middel van getuigen te bewijzen" is zinloos. In plaats daarvan moet men specificeren voor welke stellingen bewijs aan wordt gedragen, en op welke wijze men dat bewijs eventueel zou kunnen leveren. Wij benadrukken dat partijen reeds in hun eerste processtukken (dagvaarding en conclusie van antwoord) moeten voldoen aan de zogenoemde “bewijsaandraagplicht” (artikel 111 lid 3 RV).

    Als wederpartij bij zijn antwoord tevens een eis in reconventie heeft ingediend, dan moet de conclusie van repliek tevens een antwoord in reconventie inhouden. Een conclusie van antwoord in reconventie is onderhevig aan dezelfde regels als de regels die gelden voor de conclusie van antwoord.

    Conclusie van dupliek >>

    In een conclusie van dupliek geeft de gedaagde een verweer op wat eiser in zijn conclusie van repliek heeft geschreven. Als eiser het verweer van gedaagde gemotiveerd heeft bestreden in de conclusie van repliek, dan kan gedaagde een bewijsaanbod doen, ter onderbouwing van zijn verweer. Het bewijsaanbod moet evenals bij een conclusie van repliek specifiek over een bepaald punt worden gedaan. Wat bij de conclusie van repliek hierover is gezegd is hier ook van toepassing.

    Als gedaagde bij zijn antwoord tevens een eis in reconventie heeft ingediend, dan moet de conclusie van dupliek tevens een repliek in reconventie inhouden. Een conclusie van repliek in reconventie is onderhevig aan dezelfde regels als de regels die gelden voor de conclusie van repliek in conventie.

    Nogmaals: het bewijsaanbod >>

    Er kan niet voldoende nadruk worden gelegd op verplichting tot het voldoen aan de bewijsplicht: de partij die zijn stellingen door middel van bewijs wenst te leveren doet er verstandig aan het bewijsaanbod te specificeren en niet te volstaan met de holle frase: “eiser/gedaagde biedt aan zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van getuigen”. Het beweren van een stelling zonder voldoende bewijs leidt dus tot afwijzing van de vordering. Dit ondervond de huurder in hoger beroep voor het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden in haar uitspraak van 11 maart 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:2011 . De huurder stelde zowel een bankgarantie als een waarborgsom aan de verhuurder ter beschikking te hebben gesteld.
    Het hof oordeelt hierover als volgt. De bewijslast van haar stelling dat er indertijd een waarborgsom is betaald, en geen (tweede) bankgarantie is afgegeven zoals door de verhuurder is gesteld, rust op huurder die zich ter afwering van de vordering van de verhuurder beroept op verrekening met die betaalde waarborgsom. De huurder heeft evenwel geen bewijs aangeboden. Huurder heeft overigens ook nagelaten om uit te leggen waarom zij, zoals onder alinea 4.5 is beschreven, bankgaranties heeft verstrekt indien de verhuurder nog beschikte over een waarborgsom die ook gold voor de in de plaats gestelde huurder. Het hof vond de stelling van de huurder dus ook onaannemelijk.
    In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2005 LJN: AR6199, Hoge Raad, C04/067HR55 was de Hoge Raad van mening dat het Hof het bewijsaanbod in bovengemelde zin heeft mogen passeren wegens het beperkte karakter van het bewijsaanbod (rechtsoverweging 3.3.3). Dit is zuur, omdat eiser deze zaak heeft verloren wegens een onvoldoende bewijsaanbod, terwijl het bewijs wellicht wel aanwezig was. Hier zien we wederom waarom het van belang is om deugdelijk te procederen: gelijk hebben betekent niet dat men uiteindelijk ook gelijk krijgt.

    1. De rol van getuigen in een civiele procedure >>

    Het komt geregeld voor dat bewijslevering nodig is. Als het bewijs door een getuige kan worden geleverd dan moet een getuige worden opgeroepen om het verlangde bewijs te leveren (er is bijvoorbeeld een mondelinge afspraak gemaakt en bewijs van deze afspraak kan alleen door een getuige worden geleverd).

    De algemene regel luidt (erg simpel gezegd): "wie stelt, moet bewijzen", althans wanneer de wederpartij de stelling betwist (artikel 150 RV). Indien op voorhand al duidelijk is dat een partij de bewijslast zal krijgen van bepaalde stellingen, en hij deze stellingen niet kan bewijzen, dan is het entameren van een procedure nogal zinloos. Behalve natuurlijk als de verwachting bestaat dat de wederpartij niet in de procedure zal verschijnen.

    Het is verstandig om expliciet aan te geven door welke getuige(n) men het bewijs wenst te leveren. Ook familieleden en zelfs een partij zelf kunnen als getuige worden gehoord. Bij dit laatste geldt wel een (wettelijke) beperking: als een partij de bewijslast krijgt van een bepaalde stelling, en hij slechts beschikt over zijn eigen getuigenverklaring (en dus geen enkel aanvullend bewijs heeft), dan kan hij niet in zijn bewijs slagen (artikel 164 RV).

    De vrije waardering van het bewijs door de rechter
    De waardering van het bewijs is in beginsel aan het oordeel van de rechter overgelaten (artikel 152 lid 2 RV). Door deze vrije waardering van bewijs geldt het adagium "één getuige is geen getuige" niet. Eén getuige kan wel degelijk een nuttige bijdrage leveren aan de positie van de partij die bewijs moet leveren. Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen welke getuige hij het meest geloofwaardig acht.

    Het getuigenverhoor >>

    Als een partij in het kader van de bewijslevering zijn stellingen moet bewijzen, en hij wil dat doen aan de hand van het doen horen van een of meerdere getuigen, dan is de procedure als volgt.

    De rechter zal bij tussenvonnis (artikel 232 RV) een partij opdragen om bewijs te leveren. In het tussenvonnis staat er dan vermeld op welke datum deze partij bij akte aan moet geven welke partijen hij in het kader van deze bewijslevering wenst te laten horen. De partij zal dan de namen en de adressen van de getuigen in de akte, alsmede de verhinderdata van de getuigen (eiser/gedaagde) moeten vermelden.

    Bij het oproepen van getuigen moet de partij die getuigen oproept goed nagaan of een getuige een juiste verklaring af kan leggen. Een getuige die niet uit eigen waarneming de feiten heeft waargenomen, waarover het geschil gaat, is als getuige waardeloos. Een getuige die zelf een interpretatie geeft, kan vaak ook niet de juiste verklaring afleggen. Bijvoorbeeld: er moet bewezen worden dat partij A iets heeft kapot gemaakt. Op een zeker moment constateert de getuige dat iets kapot is gegaan; bovendien heeft hij A in de buurt zien rondlopen. Daarmee is echter nog niet bewezen dat A de bewuste zaak kapot heeft gemaakt.

    Als u op voorhand niet weet wat de getuige gaat verklaren, moet u zich de vraag stellen of het wel verstandig is om deze getuige op te roepen. Als u een dergelijke getuige oproept, neemt u een groot risico. Wellicht dat deze getuige uiteindelijk wel in uw nadeel verklaart! Een verstandige partij laat in beginsel alleen een getuige laten horen als hij weet wat deze getuige zal verklaren.

    Verhinderdata
    De partij die niet tot levering van bewijs is gehouden moet ook vermelden op welke data hij is verhinderd de zitting bij te wonen.

    Het is van belang om goed te lezen wat in het tussenvonnis staat vermeld. Meestal zijn partijen gehouden om onafhankelijk van elkaar de verhinderdata door te geven. Een partij hoeft niet zelf op de zitting te verschijnen als deze door een gemachtigde wordt vertegenwoordigd, tenzij door de rechter wordt bepaald dat zij wel aanwezig dienen te zijn (artikel 167 RV). Soms wordt in het vonnis vermeld dat de partij die bewijs moet leveren bij de andere partij moet navragen wat zijn verhinderdata zijn. In dat laatste geval geeft de partij die bewijs wenst te leveren zowel zijn eigen verhinderdata als de verhinderdata van wederpartij door.

    Na ontvangst van de namen en de verhinderdata van de getuigen zal de rechter een zittingsdatum bepalen, waarbij dan rekening wordt gehouden met de verhinderdata van beide partijen.

    De rechter kan ook al een datum bepalen waarop het getuigenverhoor zal plaatsvinden zonder vooraf de verhinderdata te vragen (artikel 166 RV). Dit is omslachtig, omdat de praktijk leert dat er wegens verhindering van de partijen dan (bijna) altijd uitstel moet worden gevraagd.

    De namen en de woonplaats van de getuigen worden tenminste een week voor het verhoor aan wederpartij en de griffier van de rechtbank waar de zaak dient doorgegeven. (artikel 170 RV).

    Alle getuigen moeten op dezelfde zitting worden gehoord. Als bepaalde getuigen, ondanks correcte oproeping, niet ter zitting verschijnen, dan bepaalt de rechter een nieuwe dag voor het horen van de getuigen (artikel 183 RV).

    Oproeping van getuigen
    De getuige dient, door de belanghebbende partij, te worden opgeroepen via een dagvaarding of een aangetekende brief. In deze brief dient te worden vermeld:

  • melding van dag, uur en plaats van het verhoor;
  • de feiten waaromtrent bewijs moet worden geleverd (= het “probandum”);
  • de gevolgen verbonden aan het niet verschijnen ter terechtzitting (de getuige kan worden gegijzeld, zie artikel 173 RV) ;

    In de praktijk wordt de oproeping niet zo formeel opgepakt. Vaak wordt de getuige met gewone brief en per mail opgeroepen. Als de getuige te kennen heeft gegeven te zullen komen leidt deze werkwijze zelden of nooit tot een probleem. Als de getuige echter niet op komt dagen, dan zal de rechter wel vragen of de getuige door middel van een aangetekende brief is opgeroepen. Het is wel verstandig de belangrijkste getuigen door middel van een aangetekende brief op te roepen. Als de getuige vervolgens afwezig blijft kan de rechter eenvoudig toestemming geven tot dagvaarding van nalatige getuige over te gaan.

    Als de getuige bij aangetekende brief is opgeroepen en hij verschijnt niet.

    Dan kan door de rechter op verzoek van de belanghebbende een dag worden bepaald waartegen de getuige moet worden opgeroepen (artikel 171 RV). De partij die een getuige per brief heeft opgeroepen moet er dus op attent zijn om de rechter op deze mogelijkheid te wijzen. De rechter hoort lijdelijk te zijn en behoort de partij die belang bij dit getuigenverhoor heeft niet op deze mogelijkheid te wijzen. Stel dat deze getuige cruciaal voor de zaak is, dan is het wel van belang dat deze wordt gehoord. Met moet zich wel realiseren dat met een onwillige getuige weinig goeds is te verwachten. De getuige kan ter zitting veinzen zich niets meer te herinneren over hetgeen waarover hij een verklaring moet afleggen. De getuige kan ook meineed plegen. Het plegen van meineed is weliswaar een strafbaar feit, maar de ervaring leert dat hier in het kader van een civiele procedure zelden of nooit iets mee wordt gedaan. Meineed is vaak ook moeilijk te bewijzen, zodat dikwijls van het strafrechtelijke traject ook weinig goeds valt te verwachten.

    Rechten en de plichten van de getuige

    De volgende personen moeten een verklaring afleggen
    Een getuige is verplicht te verschijnen (artikel 165 RV). Als hij zonder geldige reden wegblijft, kan de politie na dagvaarding van de getuige worden ingeschakeld om hem te halen. Een getuige is eveneens verplicht om een verklaring af te leggen. Doet hij dat niet, dan kan de rechter hem laten gijzelen (gevangen laten zetten).

  • Als een getuige moet werken op de dag dat hij is opgeroepen, dan moet zijn werkgever hem de gelegenheid bieden om een getuigenverklaring af te leggen;
  • Een getuige kan vooraf meer informatie krijgen over de zaak bij degene die hem heeft opgeroepen, of bij zijn gemachtigde.
  • Als de getuige ver weg woont, kan hij vragen de getuigenis af te leggen bij een rechtbank bij hem in de omgeving. De getuige vraagt dit aan bij degene die hem heeft opgeroepen. Deze dient op zijn beurt een verzoek in bij de rechtbank (artikel 174 RV).
  • De getuige heeft recht op vergoeding van de kosten die hij maakt om voor de rechter te verschijnen. Denk aan reiskosten en gemiste inkomsten. De rechtbank stelt de hoogte van de vergoeding (de taxe) na afloop van het verhoor vast. De vergoeding moet in eerste instantie worden betaald door degene die de getuige heeft opgeroepen.

    De volgende personen mogen weigeren een verklaring af te leggen (het "verschoningsrecht")

  • de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;
  • zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Te denken valt aan een arts, advocaat of dominee (zie artikel 165 RV).

    De personen die zich op het verschoningsrecht kunnen beroepen zijn dus wel verplicht ter zitting te verschijnen, doch kunnen met het beroep op het verschoningsrecht sommige vragen onbeantwoord laten. De rechter kan dan immers nagaan of de weigering om bepaalde vragen te beantwoorden terecht wordt voorgesteld. Als het zonder meer duidelijk is dat de getuige zich op een verschoningsrecht kan beroepen en dat een verhoor om deze reden zinloos is, dan kan de getuige de rechter verzoeken de zitting niet door te laten gaan. De getuige die van een partij toch met alle macht ter zitting moet verschijnen, kan de rechter vragen omtrent de verschijningsplicht een voor beroep vatbare beslissing te nemen als klip en klaar duidelijk is dat een zitting zinloos is.

  • Het verhoor >>

    Hoe verloopt een getuigenverhoor?

    U begeeft zich naar het gerechtsgebouw. U meldt zich aan bij de portier. Bij grote rechtbanken hoeft u tegen de portier alleen te zeggen dat u voor een civiele zaak van de rechtbank, sector kanton, komt. U wordt dan doorverwezen naar een grotere balie, die u verder doorverwijst. Alvorens bij deze balie te komen, vindt bij de meeste rechtbanken een scan van uw spullen plaats. Na de scan verwijst de grotere balie u vaak naar een kleine balie, nadat u uw naam en het tijdstip van de zitting heeft opgegeven. Bij kleine gerechten gaat het er vaak veel gemoedelijker toe. Daar moet de bezoeker bij de portier zijn naam en het tijdstip van de zitting noemen en de naam van partijen noemen, met name de partij voor wie men als getuige optreedt en wordt hij vervolgens naar de wachtkamer verwezen. Op het moment dat de zitting plaatsvindt roept de griffier de namen van partijen af.

    Wat kunt u gedurende een enquête als getuige verwachten ?

    De getuigen worden een voor een door de rechter gehoord. Als er meerdere getuigen zijn is het absoluut niet de bedoeling om meerdere getuigen de zittingsruimte te laten betreden. De getuigen mogen elkaar niet beïnvloeden, zodat de getuige pas de verklaring van de andere getuige mag bijwonen als hij zelf eerst de verklaring heeft afgelegd. De partijgetuige doet er dus goed aan om zichzelf eerst te laten horen. Na zijn eigen verklaring kan de partijgetuige bij de verklaringen van de andere getuigen aanwezig zijn (artikel 179 RV).

    De rechter zal de getuigen eerst vragen naar hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen of van een van hen, en zo ja in welke graad, alsmede of zij in dienstverband staan tot partijen of een van hen (artikel 177 RV).

    De plaats van de getuige

    Na het afroepen van de zitting door de griffier kunnen partijen de zittingskamer betreden. De zittingskamer bij kantongerechten is vaak niet zo groot. De zittingskamer komt meestal overeen met een grote huiskamer, waarin zich een grote tafel bevindt waarachter zich de rechter en griffier met toga bevinden. Voorts bevinden zich in de ruimte twee kleine tafels voor partijen en een rij stoelen achter deze tafel voor het publiek. Rechtszittingen zijn openbaar, zodat hier ook publiek aanwezig kan zijn (in de praktijk wordt zelden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en worden de stoelen alleen gebruikt door bekenden van de partijen).

    Bij binnenkomst wijst de rechter vaak aan waar partijen dienen te gaan zitten. Er is een vaste plaats voor partijen, zodat de rechter de eisende en gedaagde partij niet door elkaar haalt. Het is handig om de rechter bij binnenkomst te vragen waar u moet plaatsnemen.

    De getuige moet plaats nemen op een stoel, die is gesitueerd tussen de twee tafels. De getuige zit min of meer in het midden van de zittingsruimte.

    De eed of de belofte

    De rechter vraagt de getuige alvorens de getuigenverklaring af te leggen eerst te staan en vervolgens de eed of de belofte af te leggen (zie artikel 177 RV).
    De eed wordt in het algemeen gedaan door gelovige personen. Zij moeten twee vingers van de rechterhand opsteken (het V-teken) en de volgende woorden van de rechter nazeggen na de mededeling dat zij niets dan de waarheid zullen zeggen: " zo waarlijk helpe mij God almachtig". De getuigen die de eed afleggen moeten de woorden van de rechter, na de mededeling dat zij niets dan de waarheid zullen zeggen, nazeggen: "dat beloof ik".

    Kinderen onder de 16, of personen die de betekenis van de eed niet voldoende kunnen beseffen worden aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Zij mogen dus geen eed of belofte afleggen.

    Het stellen van vragen >>

    Vaak begint de rechter aan de getuige vragen te stellen. Nadat de rechter alle vragen die hij van belang acht heeft gesteld kunnen partijen of hun raadsmannen vragen stellen (artikel 179 RV).

    U moet zich bedenken dat de rechter alle relevante vragen al heeft gesteld als hij de zaak goed heeft bestudeerd. Het is vaak niet nodig ook nog vragen te stellen. Als de rechter u het initiatief voor het stellen van vragen geeft, of u na zijn vragen de mogelijkheid geeft om vragen te stellen moet u het volgende in aanmerking nemen: het stellen van correcte vragen is niet makkelijk. Partijen zijn geneigd om suggestieve vragen aan de getuige te stellen (Vindt u ook niet dat? Is het niet zo dat?). Het is de kunst om de getuige open vragen te stellen, waarop de getuige antwoord dient te geven. Het is vaak te hoog gegrepen om de getuige aan een soort "kruisverhoor" te onderwerpen waarin deze vastloopt. Huurgeschil.nl adviseert u dan ook de vragen zo simpel mogelijk te houden. Probeer de vragen zo kort en ongecompliceerd mogelijk te houden. Als u de getuige over een ingewikkelde kwestie wenst te ondervragen is het zinvol om de getuige met kleine vraagjes op het punt te krijgen waarvan u antwoord wenst. De rechter is in het kader van dit verhoor veelal niet gecharmeerd van een lange introductie voorafgaande aan uw vraag. Algemene tip: stel alleen vragen die van wezenlijk belang zijn en waarop u het antwoord al weet (om verrassingen te voorkomen).

    Veel mensen denken bij een getuigenverhoor aan de fragmenten die zij daarvan gezien hebben in films of series op televisie. In dergelijke uitzendingen gaat het er vaak spectaculair aan toe! Dergelijke opwindende getuigenverhoren komen in Nederland slechts zelden voor.

    Als u denkt dat de getuige liegt, dan is het niet verstandig daar ter zitting opmerkingen over te maken. De rechter zal u dan altijd corrigeren met de opmerking dat het niet uw verklaring is, maar de verklaring van de getuige. Tijdens het getuigenverhoor wordt slechts de verklaring van de getuige opgetekend; ná het verhoor kunt u, in een conclusie na enquête, altijd nog de antwoorden van de getuigen “over de kling” jagen.

    Proces-verbaal getuigenverhoor

    Van de verklaring van de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt. De gang van zaken is in het algemeen als volgt: de rechter maakt aantekeningen van de antwoorden die de getuigen naar aanleiding van de gestelde vragen heeft gegeven. Nadat alle partijen vragen hebben gesteld dicteert de rechter zijn aantekeningen aan de griffier. De griffier tikt het hele verhaal uit. Nadat het proces-verbaal is uitgeschreven wordt het proces-verbaal voorgelezen aan iedere getuige. Vaak vraagt de rechter of hij de verklaring nog voor moet lezen, nadat hij deze heeft gedicteerd. De getuige vindt dat vaak niet nodig. Een rechter die de verklaring goed heeft samengevat heeft door zijn dictaat al de verklaring voorgelezen, zodat het niet nodig hoeft te zijn een identiek verhaal twee keer achter elkaar voor te lezen. Het is verstandig de verklaring andermaal voor te laten lezen als de getuige het verband van het verhaal door wijzigingen in het dictaat tijdens het formuleren is kwijt geraakt. Na akkoord met de inhoud van de verklaring moet de getuige het proces-verbaal ondertekenen (artikel 180 RV).

    Taxe

    De getuige mag zijn kosten in rekening brengen. Dit worden taxe genoemd. Taxe staan onder aan het proces-verbaal. Een onafhankelijke getuige mag zijn kosten in rekening brengen. Bijvoorbeeld reiskosten en zijn uurtarief (artikel 182 RV). Deze kosten worden op het proces-verbaal vermeld.

    De partijgetuige die een verklaring ter ondersteuning van zijn eigen standpunt inneemt kan geen schadeloosstelling in rekening brengen. Als een partij door de wederpartij als getuige wordt gehoord kan deze wel een schadeloosstelling als taxe vorderen.

    Een getuige die in loondienst is, moet voor het getuigenverhoor van zijn baas vrij krijgen. Als de getuige voor het verhoor vrije uren op moet nemen, dan kan hij deze uren als schade in rekening brengen. Gederfde inkomsten mogen ook in rekening worden gebracht. Een kelner mag bijvoorbeeld wel gemiste tip in rekening brengen. Men mag ook kosten in rekening brengen die men heeft moeten maken om naar de zitting te komen.

    Deze kosten moeten door de partij worden voorgeschoten die de getuige heeft opgeroepen. Deze kosten zijn proceskosten. Als de persoon die de getuige heeft laten oproepen het gelijk aan zijn kant krijgt, dan worden deze kosten in de proceskosten van het vonnis verwerkt en kunnen deze kosten op de andere partij worden verhaald.

    Het is dus zinvol om zuinig met het oproepen van getuigen om te springen. Degene die de getuige oproept loopt kans om de taxe voor zijn rekening te krijgen. Als de getuige feitelijk niets heeft te melden, dan is het oproepen van een getuige weggegooid geld. Men moet dus selectief zijn met het uitzoeken van getuigen.

    Na het getuigenverhoor

    Na het getuigenverhoor hebben partijen gelegenheid om een conclusie na enquête te schrijven. In deze conclusie geven partijen hun reactie op de getuigenverhoren weer. Partijen zullen met name hun conclusie moeten concentreren op de vraag of de partij die bewijs moet leveren is geslaagd in dit bewijs door middel van de getuigenverhoren. De conclusie na enquête zijdens eiser en de conclusie na enquête zijdens gedaagde staan beide als voorbeeld op deze site van Huurgeschil.nl.

    Na de conclusie na enquête zal de rechter meestal vonnis wijzen. Dit kan een eindvonnis zijn waarmee de procedure wordt beëindigd, doch dit kan ook een tussenvonnis zijn. Door een tussenvonnis wordt de zitting gecontinueerd. De rechter kan bijvoorbeeld na het horen van getuigen een deskundige laten horen.

    2. de rol van de deskundige in het kader van de bewijsvoering >>

    Als bewijs niet door getuigen, maar door deskundigen moet worden geleverd kan de rechter op verzoek van een partij of op eigen initiatief een bericht van een deskundige of een verhoor van een deskundige bevelen (artikel 194 RV).

    De deskundige wordt na overleg met de partijen door de rechter benoemd. Tegen deze benoeming staat geen hogere voorziening (hoger beroep) open.

    De kosten van de deskundige

    De rechter vraagt de deskundige voorafgaande aan zijn werkzaamheden om zijn kosten te begroten. De eisende partij dient het voorschot aan de griffie uit te betalen (artikel 195 RV). Dit zijn proceskosten. Als de eiser gelijk krijgt dan worden deze proceskosten aan de andere partij doorbelast. Deze kosten kunnen een flinke rem vormen op het voeren van een procedure. Het inschakelen van een deskundige is prijzig. Het voorschot van een deskundige van de bedrijfshuuradviescommissie van de Kamer van Koophandel (BHAC) voor de bepaling van de huurprijs van de vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse komt bijvoorbeeld vaak op € 3000,-. Als u een rechtsbijstandverzekering heeft zijn de kosten van een procedure vaak door deze verzekering gedekt. Aangezien de kosten van het inschakelen van een deskundige na aanwijzing van de rechter als proceskosten gezien moeten worden, kunt u deze kosten veelal bij uw rechtsbijstandverzekering claimen. De kosten van een deskundige die u in gezamenlijk overleg met de verhuurder heeft uitgezocht behoren niet tot proceskosten en zullen daarom niet door uw rechtsbijstandverzekering worden vergoed. Als de kosten van het inschakelen van een deskundige in gezamenlijk overleg ook een aanzienlijk bedrag kosten kunt u de volgende afweging maken: de kosten van de deskundige komen voor de partij die in het ongelijk wordt gesteld, of u laat in het kader van een procedure een deskundige benoemen, waardoor de proceskosten door uw rechtsbijstandverzekering vergoed dienen te worden.

    De griffier betaalt het bedrag van het gestorte voorschot aan de deskundige. Als dit bedrag niet toereikend is, wordt voor het resterende bedrag een bevelschrift van de tenuitvoerlegging gegeven ten laste van de partij die ook het voorschot moest betalen.

    De termijnen in het kader van het onderzoek

    De rechter bepaalt wanneer de deskundige met het onderzoek moet beginnen. De rechter bepaalt ook wanneer het onderzoek moet worden afgerond.
    De rechter kan de datum waarop het onderzoek moet worden ingediend op verzoek van de deskundige verlengen.

    De rol van de deskundige

    De rol van een deskundige lijkt noodzakelijk als bijvoorbeeld de gebreken in een woning in kaart moeten worden gebracht. De deskundige dient de rechter van informatie te voorzien binnen het kader van de tussen partijen gevoerde discussie voor de rechter. De deskundige krijgt van partijen te horen waar hij met name onderzoek naar moet doen. Partijen stellen ook de vraagstelling op waarbinnen de deskundige onderzoek dient te doen.

    De deskundige werkt als volgt (artikel 198 RV):

  • de deskundige aanvaardt de opdracht onpartijdig en naar beste weten;
  • de deskundige stelt zijn onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig;
  • partijen moeten gelegenheid krijgen opmerkingen te maken en verzoeken te doen;
  • partijen zijn verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek door deskundigen;
  • het bericht van de deskundige wordt ondertekend.

    De rechter zal de bevindingen van de deskundige eerst voorleggen aan partijen. Partijen ontvangen dan het concept-rapport en zij kunnen hierop een reactie geven. De deskundige kan het concept-rapport dan eventueel aanpassen en zal vervolgens het definitieve rapport opmaken

  • De gerechtelijke plaatsopneming (descente) >>

    De rechter kan het ook wenselijk achten om zich naar het gehuurde te begeven om zo door eigen waarneming inzicht te krijgen van de problemen die hem worden voorgeschoteld en die inzichtelijker gemaakt kunnen worden door zich ter plaatse te begeven (artikel 201 RV).

    De rechter bepaalt dit in een tussenvonnis. In dit vonnis staat vermeld:

  • de plaats (of zaak) die de rechter wenst te zien;
  • de tijd van de plaatsopneming;
  • de plaats van bezichtiging;
  • de termijn waarbinnen het proces-verbaal van de bezichtiging op de griffie moet liggen;
  • de dag dat de zaak weer op de rol wordt geplaatst (dat er weer een zitting plaatsvindt)
  • partijen moeten gelegenheid krijgen om opmerkingen te maken of verzoeken te doen (moet uit proces-verbaal blijken);
  • Het vonnis >>

    begrippen

    De minuut van het vonnis is het originele vonnis dat bij de griffie blijft rusten.
    Partijen ontvangen een grosse van het vonnis. De grosse is een authentiek afschrift van het vonnis in executoriale vorm opgemaakt. Boven dit vonnis staat "in naam des Konings". Zonder grosse kan het vonnis niet worden geëxecuteerd.

    Tip! Soms vergeet de griffie om boven het vonnis de woorden “in naam des Konings” te stempelen. Het is dan raadzaam om de griffie te verzoeken om een nieuw exemplaar af te geven dat wél in executoriale vorm is opgemaakt. Houdt u er in dat geval rekening mee dat de griffie u zal vragen om het exemplaar dat u ontving terug te zenden.

    Het tussenvonnis >>

    Het tussenvonnis is een vonnis waarbij de rechter nog geen enkele vordering afdoet, maar bijvoorbeeld een bewijsopdracht of onderzoek beveelt waarvan de beslissing van de zaak afhankelijk kan zijn.

    In een tussenvonnis kan de rechter wel een eindbeslissing geven over een gedeelte van de vordering. Bijvoorbeeld: de verhuurder vordert schadevergoeding in verband met beschadiging van het gehuurde en huurprijsverhoging na ontvangst van een deskundigenrapport. De rechter kan dan al een eindbeslissing geven over de schadevergoeding en doorprocederen ten aanzien van de vordering tot verhoging van de huurprijs. Let op! Als een partij het met zo’n eindbeslissing niet eens is, moet op dat moment gehandeld worden. Wij verwijzen naar de laatste paragraaf van dit hoofdstuk, in het bijzonder het onderdeel over hoger beroep.

    In een tussenvonnis behandelt de rechter het standpunt van partijen en kan de rechter bepaalde punten als vaststaand aannemen. Vaak ziet een tussenvonnis er als volgt uit:

  • de standpunten van partijen;
  • de rechtsoverwegingen (in dit onderdeel geeft de rechter zijn mening over de door partijen gevoerde standpunten. Hij kan een partij ten aanzien van een bepaald punt gelijk geven. In dit vonnis geeft de rechter ook aan welke punten door een partij nog moeten worden bewezen;
  • de uitspraak. In de uitspraak wordt kort verwezen naar de rechtsoverwegingen en wordt de partij die een bewijsopdracht heeft gekregen gevraagd bewijs te leveren. Dit bewijs kan door getuigen of deskundigen (door alle middelen rechtens worden geleverd).

    De rechter kan in een tussenvonnis in zijn rechtsoverweging een standpunt innemen. Men moet er op bedacht zijn dat dit standpunt moet worden aangevochten als men het met dit standpunt niet eens is, omdat in een latere procedure hier niet meer op terug gekomen kan worden.

  • Eindvonnis >>

    Aan het einde van de procedure doet de rechtbank uitspraak.
    Door een eindvonnis eindigt de procedure: de (resterende) vorderingen van de eiser worden afgedaan, zodat er niets meer resteert om nog over te beslissen. Door het eindvonnis kan de rechter zich onbevoegd verklaren, de dagvaarding nietig verklaren, de vordering niet ontvankelijk verklaren, of de vorderingen toe- of afwijzen.
    Meestal moet de verliezende partij de proceskosten betalen. Proceskosten bestaan bijvoorbeeld uit de dagvaardingskosten, de kosten van griffierecht, de kosten van getuigen en een deel van de kosten voor de advocaat of de gemachtigde. De rechtbank stuurt het vonnis naar de eiser en de gedaagde. Als de eiser gebruik maakt van een advocaat of gemachtigde, dan ontvangt deze het vonnis.

    Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan betekent dit dat het vonnis sowieso kan worden geëxecuteerd (ten uitvoer kan worden gelegd), zelfs als de wederpartij hoger beroep heeft ingesteld. Als het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan wordt door het instellen van een rechtsmiddel (meestal hoger beroep; zie voor andere rechtsmiddelen de laatste paragraaf van dit hoofdstuk) de tenuitvoerlegging geschorst. De executie moet dan wachten tot de procedure in de volgende instantie (nogmaals: meestal dus in hoger beroep) is afgerond.

    De wetgever heeft gekozen voor een systeem waarin een veroordeling door de rechter niet “standaard” uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard: de eiser moet dit vorderen. In beginsel kan elke uitspraak uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. In het huurrecht bestaat echter een enkele uitzondering. Zo kan de beëindiging van een huurovereenkomst voor woonruimte alleen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard indien het verweer van de huurder de rechter kennelijk ongegrond voorkomt. Als de rechter in dat geval de vordering tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad toewijst, dan moet hij deze veroordeling motiveren. Ontbreekt deze motivering in het vonnis, dan kan de huurder een executiegeschil (kort geding) starten om de executie alsnog te laten stoppen. Het voorgaande geldt ook als tegen de vordering tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad geen verweer is gevoerd, zoals in de praktijk vaak gebeurt. De rechter wordt dus geacht de vordering ambtshalve te toetsen. Dit werd onder meer beslist in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2006, WR2006-11, pagina 393.

    De executiekosten staan vermeld in het Besluit Tarieven Ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Een exemplaar van dit besluit treft u hier. Als een debiteur geen verhaal biedt dan kunt u zelf al uitrekenen welke kosten de deurwaarder dan nodeloos maakt. Schroom niet om de deurwaarder op grond van dit stuk uitleg om een nota te vragen!

    Als er een vordering is om de huurovereenkomst te beëindigen in het kader van de opzeggingsgrond "dringend eigen gebruik", dan is het verstandig als door de gedaagde wordt verzocht om het vonnis niet uitvoer bij voorraad te verklaren. Door ontruiming van het gehuurde ontstaat een onomkeerbare situatie (zeker als er sprake is van sloop) en wordt verder procederen gefrustreerd als het vonnis in het kader van uitvoerbaar bij voorraad ten uitvoer wordt gelegd. Als de gedaagde in hoger beroep gelijk krijgt en het huis is inmiddels gesloopt, dan is er wel sprake van een zinloze overwinning.

    Rechtsmiddelen >>

    In deze paragraaf wordt kort aandacht besteed aan een aantal rechtsmiddelen. Daarmee wordt beoogd om in ieder geval inzicht te geven in de termijn waarbinnen actie moet worden ingesteld indien een partij (geheel of gedeeltelijk) in het ongelijk is gesteld, zodat men zich desgewenst tijdig tot een professionele rechtshulpverlener kan wenden.

    In dit onderdeel worden een tweetal zogenoemde “gewone” rechtsmiddelen behandeld, namelijk verzet en hoger beroep. Er wordt geen aandacht besteed aan cassatie: de gang naar ons hoogste rechtscollege, de Hoge Raad. Aan een cassatieprocedure gaat namelijk vrijwel altijd hoger beroep vooraf. In het kader van het hoger beroep heeft men reeds een (proces)advocaat nodig. Er wordt van uit gegaan uit dat deze (proces)advocaat, indien het hoger beroep wordt verloren, de mogelijkheden tot cassatie met u zal bespreken. De “buitengewone” rechtsmiddelen (herroeping en derdenverzet) blijven eveneens buiten beschouwing; zij komen slechts zelden voor.

    Verzet
    Als de gedaagde partij niet in de procedure is verschenen, volgt een verstekvonnis. De rechter wijst in een dergelijk vonnis de vorderingen van eiser in beginsel toe, tenzij deze hem onrechtmatig voorkomen. Dat laatste is niet vaak van toepassing.

    Als de gedaagde het niet met het verstekvonnis eens is, kan hij een rechtsmiddel aanwenden. Dit rechtsmiddel heet “verzet”. Het verzet dient te worden ingesteld binnen vier weken na het moment waarop gedaagde bekend is geworden met de uitspraak, althans vanaf het moment waarop gedaagde wordt geacht met de uitspraak bekend te zijn geworden (zie concreter artikel 143 RV ). Door het instellen van verzet wordt de procedure vervolgens alsnog op tegenspraak gevoerd. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 23 oktober 2009 vonnis ( LJN: BK1094, gerechtshof Amsterdam, 200.022.766/01) werd het verzet geacht te laat (dus na de termijn van verzet) te zijn ingesteld nu door opposant niet werd ontkend kennis van het opgestuurde vonnis te hebben genomen. Het vonnis was bovendien doorgestuurd naar advocaat, die vervolgens om toezending van de onderliggende processtukken heeft gevraagd.

    Merk op dat de gedaagde partij intussen wel al heeft verloren. Indien het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zoals vaak het geval zal zijn, heeft het instellen van verzet, zoals besproken, géén schorsende werking. De eiser kan dus de uitspraak al (doen) executeren.

    Bij de rechtbank, civiele afdeling, kantonzaken, kunnen partijen, zoals eerder in dit hoofdstuk uiteen gezet, zelf procederen. Dat geldt eveneens voor de verzetprocedure. Deze procedure wordt namelijk bij dezelfde instantie gevoerd. Het verzet wordt ingesteld door middel van een verzetexploot. In dit exploot reageert de (oorspronkelijke) gedaagde alsnog op de inhoud van de dagvaarding. Het vezetexploot geldt derhalve als conclusie van antwoord. De (oorspronkelijke) gedaagde kan in het verzetexploot dus ook een eis in reconventie opnemen.

    Hoger beroep
    Als een procedure op tegenspraak is gevoerd, en een partij het niet eens is met de uiteindelijke uitspraak, kan deze partij besluiten om het “hogerop” te zoeken. Tegen de meeste uitspraken staat hoger beroep open. In dagvaardingszaken geldt dat in beginsel hoger beroep kan worden ingesteld tegen alle zaken met een belang van meer dan € 1.750,00. Soms heeft de wetgever echter een uitzondering gemaakt. In dergelijke gevallen is juist in beginsel géén hoger beroep mogelijk. Een voorbeeld is de procedure tot vaststelling van de huurprijs (dit is overigens geen dagvaardings-, maar een verzoekschriftprocedure).

    De normale termijn voor hoger beroep is drie maanden. Ook hier gelden echter weer uitzonderingen. Zo is de hoger beroepstermijn in kort geding slechts vier weken. Wij raden aan om na een teleurstellend vonnis, waartegen men eventueel stappen wil ondernemen, binnen korte termijn een professionele rechtshulpverlener om raad te vragen. In dit verband is relevant dat men voor het instellen van hoger beroep sowieso een (proces)advocaat nodig heeft. Het hoger beroep loopt namelijk bij een hogere instantie, te weten het gerechtshof. Aldaar kunnen partijen niet zelf procederen.

    Wij waarschuwen hier nog voor tussentijdse vonnissen. Tegen een tussenvonnis, waarin bijvoorbeeld een getuigenverhoor wordt bevolen, kan in principe geen hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Het komt echter ook voor dat in een tussentijds gegeven vonnis reeds een beslissing wordt genomen over een gedeelte van de vordering. Voor dat deel is dan geen sprake van een tussenvonnis, maar van een eindvonnis. Tegen zo’n eindvonnis dient, binnen drie maanden, hoger beroep te worden ingesteld. Dit volgt uit artikel 337 RV. De tekst van dit artikel blinkt niet uit in duidelijkheid, doch de toelichting op dit artikel bevestigt dit standpunt. Als er geen hoger beroep wordt ingesteld, wordt de beslissing onherroepelijk. U kunt er dan helaas niets meer tegen doen als tegen dit vonnis geen rechtsmiddel is ingesteld.

    De verzoekschriftprocedure >>

    Inleiding >>

    Naast de dagvaardingsprocedure kennen we de verzoekschriftprocedure (ook wel: rekestprocdure). De betreffende regels staan in de derde titel van boek 1 RV (artikel 261 RV e.v.). Algemene regels voor het opstellen van een verzoekschrift zijn te vinden in boek 1 derde titel RV. In bijzondere situaties kunnen aanvullende en/of afwijkende regels gelden.

    Partijen in de verzoekschriftprocedure duiden we aan als verzoeker en verweerder (gerekwestreerde).

    In dit onderdeel wordt voornamelijk ingegaan op de regels die voor indiening van een verzoekschrift van toepassing zijn in het kader van een huurgeschil. Verzoeken in het kader van bijvoorbeeld de faillissementswet en het personen- en familierecht komen niet aan de orde.

    Van een verzoekschriftprocedure is alleen sprake indien dit uit de wet voortvloeit (artikel 261 RV). Als in de wet is vermeld dat een procedure dient te worden ingeleid met een ‘verzoek’ of ‘verzoekschrift’, of dat een partij iets kan ‘verzoeken’, betreft het dus een verzoekschriftprocedure en zijn in beginsel de regels van titel 1.3 RV toepasselijk. Een voorbeeld van een huurzaak die met een verzoekschrift wordt ingeleid vindt men in artikel 7:304 BW.

    In beginsel moeten ook verzoekschriften door een advocaat worden ingediend (artikel 278 lid 3 RV), maar dit geldt niet voor zaken die worden berecht door de kantonrechter. Dat een bepaalde zaak wordt behandeld door de kantonrechter, vindt men terug in de wet. In verzoekschrifprocedures bij de kantonrechter kunnen partijen zonder advocaat, dus ‘in persoon’, procederen.

    Het basismodel>>

    Een verzoekschriftprocedure is doorgaans minder complex dan een dagvaardingsprocedure. Het normale verloop is als volgt: verzoekschrift, verweerschrift, mondelinge behandeling en uitspraak. De uitspraak noemt men in een verzoekschriftprocedure geen vonnis, maar een beschikking.

    Het verzoekschrift>>

    Een verzoekschrift kent, in tegenstelling tot een dagvaarding, niet zo veel vormvereisten. Wel is er een aantal specifieke voorschriften. Deze worden hier besproken.

    Welke rechter is relatief bevoegd? >>

    De verzoekende partij moet het verzoekschrift indienen bij de bevoegde rechter. Bij wijze van hoofdregel geldt dat de rechter van de woonplaats van de verzoeker bevoegd is, dan wel de rechter van de woonplaats van een belanghebbende partij (artikel 262 aanhef en sub a RV). Voor een aantal soorten zaken bestaan bijzondere regels (artikel 263 RV e.v.). Voor huurzaken wijzen wij op artikel 264 RV: bevoegd is de rechter binnen wiens rechtsgebied de gehuurde zaak is gelegen.

    Vermelding gegevens verzoeker >>

    Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats van de verzoeker (artikel 278 lid 1 RV). Is de verzoeker een natuurlijke persoon, dan dienen dus zijn volledige voornamen te worden vermeld.

    Is de verzoekende partij een rechtspersoon, dan dient de statutaire naam te worden vermeld. Als er een afwijkende naam wordt gebruikt (de handelsnaam), dan dient deze naam tevens te worden vermeld (bijvoorbeeld: de besloten vennootschap X BV, handelende onder de naam van Y). De vestigingsplaats in een bepaalde gemeente brengt niet met zich dat de vennootschap in deze gemeente ook een statutaire zetel heeft. De vermelding dient dan bijvoorbeeld als volgt te luiden: de besloten vennootschap x gevestigd te Schiedam, handelende onder de naam y, zaakdoende te Vlaardingen aan de Hoofdstraat 50.

    Met het begrip ‘woonplaats’ doelt artikel 278 lid 1 RV op de omschrijving van artikel 1:10 BW. De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner ‘woonstede’, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Voor een rechtspersoon geldt dat deze zijn woonplaats heeft ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.

    Een persoon die een kantoor of filiaal houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden van dit kantoor/filiaal mede aldaar woonplaats (artikel 1:14 BW).

    Bewijsmiddelen >>

    Artikel 284 RV verklaart de bepalingen over het bewijsrecht in de dagvaardingsprocedure in beginsel van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat, conform artikel 150 RV, de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten de bewijslast van deze feiten draagt. Daarom doet de verzoeker er goed aan reeds te vermelden op welke wijze hij bepaalde stellingen kan bewijzen en voorts om bepaalde stellingen, zo mogelijk, aan de hand van producties (bijlagen) te adstrueren.

    Gronden van het verzoek>>

    Artikel 278 lid 1 RV bepaalt voorts dat het verzoekschrift duidelijk moet bepalen wat precies wordt verzocht en dat de gronden voor het verzoek moeten worden omschreven.

    Ondertekening verzoekschrift>>

    Het verzoekschrift dient op grond van artikel 278 lid 2 RV te worden ondertekend door de verzoeker. Als deze is vergeten om het verzoekschrift te ondertekenen, kan dit eenvoudig worden hersteld door indiening van een (alsnog) ondertekend exemplaar.

    Indiening verzoekschrift >>

    Het verzoekschrift kan eventueel ter plaatse bij de griffie worden afgeleverd. Voor de openingstijden verwijzen wij naar www.rechtspraak.nl. Doorgaans wordt een verzoekschrift echter per post of telefax naar de griffie gezonden. Indien het verzoekschrift per fax wordt ingediend, behoort een exemplaar per post te worden nagezonden. Aanbevolen wordt om de producties (bijlagen) niet per telefax, maar alleen per gewone post, toe te zenden.

    Wij bevelen aan om het verzoekschrift (en de producties) in méérvoud in te dienen, namelijk zoveel exemplaren als er verweerders zijn, plús 1 (namelijk het exemplaar voor de rechtbank). De rechtbank zal immers de verweerder(s) oproepen voor de mondelinge behandeling en ze daarbij ook een afschrift van het verzoekschrift toezenden.

    Sanctie
    Het niet nakomen van de eisen die uit artikel 278 RV volgen leidt niet tot nietigheid van het verzoekschrift. De rechter kan de verzoeker gelegenheid geven het gebrek te verhelpen.

    Oproeping >>

    Nadat het verzoekschrift is ingediend, wordt de datum van de mondelinge behandeling bepaald en worden de verzoeker en verweerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De verweerder ontvangt van de griffier naast de oproep ook een exemplaar van het verzoekschrift. De formaliteiten voor de oproep zijn vermeld in artikel 271 RV e.v. RV.

    Slechts in zeer bijzondere gevallen vindt géén mondelinge behandeling plaats. Een voorbeeld is het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag. Omdat een dergelijke procedure slechts door een advocaat kan worden geëntameerd, laten we deze procedure hier verder beschouwing.

    Verweerschrift >>

    De verweerder kan tot aan de mondelinge behandeling een verweerschrift indienen (artikel 282 RV). Het verweerschrift moet de gegevens van verweerder vermelden en moet verder een duidelijke omschrijving van het verweer (en de gronden daarvan) bevatten (artikel 282 lid 1 RV jo. artikel 278 RV).

    Het indienen van een verweerschrift is niet verplicht: de verweerder kan ook mondeling, tijdens de zitting, verweer voeren.

    Verandering verzoek >>

    Zolang de rechter geen eindbeslissing heeft genomen kan de verzoeker schriftelijk de gronden veranderen, dan wel het verzoek verminderen of vermeerderen (artikel 283 RV). Artikel 130 RV is van overeenkomstige toepassing verklaard. Het verdient de voorkeur om deze wijziging schriftelijk door te voeren. Een vermindering van het verzoek is steeds toelaatbaar. De wederpartij kan echter protesteren als sprake is van vermeerdering of wijziging van (de grondslag van) het verzoek. Uiteindelijk beslist vervolgens de rechter of de eiswijziging toelaatbaar is. Het criterium bestaat uit de goede procesorde (artikel 130 RV jo. artikel 283 RV).

    Aanwezigheid partijen; uitstel >>

    Als de mondelinge behandeling wordt gepland op een datum die een van de partijen niet schikt, kan uitstel worden verzocht. De ervaring leert dat een dergelijk uitstel wel wordt toegestaan, indien het uitstelverzoek voldoende is gemotiveerd.

    Indiening overige stukken >>

    Partijen kunnen voorafgaande aan de mondelinge behandeling nog stukken naar de rechter zenden. Tijdens de mondelinge behandeling kan dan een beroep op deze stukken worden gedaan. Het is belangrijk dat een partij de stukken niet alleen naar de rechter zendt, maar óók naar de wederpartij(en). De wederpartij dient zich, overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor, immers eveneens over de stukken te kunnen uitlaten.

    Overigens is het verstandig om de stukken tijdig aan de rechtbank (en wederpartij) toe te zenden. Het is niet goed mogelijk om aan te geven welke termijn dient te worden gehanteerd. Dit hangt (onder meer) af van aard en omvang van de stukken. Zo is voorstelbaar dat een stuk bestaande uit één pagina nog één dag voor de zitting wordt toegestuurd, maar zal de rechter doorgaans moeite hebben met een dik pakket stukken dat slechts één dag voor de zitting wordt toegezonden.

    Over het algemeen wordt geoordeeld dat het niet mogelijk is om stukken nog tijdens de mondelinge behandeling te overleggen. Daarmee zou de wederpartij te veel in haar verdediging worden geschaad.

    Verloop van de zitting >>

    Tijdens de zitting kunnen partijen hun zienswijze nog eens mondeling toelichten. Voorts zal de rechter partijen vragen kunnen stellen. Daarnaast onderzoekt de rechter vaak of partijen tot een schikking komen.

    Van de zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt (artikel 279 lid 4 RV), waarin zakelijk de inhoud van verklaringen wordt vastgelegd.

    Tegenverzoek >>

    Het verweerschrift mag ook een zelfstandig verzoek bevatten (tegenverzoek of verzoek in reconventie). Maar een tegenverzoek mag alleen betrekking hebben op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (artikel 282 lid 4 RV). Hierin verschilt deze mogelijkheid zich van de reconventie in dagvaardingsprocedures. Dáár bestaat niet de beperking tot het onderwerp van de oorspronkelijke vordering.

    Uitspraak (beschikking) >>

    De rechter bepaalt na afloop van de mondelinge behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen, en deelt deze dag aan partijen mede (artikel 286 RV). De uitspraak wordt ‘beschikking’ genoemd. De rechter kan in zijn beschikking een kostenveroordeling opleggen (artikel 289 RV).

    Ook tegen beschikkingen is hoger beroep mogelijk (artikel 358 lid 1 RV). Ook verstrijkt de termijn drie maanden na de uitspraak (artikel 358 lid 2 RV). Het instellen van hoger beroep geschiedt ook bij verzoekschrift (beroepschrift), maar daarvoor is een advocaat nodig.

    Voorbeeld verzoekschrift >>

    Door op onderstaande 'link' te klikken komt u op een pagina terecht waarop enige voorbeelden van verzoekschriften staan vermeld.

    Voorbeeld verzoekschriften

    Wie behoort tot de "zijnen" van de huurder bij ontruiming van het gehuurde?>>

    Als de verhuurder een ontruimingsactie tegen de huurder start, dan moet er ontruiming van de huurder worden gevorderd. Als er nu andere personen in de woning verblijven moet er dan een afzonderlijke ontruimingstitel tegen deze personen worden gehaald, of kan de verhuurder volstaan met een ontruimingsactie jegens de huurder en de zijnen van de huurder zonder dat daarbij een afzonderlijke ontruimingstitel jegens de overige bewoners van de woning wordt gehaald?

    In het algemeen kan worden gesteld dat het allang mogelijk is om executie jegens derden niet procespartijen te realiseren, waarbij een relatie van zeggenschap of afhankelijkheid teneinde de ontruiming jegens die derden te bewerkstellingen niet mag worden geëist. Een voorbeeld hiervan is de ontruimingstitel van de hypotheekhouder jegens de hypotheekgever. Als de hypotheekgever jegens de hypotheekhouder tekortschiet in zijn financiële verplichtingen, dan kan de hypotheekhouder bij de voorzieningenrechter ontruiming van de onroerende zaak vorderen waarvoor zekerheid tot betaling is verstrekt. Deze ontruiming raakt dan niet alleen de hypotheekgever, maar ook de zijnen die bij de hypotheekgever behoren. Tot 'de zijnen' moeten dan ook worden gerekend al degenen die zich op de hypothecair bezwaarde zaak met goedvinden of medeweten van de hypotheekgever bevinden, dus ook de door hem toegelaten huurders, mits, wat deze laatsten betreft, de huur wegens strijd met het huurbeding is vernietigd.

    Niet alle gebruikers van het gehuurde behoren tot de “zijnen” van het gehuurde
    Voor het huurrecht geldt min of meer een zelfde mogelijkheid tot ontruiming van het gehuurde. De grens ligt evenwel bij de onderhuurder van zelfstandige woonruimte, die de huurbescherming als verwoord in artikel 7:269 BW in kan roepen. Voor de positie van de huurder van zelfstandige woonruimte verwijs ik naar het hoofdstuk: “De positie van de onderhuurder”. Deze onderhuurder heeft een op de wet gebaseerde verblijfstitel, zodat deze gebruiker van de woonruimte niet hoort tot de “zijnen” van de hoofdhuurder (HR 21 mei 1982, NJ 1982, 404NJ 1982, 404 (Geerlings/Hendrick de Keyser).

    De verhuurder kan ook niet een ontruimingsvonnis ten laste van de huurder gebruiken tegen de echtgenoot van de huurder als tegen deze echtgenoot niet een afzonderlijke ontruimingstitel is gevraagd. De echtgenoot van de huurder is immers van rechtswege medehuurder. Het gebruik van het gehuurde vindt ook voor de wettelijke medehuurder een basis in de wet. Als de verhuurder tot ontruiming van het gehuurde over wenst te gaan , dan zal de verhuurder ook een afzonderlijke ontruimingstitel jegens de wettelijke medehuurder horen te halen. Als de huurovereenkomst met de huurder eindigt, dan wordt de medehuurder huurder. Dat is vastgelegd in artikel 7:266 lid 3 BW . Hetzelfde geldt als er zich een medehuurder in het gehuurde bevindt, die op basis van artikel 7:267 BW het medehuurderschap heeft verkregen. Dit blijkt uit artikel 7:267 lid 5 BW .
    Ook bij het overlijden van de huurder neemt de medehuurder op grond van artikel 7:269 lid 1 BW de positie van de huurder in. De wet geeft dus aan de medehuurders een legitimatie om het gehuurde te gebruiken tijdens aanwezigheid van de huurder, maar ook na het vertrek van de huurder.

    De gebruikers van het gehuurde
    Onder de “zijnen” van de huurder vallen dus de gebruikers van het pand, die niet als medehuurder zijn te beschouwen. Dit zijn doorgaans de kinderen van de huurder en de partners van de huurder voor zover deze nog niet het medehuurderschap hebben verkregen. Ook de onderhuurder van onzelfstandige woonruimte valt onder dit begrip.
    Voor bedrijfsruimte geldt dat de onderhuurder van de bedrijfsruimte ook onder de “zijnen” valt en dat een afzonderlijke ontruimingstitel tegen zowel de onderhuurder van een deel van de bedrijfsruimte als de gehele bedrijfsruimte niet nodig is. Voor bedrijfsruimte geldt niet een vergelijkbare regeling als verwoord in artikel 7:269 BW . De onderhuurder van bedrijfsruimte is evenals de huurder van onzelfstandige woonruimte in zijn positie afhankelijk van de huurder. Eindigt de hoofdhuur, dan zal in feite het huurgenot van de onderhuurder eindigen, omdat de eigenaar hem tot ontruiming zal kunnen noodzaken. Daarnaast geldt voor 7:290 BW-winkelruimte dat een ontruimingstitel tegen de hoofdhuurder op grond van artikel 7:306 lid 1 BW ook jegens de onderhuurder kan worden ingeroepen.
    Voor kantoorruimte geldt deze problematiek niet, omdat er voor kantoorruimte geen huurbescherming geldt. Door een opzegging eindigt de huurovereenkomst en dient de huurder het pand te ontruimen, behoudens de mogelijkheid van ontruimingsbescherming (zie artikel 7:230a lid 1 BW ). Dat geldt ook voor de andere gebruikers van het pand, die jegens de hoofdverhuurder geen gebruikstitel kunnen laten gelden.

    Stein bespreekt in zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad van 29 november 1985 (Hoge Raad 29 november 1985, LJN AC913, met noot mr. P.A. Stein). dat in het geval van misbruik van recht de onderhuurder zich tegen ontruiming kan verweren. Van misbruik van recht zou sprake kunnen zijn als aan de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde een ‘samenspanning’ tussen (hoofd)huurder en (hoofd) verhuurder tegen de onderhuurder ten grondslag ligt. Verder zou er volgens Stein sprake van misbruik van recht kunnen zijn als de onderhuurder op onevenredige wijze in zijn belang door de ontruiming wordt getroffen. Een misbruik van recht in deze zin is lastig aan te tonen en kan vaak pas achteraf worden vastgesteld.

    Updates>>

    • 23 juli 2011. wijzigingen verbandhoudende met de verhoging van de competentiegrens van de sector kanton naar € 25.000. verwerkt.
    • 28 juni 2012. De rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, heeft in haar vonnis van 17 november 2011 LJN: BU7640, sector kanton Rechtbank 's-Gravenhage, 1083380/11-19968 beslist dat een arbitragebeding is toegestaan.
    • 3 januari 2013. De term rechtbank, afdeling civiel, kantonzaken, ingevoerd.
    • 11 mei 2014. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525 ) aangegeven op welke wijze de bewindvoeder zich in een geding kan meningen.
    • 13 mei 2014. Het beweren van een stelling zonder voldoende bewijs leidt dus tot afwijziging van de vordering. Dit ondervond de huurder in hoger beroep voor het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden in haar uitspraak van 11 maart 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:2011 .
    • 9 augustus 2014. Onderdeel primaire en subsidiaire vordering ingevoerd.
    • 18 december 2014. Linkjes naar wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hersteld.
    • 18 december 2014. Link naar onerdeel "De bewindvoerder is procespartij"hersteld.
    • 29 maart 2015. Beheerovereenkomst. Rechtbank Rotterdam vonnis van 27 maart 2015 ( ECLI:NL:RBROT:2015:1801) Artikel 7:401 BW. Als de beheerder met de verhuurder is overeengekomen dat de beheerder het financiële, commerciële, en technische beheer van de woning overneemt, dan kan de beheerder jegens de verhuurder aansprakelijk worden voor het houden van onvoldoende toezicht.
    • 8 april 2015. De kantonrechter van de rechtbank te Oost-Brabant van in kort geding in haar vonnis van 4 november 2014 ( ECLI:NL:RBOBR:2014:6618 van mening dat een exploot openbaar betekend moet worden als de huurder wel woonplaats heeft gekozen in het gehuurde, maar daar niet meer woonachtig is.
    • 21 mei 2015. Uitbreiding met het onderdeel: "Wie behoort tot de "zijnen" van de huurder bij ontruiming van het gehuurde?"
    • 12 juli 2015. De kantonrechter te Rotterdam oordeelde in haar vonnis van 23 januari 2015 ( ECLI:NL:RBROT:2015:776) dat de bewindvoerder de huur van de onder bewind staande huurder op mocht zeggen, nadat in de woning van deze huurder een hennepkwekerij was ontdekt.
    • 15 juli 2015. Een openbare betekening van een exploot hoeft niet meer gepubliceerd te worden in een Landelijk dagblad, maar moet worden gepubliceerd in de Staatscourant. De kosten van de digitale publicatie in de Staatscourant bedragen € 5,i5 (exclusief BRW) per advertentie.
    • 25 augustus 2015. Volgens een vonnis van de rechtbank te Utrecht van 4 januari 2012 ECLI:RBUTR:2012:3382 kan het exploot ook aan het gekozen domicilie van de huurder worden betekend als de gekozen woonplaats alleen in het belang van de huurder is gekozen.
    • 13 september 2015. Landelijk procesreglement kantonzaken, januari 2014 ingevoerd.
    • 28 februari 2016.De rechtbank Noord-Holland oordeelde in haar kortgedingvonnis van 5 november 2015 ( ECLI:NL:RBNHO:2015:9676) dat de verhuurder ten onrechte de bewindvoerder niet in een procedure had betrokken. Verhuurder werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
    • 14 maart 2016. De rechtbank Limburg heeft in haar kortgeding vonnis van 21 december 2015 ECLI:NL:RBLIM:2015:10868 vastgesteld dat gedaagden de huurovereenkomst met de VOF hebben gesloten en niet met de voormalige vennoten in persoon. Vordering van eisers afgewezen.
    • Gewijzigd 30 september 2016. De rechtbank Limburg oordeelde in haar vonnis van 2 maart 2016 ( ECLI:NL:RBLIM:2016:1784) dat de man terecht de vrouw en niet haar bewindvoerder in deze procedure had betrokken, omdat de vrouw geen huurster was en het huurrecht niet tot de boedel van de vrouw behoorde.
    • Gewijzigd 1 november 2016. De partij die een WSNP-bewindvoerder krijgt toegewezen wordt niet handelingsonbekwaam, maar verlies wel het beheer en de beschikking over zijn vermogen. Het hof te 's-Hertogenbosch was in haar arrest van 8 mei 2007 ( ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0040) tot oordeel dat de huurder wél bevoegd blijft de huur te betalen. Volgens het hof hoeft de bewindvoerder niet te worden gedagvaard als de huurder zijn verplichtingen niet nakomt. Als de bewindvoerder niet wordt gedagvaard zal het vonnis echter de boedel niet raken.
    • Gewijzigd 3 november 2016. Het starten van een procedure heeft dus geen zin als het gaat om huurachterstand die vóór de toepassing van de WSNP is ontstaan. Als een ontruimingsvonnis vóór de WSNP is verkregen kan de executie van dit vonnis dus wél ten uitvoer worden gelegd als de huurder na toepassing van de WSNP wederom met betaling van de huur in gebreke blijft. Het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 20007 ( ECLI:NL:GHSGR:2007:BC1146).
    • Gewijzigd 11 februari 2017. De vennootschap wordt ontbonden na het instellen van de vordering
    • Gewijzigd 11 februari 2017. In het geval de procedure tegen de rechtspersoon is aangevangen voor het tijdstip van zijn ontbinding en de vereffening van zijn vermogen, kan de procedure tegen de rechtspersoon worden voortgezet, ook indien de vereffening van het vermogen inmiddels is geëindigd en de rechtspersoon niet meer bestaat (zie HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948
    • Gewijzigd 11 februari 2017. De rechtbank Overijssel heeft in haar vonnis van 26 juli 2016 ( ECLI:NL:RBOVE:2016:4070). De rechter was van oordeel dat de vennootschap niet was opgehouden te bestaan. Indien een rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij ingevolge het vierde lid van artikel 2:19 BW op te bestaan. Ingevolge het vijfde lid van dat artikel blijft een rechtspersoon echter ook na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

    * Dit hoofdstuk is in maart 2010 en januari 2011 bewerkt door mr. M.G. Hofman.