HET BEGRIP BEDRIJFSRUIMTE

Noot 0a
HR 25 april 2003, WR2003,7.

Noot 0b
HR 19 januari 1987, NJ 1988, 72 (Esso/Pols) m.nt. P.A. Stein.

Noot 0c
Zie ook Ktg. Hilversum 22 mei 2000; 19 september 2000; Rb. Amsterdam 20 december 2000, WR 2001, 29 Ktr.: Verkoop van jachten of bemiddeling daarin kan niet worden aangemerkt als detailhandel. Rb.: 68% van de omzet is afkomstig van bemiddelen; 32% van verkopen en reparaties. Laatstgenoemde activiteiten zijn ondersteunend. Art. 1624 e.v. niet van toepassing.

Noot 0d
HR 5 november 1993, NJ 1994, 228 (Fuks/Recourt) m.nt. P.A. Stein.

Noot 0e
HR 22 oktober 1999, NJ 2000, 209 m.nt PAS.

Noot 1
Zo achtte de Hoge Raad dat er geen sprake van een huurovereenkomst was bij de exploitatie van een garderobe in het Kurhaus, omdat op de omzet van de garderobe in het jaar 2000 ad ƒ 67 898 tegenover de omzet van de verkoop ad ƒ 15 058 en de inrichting van het gehuurde als garderoberuimte met daarbij slechts een vitrinekast met de te verkopen artikelen, … , het zwaartepunt op de garderobe ligt en niet op de verkoop van artikelen. (Hof 's-Gravenhage 7 maart 2003, WR 2003, 57).

Noot 1a
Conclusie van A.G. Mr Huydecoper bij de uitspraak van de HR van 12 mei 2006, NJ 2006, 294.

Noot 1b
HR 12 mei 2006, NJ 2006, 294.

Noot 2a
Conclusie van Mr Huydecoper bij uitspraak Hoge Raad 17 december 2004, WR 2005/15; Hof Arnhem 12 maart 1984, NJ 1985, 97; Pres. RB. Breda 4 december 1990, KG 1991,41; Van Hees, WPNR 5889, p 562.

Noot 3
HR 9 oktober 1987, NJ 1988, 253 (MobilOil/De Vries). Hof Amsterdam 15 november 1990, NJ 1991, 535, Hoge Raad van 31 mei 1991, NJ 1991, 678 (Bloemert/Supergas) en HR 10 november 1989, NJ 1990, 273 (Bakaryildiz/BP).

Noot 4
Zie Kantongerecht Haarlem 2 december 1976, Prg. 1977, 1155, m.nt. H. van den Heuvel. Pand verhuurd als winkel-woonhuis, later uitsluitend gebruikt als woning, blijft bedrijfsruimte. Het niet meer als zodanig gebruiken van het gehuurde wordt echter wel als een toerekenbare tekortkoming gezien.

Ktg. Groenlo 2 december 1996, WR 1997, 29.'Vooropgesteld wordt dat artikel 7:290 BW niet zonder meer ophoudt te gelden, indien de feitelijke bestemming niet langer overeenstemt met de contractuele bestemming. ... De tekst van art. 7A:1624 lid 2 BW vereist niet dat (...) sprake moet zijn van bedrijfsactiviteiten van een minimale omvang'.

Noot 5
Pres. Rb. Amsterdam 13 februari 1997, WR 1997, 57. Gehuurde ruimte contractueel bestemd om te worden gebruikt als opslagruimte. Het (gedoogde) gebruik als werkplaats voor auto-alarminstallaties brengt niet mee dat de ruimte bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 is geworden.

Hr 20 februari 1998, NJ 1998, 740 (NS Vastgoed/Deko). De NS heeft aan Deko kolenopslagruimte verhuurd. Deko heeft deze ruimte vervolgens onderverhuurd aan Stift. Stift verandert de opslagruimte in een werkplaats voor het repareren van auto's. Stift maakt daartoe een overkapping. Op het moment dat de huurovereenkomst wordt opgezegd doet Stift een beroep op 7:290 BW (1624 BW oud). De rechtbank was van oordeel dat er van 7:290 BW (1624 BW oud) sprake is. De Hoge raad was een andere mening toegedaan. De Hoge Raad was van mening dat een huurder niet door aanvullende bouwvoorzieningen op het gehuurde zelfstandig zorg kon dragen voor wijziging van het huurregime. Door deze gebeurtenissen kan immers het bepaalde in artikel 1624 BW slechts toepasselijk zijn geworden indien partijen een nieuwe zelfstandige huurovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de inmiddels gebouwde en tot bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (1624 BW oud) bestemde onroerende zaak. De rechtbank heeft omtrent de eventuele totstandkoming van zo'n overeenkomst niets vastgesteld.

Noot 6
Hof Amsterdam 2 november 1995 en 19 november 1996, Prg. 1997, 4846 Huurder houdt de winkel gesloten. Ernstig verzuim.

Rb. Rotterdam 24 oktober 1996, WR 1997, 60 Huurder vestigt in het gehuurde een slagerij in plaats van, zoals overeengekomen een sportwinkel. Deze handelwijze levert een tekortkoming op in de nakoming van de overeenkomst die, gelet op het belang dat verhuurder heeft bij handhaving van de overeengekomen bestemming, ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.

Noot 7
Ktg. Almelo 12 januari 1996, WR 1996, 42 'Zo al niet bij de totstandkoming van de huurovereenkomst, dan in ieder geval tijdens de loop daarvan, moet de hoedanigheid van het bedrijf van verzoeker voor gerekwestreerde - wiens bedrijf pal naast het gehuurde is gelegen - onmiskenbaar duidelijk zijn geweest. Gesteld noch gebleken is dat gerekwestreerde hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Dat brengt met zich mee dat bedoeld gebruik kennelijk door gerekwestreerde als een contractueel (mede) bedoelde bestemming is aanvaard. Hieraan doet niet af dat in het huurcontract niet is gerefereerd aan de voor artikel 1624-bedrijfsruimte geldende termijnen.'

Hof Amsterdam 26 juni 1997, WR 1998, 27, KG 1997, 223. Hal verhuurd als kantoor en opslagruimte wordt gebruikt als showroom. Aangenomen wordt dat de verhuurder met deze bestemmingswijziging bekend was en daarmee heeft ingestemd. Bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290.

Noot 8
Pres. Rb. Amsterdam 13 februari 1997, WR 1997, 57. Het gehuurde kan niet worden beschouwd als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, 'omdat bedoelde ruimte contractueel bestemd is om te worden gebruikt als opslagruimte en omdat het (gedoogde) gebruik als werkplaats voor autoalarminstallaties niet meebrengt dat de ruimte daarmee '7:290-bedrijfsruimte' is geworden: niet gebleken is immers dat met toestemming van de verhuurder een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering of voor dienstverlening is gecreëerd.'

Noot 9
De uitspraak van de Hoge Raad bevestigt dit standpunt. HR 31 januari 1997, NJ 1998, 545, m.nt. A.R. Bloembergen (Haagse vishuisjes), JB 1997, 65, m.nt. H.J. Simon. De belangrijkste passage uit deze uitspraak luidt: " de rechtbank constateert dan ook dat het door hen van de vishuisjes gemaakte gebruik onlosmakelijk met de markt is verbonden en oordeelt dat het gebruik uitsluitend zijn grond vindt in een publiekrechtelijke regeling en derhalve niet als huur kan worden aangemerkt. De Hoge Raad is van oordeel dat de rechtbank aldus geen onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Dat de exploitanten aldus niet kunnen profiteren van het dwingendrechtelijke regime van de art. 7:290 e.v., welk regime de rechtsverhouding tussen partijen zou hebben beheerst in het geval de Gemeente de vishuisjes niet op publiekrechtelijke voet had uitgegeven, doet daaraan volgens de Hoge Raad niet af. Het gebruik van de huisjes is onlosmakelijk met de markt verbonden. Onder die omstandigheden stond het de gemeente als openbaar lichaam vrij om, in het kader van de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak op het gebied van het marktwezen, bij het aan kooplieden op de markt in gebruik geven van de vishuisjes te handelen op de voet van het op dat gebied geldende publiekrechtelijke regime".

Noot 10
Volgens een uitspraak van de Hoge Raad (HR 30 januari 1981, NJ 1981,378) kan dit onderzoek buiten beschouwing blijven als de huurovereenkomst waar het conflict over gerezen is, valt binnen één van de categorieën als vermeld in artikel 7:290 BW (1624 BW oud).

Noot 11
De kern van deze uitspraak luidt als volgt: Weliswaar heeft in de parlementaire geschiedenis, op welke de Rb. zich beroept blijkens de MvA betreffende het Wetsontwerp nr 8875, die plaatsgebondenheid een rol gespeeld bij de beperking van het toepassingsgebied van artikel 7:290 BW, zoals dat oorspronkelijk was omschreven, tot enige met name genoemde categorieën van bedrijven, zoals het kleinhandelsbedrijf en het ambachtsbedrijf, maar aan die parlementaire geschiedenis kan geen steun worden ontleend voor de opvatting dat bedrijven behorende tot die categorieën ook nog zouden moeten voldoen aan de eis van plaatsgebondenheid om in het toepassingsgebied van de artikel 7:290 BW te vallen. Het stellen van die eis, die in de wet niet is opgenomen, zou voor bedoelde bedrijven afbreuk doen aan de rechtszekerheid.

Noot 12
De Hoge Raad verwoordde dit aldus: " (…) Blijkens haar parlementaire geschiedenis strekt deze bepaling er immers toe het toepassingsgebied van de regeling over huur en verhuur van bedrijfsruimte te beperken tot de gevallen waarvoor zij noodzakelijk werd geacht, met name tot die waarin de huurder van een bedrijfsruimte bescherming behoeft omdat de plaatselijke gebondenheid van zijn onderneming ertoe kan leiden dat hij door opzegging door de verhuurder niet alleen zijn bedrijfsruimte maar ook een belangrijk deel van de goodwill van zijn onderneming verliest. In verband daarmee zijn vervoersbedrijven slechts onder de omschrijving gebracht voor zover het afhaal- of besteldiensten zijn."

Noot 13
Dezelfde overwegingen lagen ten grondslag aan de uitspraak van de Hoge Raad HR 19 maart 1993, NJ 1993, 508 (Oriënt Travel) en Pres. Rb. Amsterdam 2 september 1999, KG 1999, 259 (Jachthaven Golden Tulip Loosdrecht).

Noot 14
(Kamerstukken II 2000/01, 26 932, nr. 5, p. 4).

Noot 15
Ktg. Leiden 30 augustus 1972, Prg. 1973, 792 Een kleermaker beoefent een ambacht. Ktg. Hoorn 31 januari 1973, Prg. 1974, 869 Kleermaker oefent geen bedrijf uit maar een vrij beroep.

Noot 15a
Gerechtshof Amsterdam 24 maart 2005, WR2006-01, bladzijde 25.

Noot 16
Ktg. Sneek 19 januari 2000, WR 2000, 34, Prg. 2000, 5429, m.nt. P. Abas; vernietigd door Rb. Leeuwarden 2 mei 2001, WR 2001, 84, Prg. 2001, 5706; HR 25 april 2003, WR 2003, 52 ('t Sweiland/Beekema). Ktr.: De gehuurde jachthaven met loodsen enz. is een gebouwde onroerende zaak, die bij de huurovereenkomst bestemd is voor de uitoefening van zowel het kleinhandelsbedrijf als het ambachtsbedrijf. in de literatuur wordt deze uitspraak kritisch bekeken. De scheepsreparatie moet op bescheiden schaal plaatsvinden om als ambachtsbedrijf aangemerkt te kunnen worden.

Noot 17
(Nota naar aanleiding van het Eindverslag, Kamerstukken II 1969/1970, 8875, nr. 9, p. 1).

Noot 18
(Nota naar aanleiding van het Eindverslag, Kamerstukken II 1969/1970, 8875, nr. 9, p. 1).

Noot 19
Ktg. Hilversum 27 juni 2000, WR 2001, 54.

Noot 20
Zie HR 24 december 1993, NJ 1994, 215 (Amsterdam-Semarang/Geelhoed).

Noot 20a
Gerechtshof Amsterdam 28 juli 2005, WR2006-05, bladzijde 174.

Noot 21

Noot 22

DE HUURPERIODE BEDRIJFSRUIMTE

Noot 23
Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1999/00 26 932, nr. 5, p. 7.

Noot 23a
met dank voor deze hersenkraker aan Jhr. Mr J.L.R.A. Huydecoper die mij tijdens een cursus huurrecht bedrijfsruimte op 20 november 2008 op deze mogelijkheid wees.

Noot 24
Hoge Raad in zijn arrest van 15 december 1978 NJ 1979, 195(Post/Waterink).

Noot 24a
Gerechtshof Arnhem, 21 november 2006, WR 2007/08, bladzijde 323.

Noot 25
Ktg. Utrecht 3 februari 1994, Prg. 1994, 4067 (Servex/Manyvar), nam aan dat een nieuwe overeenkomst was ingegaan op het tijdstip waarop een verhuurder nadat een huurverhouding al een aantal jaren had geduurd, van de huurder had bedongen dat hij de gehuurde stationsrestauratie voortaan zou gebruiken. Partijen hadden gelijktijdig een nieuwe exploitatieovereenkomst gesloten, die op niet ondergeschikte punten afweek van de oorspronkelijke overeenkomst. Bovendien werd daarin bepaald dat daarmee alle voorgaande overeenkomsten terzijde werden gesteld. De kantonrechter oordeelde dat de partijen een nieuw contract hadden gesloten, in plaats van dat zij de oorspronkelijke overeenkomst hadden aangevuld. Dat bracht met zich mee dat op de ingangsdatum van de nieuwe overeenkomst een nieuwe duur van tweemaal vijf jaar was gaan gelden.

Noot 26
HR 22 oktober 1993, NJ 1994,212 (Marie Claire).

Noot 27
Ktg.'s-Hertogenbosch 9 augustus 1994, Prg. 1995, 4227.

Noot 28
HR 19 april 1996, NJ 1996, 684, m.nt. P.A. Stein (IJsselmuiden/Brouwers) en Rb. Zwolle, sector kanton, locatie Lelystad 15 januari 2003, WR 2003, 32.

Noot 28a
Kantonrechter Rotterdam 12 februari 1998 en 6 augustus 1998, WR 1999/10.

Noot 29
Kamerstukken II 1969/70, 8875, nr. 6 (MvT), p. 9.
'Teneinde de nodige soepelheid te verkrijgen, moet wel de mogelijkheid bestaan bij overeenkomst afwijkende bedingen te maken. Dit kan echter niet aan partijen worden overgelaten omdat dan de afwijking van het dwingend recht tot regel zou kunnen worden. Derhalve wordt de afwijking aan de goedkeuring van de rechter onderworpen.'

Noot 30
Kamerstukken II 1999/00, 26 932, nr. 3 (MvT), p. 5.

Noot 31
Ktg. Alkmaar 8 april 1975, Prg. 1975, 1015 geen overeenstemming leidde tot niet-ontvankelijkheid.

Noot 31c
Rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem 6 juli 2006, WR2007-01, bladzijde 33.

Noot 31d
Gerechtshof 's-Gravenhage 25 augustus 2006, WR 2007-01, bladzijde 35.

Noot 31e
Toetsing van afwijkende bedingen (artikel 7:291 lid 3 BW), WR2007, 11.

Noot 31e1
Mr H.J. Rossel maakt dit onderscheid in haar artikel over toetsing van afwijkende bedingen (artikel 7:291 lid 3 BW), WR2007, 11.

Noot 31f
Ktg Amsterdam 11 december 2006, WR 2007, 35 (Bruna/Dales).

Noot 31g
Ktr Amsterdam 7 mei 2007, WR 2007, 93 (BP/Biemond). Ktr Haarlem 29 mei 2006, WR2007, 9 (Schiphol/Compass Group).

DE OPZEGGING VAN DE HUUROVEREENKOMST BEDRIJFSRUIMTE

Noot 31aa
Mr G.M. Kerpestein, Huurecht bedrijfsruimte tweede, herziene druk, SDU uitgever BV, Den Haag 2005, pagina 378.

Noot 31ab
Mr G.M. Kerpestein, Huurecht bedrijfsruimte tweede, herziene druk, SDU uitgever BV, Den Haag 2005, pagina 379.

Noot 31a
HR 8 september 1995, NJ 1996,567 Schouten/gemeente Tilburg.

Noot 31b
HR 16 oktober 1998, NJ 1998,897 (van Rhee/ING Bank.

Noot 32
HR 18 juni 1993, NJ 1993, 614 (Rietveld/Geminiziekenhuis) 'Verwezen wordt naar de parlementaire geschiedenis van art. 1623b lid 4 BW, die ertoe strekt dat de huurder aan de hand van de in de opzegging vermelde gronden moet kunnen bepalen of hij het op een procedure kan laten aankomen of er beter aan doet toe te stemmen in een beëindiging in der minne (Hand. II 1971/72, p. 2290). Het zou met deze strekking niet stroken de vorenbedoelde nietigheidssanctie, die passend is in een situatie waarin de opzegging in het geheel geen opzeggingsgrond vermeldt, mede uit te strekken tot een geval als het onderhavige, waarin de opzegging wél een opzeggingsgrond vermeldt doch waarin de verhuurder, naar vervolgens ten processe blijkt, in werkelijkheid een andere reden heeft gehad om op te zeggen.'

Noot 33
(HR 1 november 2002, NJ 2004, 114 (Engelgeer/Engelgeer).

Noot 34
Kamerstukken II 1969/70, 8875, nr. 6 (MvA), p. 9.

Noot 36
Kamerstukken I 1970/71, 8875, nr. 14b (MvA), p. 3.

Noot 38
Kamerstukken II 1999/00, 26 932, nr. 3, p. 5.

Noot 40
HR 21 maart 2003, NJ 2003, 387 (Co-op/De Wit) In deze uitspraak beëindigt de rechtbank de huur per 1 maart 2000 en stelt zij het tijdstip van de ontruiming vast op 1 september 2001. De Hoge Raad vernietigt het vonnis slechts voor wat betreft de daarin vermelde datum van huurbeëindiging op 1 maart 2000. De Hoge Raad heeft daarmee aangegeven dat de huur ook tegen 1 september 2001 als beëindigd dient te worden geacht.

Noot 41
HR 8 januari 19982, NJ 1982, 445 (Lenderink/Woningstichting).

Noot 42
Deze conclusie trekt Mr M.C. ten Kleij-Mulder in haar artikel Uitvoerbaar bij voorraad verklaring in het huurrecht: eerder regel dan uitzondering? In WR 2006,11.

Noot 43
Rechtbank Rotterdam, sector kanton, 18 juli 2006 (De Groot c.s./Stichting Woningbedrijf Rotterdam) Wr 2006, 114.

Noot 44
HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 144 (WE International/Bruil).

Noot 46
Kamerstukken II 1970/71, 8875, nr. 6 (MvA), p. 8.

Noot 48
Kamerstukken II 1966/67, 8875, nr. 3 (MvT), p. 15.

Noot 50
Kamerstukken II 1970/71, 8875, nr. 6, p. 8.

Noot 51
Voorzieningenrechter Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom 31 oktober 2007, WR2008-2 blz. 74.

Noot 52
HR 3 november 1989, NJ 1990, 161

Noot 53
Hoge raad 4 januari 1980, req. nr. 5293, NJ 1980/347

Noot 54
HR 27 april 1979, NJ 1979, 493, m.nt. P.A. Stein (De Zilvermeeuw/Victoria Hotel) Hoge Raad 14 november1997, NJ 1998, 148 (Fuld en Sanders/Madurodam).

Noot 55
Rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton locatie Delft, 14 februari 2008, WR 2008/59.

Noot 55a
Gerechtshof Amsterdam 4 mei 2006, WR 2007/13.

Noot 55b
HR 22 juni 2001, NJ 2001, 585.

Noot 56
HR 12 juli 2002, NJ 2002, 457, m.nt. P.A. Stein, WR 2002, 58, m.nt. C.A. Adriaansens (Co-op/Vomar)

Noot 58
Hoge Raad 13 december 1996, NJ 1997,557 (Konmar/Waldorpstraat). De Hoge raad motiveert als volgt. Het doel en strekking van het desbetreffende wetsartikel (artikel 7:296 BW) moet bij een zodanig overgang van belang en zeggenschap op één lijn moet worden gesteld met opvolging in verhuurderschap.

Noot 60
(zie HR 8 juni 1979, NJ 1979, 494, m.nt. P.A. Stein (Kieft/Zelfbedieningsbedrijven) en HR 21 december 1979, NJ 1980, 103 (Scheltema/Cornelis).

Noot 62
(Rb. Amsterdam 19 juni 1973, NJ 1974, 535). In de uitspraak van de Hoge Raad van december 1996 (HR 13 december 1996, NJ 1997, 557 (Konmar/Waldorpstraat), m.nt. P.A. Stein) besliste de Hoge Raad in een zaak waarbij de moedermaatschappij 100 % van de aandelen van de dochter verwierf : 'Een vereenzelviging van moeder- en dochtervennootschap in die zin dat het beoogde gebruik door de moeder als gebruik door de dochter heeft te gelden kan niet worden aanvaard op de enkele grond dat de moeder 100% van de aandelen in de dochter houdt. Voor een dergelijke vereenzelviging kan slechts plaats zijn indien op grond van bijzondere omstandigheden - waaronder ook de statutaire doelomschrijving van de dochtervennootschap/verhuurder - moet worden aangenomen dat het eigen belang van deze laatste wordt gediend door het gebruik dat de moedermaatschappij van het gehuurde wil gaan maken.'

Noot 64
HR 20 oktober 2000, NJ 2000, 692, WR 2001, 12, m.nt. P.M. Gompen (Coppens) '… Als hoofdregel heeft te gelden dat persoonlijk gebruik door een ander dan de verhuurder als eigen gebruik kan gelden indien (…) een verhuurder die directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap is, het gehuurde aan die vennootschap in gebruik wil geven. In laatstbedoelde situatie zal in het algemeen ervan mogen worden uitgegaan, zoals de rechtbank ook kennelijk in het onderhavige geval heeft gedaan, dat een eigen belang van de verhuurder (...) wordt gediend door het gehuurde in gebruik te geven aan de vennootschap en dat dit gebruik derhalve heeft te gelden als eigen gebruik door de verhuurder.'

Noot 66
HR 2 februari 1979, NJ 1979, 508, m.nt. P.A. Stein, (de Nieuwe Pauw/Roby).

Noot 68
Ktr. Utrecht 6 september 1972, Prg. 1973, 800.

Noot 70
HR 12 januari 1979, NJ 1979, 500 (Hottenhuis/Ten Dam. HR 23 december 1977, NJ 1979, 411, m.nt. P.A. Stein (Eerland/Goedhart). HR 2 februari 1979, NJ 1979, 508, m.nt. P.A. Stein (De Nieuwe Pauw/Roby). Ktg. Amsterdam 30 augustus 1995, WR 1996, 11.

Noot 72
HR van 18 juni 1999, NJ 2000, 32, (Haagoort/Leeuwenburg), m.nt. P.A. Stein.

Noot 73
HR 2 februari 1979, NJ 1979, 508 (De Nieuwe Pauw/Roby).

Noot 74
HR 10 oktober 1980, NJ 1981, 150 (ZSN/Telec). HR 10 maart 1989, NJ 1989, 490, m.nt. P.A. Stein (Schaap/Dam).

Noot 76
HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 148, m.nt. P.A. Stein (Klaver Randstad/Hoes Hoofddorp) HR 14 november 1997, NJ 1998, 148 (Fuld en Foto Film Sanders/Madurodam)

Noot 78
HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 148 m.nt. P.A. Stein (Klaver Randstad/Hoes Hoofddorp).

Noot 80
Ktg. Den Haag 17 augustus 1971, NJ 1971, 499, Prg. 1972, 692; Rb. Den Haag 21 januari 1972, Prg. 1973, 857 Rb. Rotterdam 20 juni 1975, NJ 1976, 46; Ktg. Alkmaar 14 september 1994, Prg. 1994, 4197.

Noot 81
HR 27 april 1979, NJ 1979, 493, m.nt. P.A. Stein (Zilvermeeuw/Victoriahotel).

Noot 82
HR 24 januari 1997, NJ 1997, 558, m.nt. P.A. Stein (Tokkie/De Hooischuur).

Noot 83
HR 7 mei 1993, NJ 1993, 402 (de Waard/Hallewas).

Noot 83a
Zie de noot van mr J.M. Heikens bij de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam 4 mei 2006, WR 2007/13.

Noot 83b
Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort, WR 2007/14.

Noot 84
Ktg. Eindhoven 7 november 1988, Prg. 1988, 2974, bevestigd door Rb. 's-Hertogenbosch 26 april 1989, Prg. 1989, 3174. Zo ook Asser/Abas (1990), nr. 280 en Evers (2003), p. 118.

Noot 86
HR 7 mei 1993, NJ 1993, 402 (De Waard/Hallewas). De rechtbank had de belangen van partijen moeten afwegen, toen zij tot de conclusie kwam dat de verhuurder het gehuurde niet dringend nodig had voor eigen gebruik Rb. Utrecht 14 maart 2001, WR 2001, 65. Afweging ten gunste van verhuurder in verband met diens economisch belang bij bedrijfsuitbreiding. Rb. Amsterdam 29 november 2000, WR 2001, 26. Renovatie Zuiderbadcomplex. Belangenafweging pakt uit ten gunste van de huurder, omdat hij heeft verklaard aan de renovatie te zullen medewerken. Rb. Utrecht 14 maart 2001, WR 2001, 65. Afweging ten gunste van verhuurder in verband met diens economisch belang bij bedrijfsuitbreiding. De huurder heeft ruimschoots de gelegenheid gehad zijn investeringen af te schrijven. RB. Utrecht 9 juli 2003, WR 2003, 66. Het bedrijfseconomisch belang van de verhuurder bij sloop en nieuwbouw weegt zwaarder dan het belang van de huurder, die al geruime tijd bekend was met de plannen van de verhuurder.

Noot 88
HR 26 juni 1992, NJ 1992, 726 (Servex) m.nt. P.A. Stein.

Noot 90
HR 25 juni 1965, NJ 1965/387.

Noot 91
HR 4 april 1983, NJ 1984, 271 met noot PAS.

Noot 91a
Hoge Raad 4 mei 2007, WR 2008 bladzijde 2.

Noot 92
Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 150, nr. 5, p. 18'Wij achten het niet wenselijk dat een gewijzigde bestemming krachtens bedoelde anticipatieprocedure zonder meer als opzeggingsgrond geldt. Er moet een geldend bestemmingsplan zijn, zodat het plan onherroepelijk moet zijn goedgekeurd. Art. 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening ziet op de situatie dat voor een gebied waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van het geldende bestemmingsplan, vrijstelling van het geldende bestemmingsplan kan worden verleend. Een dergelijke vrijstelling van het geldende bestemmingsplan kan derhalve niet zonder meer gelden als opzeggingsgrond (…).

HUURPRIJZEN BEDRIJFSRUIMTEN

Noot 94
Memorie van antwoord, Kamerstukken I 1979/80, 15 666, nr. 45a, p. 2.

Noot 96
Zie ook HR 27 september 1996, NJ 1997, 81 (Vondelstraat/Kosterman).

Noot 98
Rb. Haarlem 1 augustus 1989, NJ 1990, 821. Huurovereenkomst gesloten in 1978 voor 30 jaar met optie tot verlenging met 20 jaar. Partijen hadden er rekening mee gehouden dat telkens als de huur vijf jaar had geduurd elke partij zich tot de kantonrechter kon wenden met het verzoek de huurprijs te herzien. Een wetswijziging als die van 1980 was toen niet te voorzien. Daarom leidt art. 6:258 BW er volgens de rechtbank toe dat de ene partij de andere naar redelijkheid en billijkheid niet kan houden aan de thans geldende tekst van lid 1 onder a.

Noot 100
HR 20 december 1985, NJ 1986, 745, m.nt. P.A. Stein (Kirhan/Eronat)

Noot 101
Ktg. Eindhoven 23 februari 1987, NJ 1988, 251.

Noot 102
HR 1 oktober 1982, NJ 1983, 76 (Hoogenbosch/De Waal). In deze uitspraak verwerpt de Hoge Raad de stelling dat in de huurprijs geen wijziging kan worden aangebracht, omdat de huurder al op voorhand zijn optie tot verlenging van de huur had uitgeoefend. De verhuurder was van mening dat door uitoefening van dit optierecht de overeengekomen duur niet op 31 december 1980, maar op 31 december 1990 zou eindigen. 'De in onderdeel b verdedigde opvatting dat het voor de toepassing van art. 1632a BW (voorganger van Artikel 7:303 BW, Huurgeschil) in gevallen van huurverlenging ten gevolge van het gebruikmaken door de huurder van een hem verleende optie, verschil maakt of de huurder van het optiebeding gebruik heeft gemaakt vóór dan wel na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 19 maart 1980, Stb. 124, waarbij in art. 1632a (voorganger van Artikel 7:303 BW, Huurgeschil) de hier van belang zijnde wijziging werd aangebracht, vindt geen steun in de tekst van die wet of in de geschiedenis van haar totstandkoming.'

Noot 103
Hoge Raad van 22 oktober, 1993 NJ 1994, 212.

Noot 104

Ktg. Eindhoven 23 februari 1987, NJ 1988, 251. Partijen hebben in 1977 - vier jaar voor het einde van de huurtermijn - een nadere overeenkomst gesloten die er ondermeer in voorzag dat de bestaande voor tien jaar geldende huurovereenkomst 'bij deze' werd 'verlengd' van 1 september 1981 tot 1 september 1991. Na het verstrijken van de eerste tien jaar dient huurder een verzoek tot wijziging van de huurprijs in. Verhuurder verweert zich met de stelling dat partijen in 1977 hebben besloten de einddatum van de oorspronkelijk bepaalde tijd te wijzigen van 1 september 1981 in 1 september 1991. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt met verwijzing naar de MvA Eerste Kamer: 'Weliswaar kan aan gerequestreerde worden toegegeven, dat de discussie in het Parlement is toegespitst op de aan de regering voorgelegde vraag of art. 1632a (voorganger van artikel 7:303 BW, Huurgeschil) kan worden toegepast wanneer de huurovereenkomst na afloop van de overeengekomen duur wordt verlengd, indien de huurder van het optierecht gebruik maakt, doch bewoordingen noch strekking van art. 1632a (voorganger van Artikel 7:303 BW, Huurgeschil) sluiten uit, dat indien aan de oorspronkelijke huurtermijn een tweede termijn wordt toegevoegd anders dan door gebruikmaking van een optie, de meest gerede partij na afloop van de oorspronkelijke huurtermijn een verzoek kan doen tot aanpassing van de huurprijs. Naar het oordeel van de Ktr. is het te dezen niet van beslissende betekenis of de verlenging tot stand is gekomen door uitoefening van een optierecht of door een aparte overeenkomst, zoals i.c. die van 1977.'

Noot 106
Kamerstukken II 2000/01, 26 932, nr. 5 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 12.

Noot 108
Ktg. Eindhoven 23 februari 1987, NJ 1988, 251

Noot 110
Dit is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 1983 (HR 13 mei 1983, NJ 1983, 713 (Brummer/Dixons) In dit arrest bepaalde de Hoge Raad dat partijen " kunnen verzoeken de huurprijs voor de tweede huurtermijn nader vast te stellen ongeacht enig andersluidend beding. Voldoende is derhalve dat één der pp. zich ten tijde van de verlenging niet meer kan verenigen met de huurprijs zoals die ingevolge de huurovereenkomst voor de tweede huurtermijn zal gelden, en de ander niet bereid is in een wijziging toe te stemmen".

Noot 112
HR 23 februari 1996, NJ 1996, 432, m.nt. P.A. Stein (Manfield) Huurovereenkomst voor tien plus tien jaar. Nadere huurprijsvaststelling in overleg enkele weken voor afloop van de eerste huurperiode. (…).Indien echter, zoals in het onderhavige geval, partijen niet reeds bij de aanvang van de huur, maar eerst bij gelegenheid van de uitoefening van een optie tot verlenging voor een bepaalde tijd, een nadere huurprijs voor de dan aan te vangen periode zijn overeengekomen, is voor rechterlijk in grijpen op de voet van art. 1632a BW (voorganger van Artikel 7:303 BW, Huurgeschil) geen plaats gedurende de periode waarvoor partijen aldus de huurprijs hebben vastgesteld".

Noot 114
Ktg. Zaandam 17 december 199, WR 1999, 56 m.nt. G.J. Meijer

Noot 116
HR 6 november 1992, NJ 1993, 578, m.nt. P.A. Stein (Meriën/Haverman)

Noot 118
HR 6 september 1996, NJ 1997, 82 (Wassenaar/Haages)

Noot 120
Kamerstukken II, 26 932, nr. 5, p. 14

Noot 122
HR 22 december 1978, NJ 1979, 231, m.nt. P.A. Stein (De Drie Hoefijzers/Van Overbeek; 'de Graanbeurs')

Noot 123
HR 30 januari 1981, NJ 1981, 393, m.nt. P.A. Stein (Heineken/Kreuk; de Pinguin)

Noot 123a
Zie de conclusie van A-G Mr Huydecoper bij de uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 2008, nr. C06/219HR, RvdW 2008, 181.

Noot 123ab
Hoe kun je appels met peren vergelijken? Een onderzoek naar de interpretatie van het begrip “vergelijkbare bedrijfsruimte” uit artikel 7:303 BW, B.J. Mols mei 2006.

Noot 124
Ktg. Arnhem van 8 november 1999, Prg. 2000, 5419, m.nt. P. Abas.

Noot 126
Zie HR 22 april 1983, NJ 1983, 666 (Hart/Curatoren Stronkhorst). HR 20 oktober 1989, NJ 1989, 898 (Le Bastion)' (…) Aan de rechter die over de feiten oordeelt, moet de vrijheid worden gelaten te beoordelen of hij in een dergelijk geval het na heroverweging gehandhaafde, maar niet nader gemotiveerde eindoordeel van deskundigen al dan niet aanvaardt. Soortgelijke overwegingen gelden ten aanzien van 's rechters eigen oordeel over de vraag welke en hoeveel panden in het gegeven geval als 'vergelijkbare bedrijfsruimte' in de berekening van het gemiddelde van de huurprijzen dienen te worden betrokken: of dat oordeel voor nadere motivering vatbaar is en of deze is vereist, hangt eveneens af van de aard en de mate van precisering van hetgeen pp. Omtrent die vraag hebben aangevoerd.'

Noot 128
HR 15 juli 1986, NJ 1987, 20, m.nt. P.A. Stein (American Discount/Allianz)

Noot 130
Kamerstukken II 1969/70, 8875, nr. 6 (Memorie van Antwoord), p. 7

Noot 132
HR 20 oktober 1989, NJ 1989, 898 (Le Bastion)(…) ' Bij deze, aan de rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden beslissingen zal de rechter deskundige voorlichting veelal niet kunnen ontberen. Niet zelden immers zullen de panden welke in aanmerking komen om als 'vergelijkbare bedrijfsruimte' in de berekening te worden betrokken, met het gehuurde één of meer verschillen vertonen. Dat behoeft niet uit te sluiten dat deze panden in aanmerking worden genomen, mits met die verschillen op een in het gegeven geval passende wijze rekening wordt gehouden, maar bij dat laatste zal 'inschatting' door één of meer deskundigen die daarbij hun eindoordeel zullen moeten putten uit ervaring en intuïtie, in de regel onontbeerlijk zijn.'

Noot 134
HR 10 mei 1996, NJ 1996, 670 (Aarhof)'Het door het onderdeel bestreden oordeel van de rechtbank dat het in het geval van grote huurprijsverschillen aanbeveling verdient bij de keuze van de vergelijkingspanden te zoeken naar een evenwichtige verdeling tussen lage en hoge huurprijzen, is in strijd met het wettelijk stelsel. Bij de keuze van de vergelijkingspanden dienen de huurprijzen van de panden buiten beschouwing te blijven'.

Noot 136
Kamerstukken II 1979/80, 15 666, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 6

Noot 138
Kamerstukken II 2000/2001, 26 932, nr. 5 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 13

Noot 140
(HR 28 juni 2002, NJ 2002, 480, m.nt. P.A. Stein en WR 2002, 64 (De Blok/Kühlman Beheer)

Noot 141
Minister De Ruiter lichtte het aantal vergelijkingspanden als volgt toe: Wij hopen dat het niet nodig zal zijn de rechter laten voor te schrijven welke vergelijkingspanden en hoeveel percelen in de vergelijking moeten worden betrokken. Misschien zijn het er soms maar tien; soms kunnen het er ook honderd zijn, of is het heel moeilijk om er twee te vinden.

Noot 142
Handelingen II 22 mei 1975, p. 4585

Noot 144
Ktg. Leeuwarden 3 september 1992, Prg. 1992, 3768

Noot 146
Handelingen II 5 december 1979, p. 135

Noot 148
Hr 10 december1982, NJ 1983, 215 Zie ook HR 19 december 1980, NJ 1981, 266 (Van der Burg/Verbeek)

Noot 150
Ktr. Alphen aan den Rijn 12 juli 2005, WR 2005, 108

Noot 152
HR 10 mei 1996, NJ 1996, 670 (WE/Innovest

Noot 154
Kamerstukken II 1979/80, 15 666, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 6

Noot 156
HR 25 oktober 1985, NJ 1986, 71 (Heineken/Dela)

Noot 158
HR 10 december 1982, NJ 1983, 215, m.nt. P.A. Stein (Heineken/Heerlense Kegelbond)

Noot 160
HR 6 maart 1987, NJ 1987, 971, HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435, Rb. 's-Gravenhage 31 maart 1999, WR 1999, 77, Rb. 's-Gravenhage 31 maart 1999, WR 1999, 77

Noot 161
Master Thesis Ms RE Valuation Amsterdam School of Real Estate. Een onderzoek naar de interpretatie van het begrip “vergelijkbare bedrijfsruimte” uit artikel 7:303 BW, B.J. Mols mei 2006.

Noot 162
Hoge Raad van 9 juli 1990, NJ 1991, 198 (Van der Kloot/Spee) HR 26 april 1996, NJ 1996, 630 (Westduinweg/Konmar) HR 15 juni 2001, NJ 2001, 478 (Van Oest/Redevco) HR 6 september 1996, NJ 1997, 82, m.nt. P.A. Stein (Wassenaar/Haages) HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 120 (Ossentjuk) HR 11 februari 2000, NJ 2000, 276 (WE Vastgoed/Van Rooijen) (…) is in de slotzin van art. 7A:1632a lid 2 BW (voorganger van Artikel 7:303 lid 3 BW, Huurgeschil) bepaald dat de rechter een vordering tot huurverhoging zal afwijzen, voorzover zij op zodanige verbeteringen is gegrond. Dit komt kort gezegd hierop neer, dat bij het vaststellen van de huurprijs deze verbeteringen buiten aanmerking moeten worden gelaten.'

Noot 164
HR 11 februari 2000, NJ 2000, 276 (WE Vastgoed/Van Rooijen)

Noot 166
HR 9 juli 1990, NJ 1991, 198 (Van der Kloot/Spee).

Noot 168
Zie ook: HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 120 (Ossentjuk)

Noot 170
HR 26 februari 1993, NJ 1993, 318 (Gamba/Mespan II)

Noot 172
HR 23 oktober 1998, NJ 1998, 872 (Reiters/Heineken).

Noot 174
HR 8 juni 1991, NJ 1991, 763 (Krijnen/Eemnes)

Noot 176
HR 9 juli 1990, NJ 1991, 198 (Van der Kloot/Spee), 26 april 1996, NJ 1996, 630 (Westduinweg/Konmar), HR 6 september 1996, NJ 1997, 82 (Wassenaar/Haages) en HR 15 juni 2001, NJ 2001, 478 (Van Oest/Redevco).

Noot 178
HR 27 juni 1974, NJ 1974, 513, (Liberty/Michaels) m.nt. G.J. Scholten

Noot 180
HR 8 juli 1991, NJ 1991, 763 (Krijnen/Eemnes)

Noot 182
HR 11 februari 2000, NJ 2000, 276 (WE Vastgoed/Van Rooijen)

Noot 184
HR 24 februari 1984, NJ 1984, 787, m.nt. P.A. Stein (Nieuwland/Nierop en Slothouber)

Noot 186
HR 10 mei 1996, NJ 1996, 670, m.nt. P.A. Stein (Aarhof)

Noot 188
HR 11 oktober 1985, NJ 1986, 40 (Omega Schoenen/Monisima)'Aan de hand van de referentieperiode moet de huurprijs opnieuw nader worden vastgesteld. Voor de tijd die verstrijkt sedert het einde van de referentieperiode tot de dag waarop de huurprijs opnieuw nader wordt vastgesteld, heeft de wetgever geen voorziening getroffen en in de wetsgeschiedenis is geen aanwijzing te vinden dat de rechter ook nog rekening moet houden met 'de ontwikkeling van het prijspeil' gedurende de aldus verstreken tijd'.

Noot 190
(HR 18 januari 1991, NJ 1991, 609 (Inden/Commandeur)

Noot 192
Het bewuste tekstfragment luidt: 'het gemiddelde van de huurprijzen van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse' telkens óók de huurprijzen 'van het object waarvan de nadere huurprijsvaststelling aan de orde is' dient te worden betrokken, omdat alleen aldus recht wordt gedaan aan de maatschappelijke werkelijkheid en de billijkheid. Of de voor deze stelling aangevoerde grond juist is, moet in het midden blijven omdat het door Commandeur verdedigde systeem wezenlijk afwijkt van de vergelijkingsmethode welke blijkens de tekst en geschiedenis van bedoelde wetsbepalingen door de wetgever als juist is aanvaard'.

Noot 194
HR 26 september 1997, NJ 1998, 19 (Van der Heijden/Beckers)

Noot 196
Ktg. Leeuwarden 3 september 1992, Prg. 1992, nr. 3768

Noot 198
Kamerstukken II 1999/2000, 26 932, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 9.'Het vierde lid geeft een nadere bepaling betreffende de datum van ingang van de nieuwe huurprijs. Het is wenselijk dat de rechter hier een zekere vrijheid toekomt, waarbij rekening gehouden kan worden met de omstandigheden van het geval. Indien de huurder eventuele onderhandelingen heeft getraineerd, kan de rechter bepalen dat de huurverhoging ingaat op een eerder tijdstip dan het instellen van de vordering. Indien door de lange duur van de procedure, die mede aan de verhuurder te wijten kan zijn, anders de na te betalen huur te hoog zou oplopen, kan een ingangstijdstip na het instellen van de vordering gerechtvaardigd zijn. Toegevoegd is de mogelijkheid van een geleidelijke verhoging, waardoor de bezwaren die een schoksgewijze huurverhoging voor kleine bedrijven kunnen hebben, kunnen worden ondervangen'.

Kamerstukken II 2000/01, 26 032, nr. 5 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 13-14

Noot 199
Rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg van 26 mei 2005, WR2006-02, bladzijde 45.

Noot 199a
Rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam 24 juni 2004, WR2006-02, bladzijde 49

Noot 200
HR 18 januari 1991, NJ 1991, 609 (Inden/Commandeur) 'Weliswaar past bij de opzet en de bewoordingen van (…) dat een (…) nader vastgestelde huurprijs in de regel ingaat (…), maar dat betekent niet dat het de rechter niet vrijstaat om die huurprijs op grond van bijzondere omstandigheden desverzocht op een later tijdstip te doen ingaan. (…). Aangenomen moet daarom worden dat de rechter zijn bevoegdheid daartoe enkel desverzocht mag uitoefenen en dan nog slechts indien de wederpartij voldoende gelegenheid heeft gehad zich over een zodanig verzoek uit te laten.'

Noot 202
Kamerstukken II 2000/01, 26 932, nr. 5 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 14

Noot 204
Ktg. Groningen 15 mei 1996, Prg. 1998, 5022. Voorlopige voorziening getroffen in incident in een 'normale' huurprijsvaststellingsprocedure

Noot 206
HR 24 augustus 1981, NJ 1982, 122, m.nt. P.A. Stein (Etam/Neeter)

Noot 208
HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435 (WE Vastgoed/VIB Nederland)'Ook al blijkt pas na afloop van de desbetreffende procedure welke huurprijs is verschuldigd, dit neemt niet weg dat de aldus verschuldigde huurprijs verschuldigd is met ingang van de dag waarop de rechter die wijziging doet ingaan en de gewijzigde huurtermijnen derhalve opeisbaar zijn op de na die dag verschenen vervaldagen.'

Noot 210
Kamerstukken II 2000/01, 26 932, nr. 5 (Nota n.a.v. het verslag), p. 16

Noot 211
Rechtbank Amsterdam, sector kanton. locatie Amsterdam 21 november 2005, WR2006-02, bladzijde 54

Noot 211a
Rechtbank Amsterdam, sector kanton. locatie Amsterdam 25 september 2007, WR2008-02, bladzijde 77

Noot 212
Kamerstukken II 2000/01, 26 932, nr. 5 (Nota n.a.v. het verslag), p. 17

Noot 214
NJ 1999, 642 m.nt. P.A. Stein (Horewa/Schoenverkoop)

INDEPLAATSSTELLING

Noot 215
HR 16 juni 1995, NJ 1995,582.

Noot 215a
Pres. Rb. Arnhem 6 maart 1997,KG 1997, 134; Ktr. Dordrecht 6 februari 1997, WR1997, 68; Rb.Amsterdam 4 maart 1998, WR 1998, 60 en HR 12 februari 1999, NJ 1999, 366.

Noot 216
Kamerstukken II 1966/67, 8875, nr. 3, p. 9, 14 (Memorie van Toelichting).

Noot 218
Rb. Haarlem van 23 december 1975, NJ 1976, 390.

Noot 220
Hof Amsterdam 14 april 2005, WR 2005, 82.

Noot 222
(Ktg. Amsterdam 4 september 1998, WR 1999, 35).

Noot 224
Rb. Utrecht 18 april 2003, KG 2003, 126, WR 2004, 270.

Noot 226
HR 16 juni 1995, NJ 1995, 582 (Andelbeek/Tordjman).

Pres. Rb. Arnhem 6 maart 1997, KG 1997, 134. In deze uitspraak wordt een vordering van een curator afgewezen om een makelaarskantoor als huurder in de plaats te mogen stellen van een gefailleerde horeca-ondernemer. Het makelaarskantoor is niet van plan het café zelf te gaan exploiteren, maar wil de exploitatie overlaten aan een derde, aan wie het bedrijf wil verkopen.

Rb. 's-Gravenhage 28 januari 2002, KG 2002, 51. Onvoldoende aangetoond dat bedrijf wordt voortgezet. Bar-dancing zou Turks café worden.

Noot 228
Hof Amsterdam 12 augustus 2004, WR 2005,81.

Noot 230
Hoge Raad 16 juni 1995, NJ 1995, 582 (Andelbeek/Tordjman).

Noot 232
Rb. Amsterdam van 4 maart 1998, WR 1998, 60. Rb. Amsterdam 4 maart 1998, WR 1998, 60. 'De strekking van dit artikel is om een huuroverdracht mogelijk te maken in verband met de overdracht van een bedrijf. Evenmin als het artikel uitsluit dat een huurder die in het gehuurde niet zelf zijn bedrijf uitoefent de in dit artikel bedoelde machtiging vordert (HR 8 mei 1992, NJ 1992, 690), wordt daardoor uitgesloten dat machtiging verleend wordt in een geval dat de in de plaats gestelde huurder die het bedrijf overneemt, de bedrijfsruimte aan derden wenst onder te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen. Of die machtiging verleend kan worden is afhankelijk van de aard van de huurovereenkomst, de daarbij door partijen gemaakte afspraken en de overige bij een op de voet van Artikel 7A:1635 BW (voorganger van 7:307 BW, Huurgeschil) te nemen beslissing in aanmerking te nemen omstandigheden.'

Noot 234
HR 8 februari 1991, NJ 1991, 297 (De Beus/Dommerholt) Het niet verlenen van toestemming voor een indeplaatsstelling is het goed recht van de verhuurder en levert dus geen wanprestatie op; ook niet als de rechter vervolgens daarvoor op vordering van de huurder wel machtiging geeft.

Noot 236
Hr 12 februari 1999, NJ 1999,366 (Vrasdonk/Koster). Door op 21 februari 1991 de indeplaatsstelling te vorderen nadat op 1 januari 1991 de bedrijfsoverdracht had plaatsgevonden, heeft huurster snel genoeg het nodige gedaan om tot huuroverdracht te geraken. RB. Alkmaar 3 april 1997, WR 1997,67. De huurder die al 15 jaar geleden zijn eenmanszaak in een besloten vennootschap heeft ingebracht kan geen indeplaatsstelling vorderen.

Noot 238
HR 14 april 2000, NJ 2000, 408 en 409 (Heinsma/De Vries).

Noot 240
Hoge Raad 7 april 1989, NJ 1989, 552 (Hommen/Esplanade Eindhoven).

Noot 242
Hof Amsterdam 15 juli 1993, NJ 1994, 399, KG 1993, 31. Voor gebruikmaking van deze opzeggingsbevoegdheid (als vermeld in artikel 39 FW) is geen plaats als niet-nakoming van zijn verplichtingen door de huurder - ondanks de faillissementssituatie - redelijkerwijs niet te verwachten is.

Noot 244
Prs.Rb. Amsterdam, 29 november 1994, KG 1994, 450.

Noot 246
Hof Amsterdam 14 april 2005, WR 2005, 82.

Noot 248
Kamerstukken II 2000/01, 26 932, nr. 5, p. 20.

Noot 250
Kamerstukken II 1966/67, 8875, nr. 3, p. 16 (Memorie van Toelichting).

Noot 252
Rb. 's-Gravenhage 28 januari 2002, KG 2002, 51. Hierbij werd geoordeeld dat het ondernemingsplan niet sluitend was, er was onvoldoende informatie over de financiële positie en er was onvoldoende gebleken dat kandidaat voldoende verhaal biedt. Twijfel aan behoorlijke bedrijfsvoering wegens overtredingen Drank- en horecawet.

Noot 254
Rb. Amsterdam 26 augustus 2003, WR 2003, 76. Het aanbod van een bankgarantie van drie maanden huur en daarnaast een concerngarantie van de moedermaatschappij van de nieuwe huurder werd als 'alleszins passend' aangemerkt.

Noot 256
Memorie van Antwoord, Tweede Kamer 1969/70, 8875, nr. 6, p. 11 en 12.

Noot 258
Ktg. Amsterdam 30 augustus 1995, WR 1996, 11.

Noot 260
Hof 's-Gravenhage 21 februari 1985, NJ 1987, 776.

Noot 262
Hof Amsterdam 11 januari 2001, Prg. 2003, 6060.

Noot 264
Hoge Raad 12 mei 1995, NJ 1995, 497; Hartje Stad/Arnoe.

Noot 266
HR 11 februari 1994, NJ 1998, 651.

Noot 268
Hof Arnhem 18 maart 2003, WR2003,49.

Noot 270
Dozy en Jacobs, pagina 450.

Noot 272
Kamerstukken II 1966/67, 8875, nr 3 (MVT), p. 9, onder 14a.

Noot 274
Hof 's-Hertogenbosch 18 juli 1995, NJ 1996, 289, Prg. 1995, 4410 Vervolg op HR 8 mei 1992, NJ 1992, 690 (Schuitema/De Vestingwachter).

Noot 276
HR. 4 oktober 2002, NJ 2002, 611 (BP/Groenendijk).

Noot 278
Kamerstukken II 1967/68, 8875, nr. 3 (MvT), p. 16.

Noot 280
Ktg. Amsterdam 17 mei 1974, Prg. 1974, 917 en 996. Voorwaarde dat de 'nieuwe' huurder zich garant stelt voor voldoening van de sedert de faillietverklaring van de oude huurder vervallen huurpenningen.

Rb. Groningen 10 november 1995, WR 1996, 60. Huurster die haar bedrijf om fiscale en pensioentechnische redenen in een besloten vennootschap wil inbrengen wordt daartoe gemachtigd op voorwaarde dat zij zich persoonlijk garant stelt voor de betaling van de huurpenningen gedurende een periode van vijf jaren na de oprichting en dat gedurende die periode geen wijziging zal komen in de directie van die vennootschap en de aandelen hiervan niet in andere handen zullen overgaan.

Rb. Zutphen 9 april 2002, WR 2003, 17. Toewijzing vordering op drie voorwaarden: bankgarantie van 3 maandhuren, schriftelijke verklaring van de kandidaat omtrent toekomstig gebruik en cessie van een vordering.

Noot 282

Noot 284