De VVE en verhuring van appartementen

De vereniging van eigenaren maakt bezwaar tegen het verhuren van een appartement

De casus>>

Een appartementsgerechtigde verhuurt een appartement. Het appartement maakt deel uit van een vereniging van eigenaren, bestaande uit 3 appartementseigenaren. Nu heeft één van de appartementseigenaren bezwaar tegen verhuring van een appartement in het complex waarvan dit verhuurde appartement deel uitmaakt. Kan een vereniging van eigenaren bezwaar tegen de verhuring maken?

Bevoegdheid tot verhuur>>

Het appartementsrecht geeft de eigenaar een aandeel in de eigendom van het complex, waarin het appartement zich bevindt. Verder geeft het appartementsrecht een exclusief zakelijk gebruiksrecht van bepaalde gedeelten van het gebouw (en de grond) waarin het bewuste appartement zich bevindt. Het exclusieve zakelijke gebruiksrecht betreft in ieder geval het bewuste appartement waarvan de appartementsgerechtigde eigenaar is (artikel 5:106 lid 4 BW).
Het appartementsrecht staat dus niet los van de eigendomsrechten van de andere appartementsgerechtigden in het complex. De appartementsgerechtigde heeft aldus rekening te houden met de rechten van de andere appartementsgerechtigden en dient zich te houden aan de overeengekomen regels ter zake van de gemeenschappelijke eigendom.
Voorop staat het bepaalde in artikel 5:120 BW. Een appartementseigenaar is bevoegd zijn appartement aan een ander in gebruik te geven. Of dit nu een huur- of gebruiksovereenkomst, is maakt daarvoor niet uit. De Vereniging van Eigenaren (VVE) kan het enkele verhuren in beginsel niet verbieden. De rechtbank Groningen, sector civiel recht, gaf in alinea 5.3.1 van haar vonnis van 9 juni 2010 LJN: BM7306, rechtbank Groningen, 114360 de volgende nuancering op deze regel. Volgens de rechter volgt uit artikel 5:120 lid 1, aanhef BW in verbinding met artikel 5:112 lid 4 BW niet dat een verhuurverbod dat is opgenomen in de splitsingsakte en gepubliceerd in de openbare registers ongeoorloofd is. Er kunnen immers bij reglement (mits via de splitsingsakte in de openbare registers opgenomen) regels worden gesteld omtrent het gebruik van de afzonderlijke appartementen.
In deze zaak ging het om een eigenaar die van deze beperking op de hoogte was bij het verwerven van een appartement, doch desondanks dit appartement wilde gebruiken om kamers aan studenten te verhuren. De rechter was daarom van mening dat deze eigenaar, nu hij volledig was ingelicht over de zich voordoende beperkingen aan het appartement bezwaarlijk ná zijn beslissing tot aankoop van dit appartement kan klagen dat hij beperkingen ondervindt. Een dergelijke ongeoorloofde inbreuk zou zich eerst voordoen indien een appartementseigenaar ná verkrijging van de eigendom geconfronteerd wordt met een verhuurverbod.
De rechtbank Rotterdam was in haar vonnis van 7 september 2011 LJN: BR7083, rechtbank Rotterdam, 302077/HA ZA 08-562 van mening dat de eigenaar van een appartement, die het appartement in strijd met het splitsingsreglement als kamerverhuurbedrijf gebruikte, dit gebruik diende te beëindigen. In dit vonnis werden de eisende partijen (de vereniging van eigenaren) in rechtsoverweging 3 toegelaten tot het bewijs dat er sprake was van een kamerverhuurbedrijf in de appartementen. Er was hier sprake van verschillende verenigingen van eigenaren, waarvan één lid van een vereniging diverse appartementen binnen de verschillende gebouwencomplexen bezat. Als de vereniging van eigenaren zou slagen in dit bewijs dan zou dit gebruik beëindigd dienen te worden. Ook het verhuren van het appartement met woonbestemming door de eigenaar tegen betaling aan toeristen (short stay verhuring) wordt als bedrijfsmatige exploitatie van het appartement gezien. Dit geldt ook als in het splitsingsreglement niets is vermeld over een beperking voor wat betreft ingebruikgeving aan derden. De regels in het splitsingsreglement ten aanzien van een gebruikersverklaring, waarmee de gebruiker te kennen geeft te voldoen aan de in het splitsingsreglement opgenomen voorwaarden, zijn praktisch onuitvoerbaar bij ingebruikgeving van het appartement voor korte periode zoals bijvoorbeeld slechts voor een weekend. Dit (bedrijfsmatig) gebruik is daarom wel degelijk in strijd met het splitsingsreglement ( Nieuwsbrief Rijssenbeek advocaten nummer 2013.12, september 2013).
Op zichzelf lijkt dit in lijn van artikel 5:120 BW. Het verhuren van het appartement als kamerverhuurbedrijf geeft aan het appartement een bedrijfsbestemming. Het lijkt mij juist dat het splitsingsreglement hierover beperkingen op kan leggen. Voorts dient de vereniging van eigenaren op grond van artikel 5:126 lid 3 BW er voor zorg te dragen dat de appartementsgerechtigden zich houden aan de verplichtingen die uit het splitsingsreglement voortvloeien.

Reglement >>

In hoeverre is de huurder van een appartement gehouden om met het appartementsrecht samenhangende voorschriften omtrent het gebruik van het appartement/privégedeelte en de gemeenschappelijke gedeelten rekening te houden?

Deze vraag werd beantwoord in het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2012 LJN: BU8174, Hoge Raad, 10/03328 . De conclusie van mr. E.B. Rank-Berenschot bij dit arrest is verhelderend. Ik verwijs graag naar de conclusie. Hierbij heb ik de relevante onderdelen van deze conclusie opgenomen.

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een tweetal regels.

1. Het splitsingsreglement op grond van de splitsingsakte
Op grond van artikel 5:111 aanhef en sub d BW dient de splitsingsakte een reglement in te houden, waartoe ook geacht worden te behoren de bepalingen van een nauwkeurig aangeduid en ingeschreven modelreglement (hierna: het splitsingsreglement). Ingevolge artikel 5:112 aanhef en onder c BW dient het splitsingsreglement onder meer een regeling te bevatten omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten, terwijl er ook een dergelijke regeling ten aanzien van de privégedeelten in kan worden opgenomen (artikel 5:112 lid 4 BW).
De voorschriften van het splitsingsreglement zijn van rechtswege van toepassing mede van toepassing zijn op de posterieure huurder (artikel 5:120 lid 2 en 3 BW). Een ná het tot stand komen van de huurovereenkomst ingeschreven reglementsbepaling geldt niet ten aanzien van de huurder, tenzij hij daarin heeft toegestemd; weigert hij die toestemming of verklaart hij zich niet, dan kan iedere appartementseigenaar de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de reglementsbepaling ten aanzien van de huurder komt te gelden (artikel 5:120 lid 3 BW). De VvE kan in eigen naam tegen de huurder optreden om nakoming van de verplichtingen uit het splitsingsreglement te vorderen (artikel 5:126 lid 3 BW).

2. Huishoudelijk reglement
Daarnaast is ingevolge artikel 5:128 lid 1 BW de vergadering van eigenaars bevoegd aanvullende regels te stellen betreffende het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten. Deze regels kunnen niet derogeren aan bepalingen van het splitsingsreglement.
Deze gelden niet van rechtswege tegen de huurder, onverschillig of zij voor of na de aanvang van zijn recht tot stand zijn gekomen. Artikel 5:128 lid 2 BW bepaalt dat iedere eigenaar de huurder kan vragen om te verklaren of hij bereid is die regels na te leven. Als de huurder daartoe niet bereid is of zich niet verklaart, dan kan de kantonrechter op verzoek van iedere eigenaar beslissen dat de regels ten aanzien van de huurder komen te gelden.

Het splitsingsreglement moet dus worden onderscheiden van een eventueel huishoudelijk reglement. Het eerste kan steeds worden tegengeworpen aan een posterieur huurder (artikel 5:120 lid 2 en 3 BW), het laatste geldt in beginsel niet tegen een huurder. In de praktijk wordt veelal in de huurovereenkomst tussen de appartementseigenaar/verhuurder en de huurder overeengekomen dat laatstgenoemde (het splitsingsreglement en) het huishoudelijk reglement zal naleven. Daarmee kan de appartementseigenaar/verhuurder voorkomen dat hij 'klem' komt te zitten tussen enerzijds het appartementsrecht zoals dat geldt tussen hem en de overige eigenaren/VvE en anderzijds het huurrecht zoals dat geldt tussen hem en de huurder.

In het geval dat er sprake is van een huishoudelijk reglement en dat de inhoud van dat huishoudelijk reglement geen deel uitmaakt van de huurovereenkomst, kan de huurder niet worden gedwongen deze bepalingen na te leven. Dit geldt met name als het huishoudelijk reglement niet deel uitmaakt van het splitsingsreglement of enig modelreglement waarnaar in het splitsingsreglement wordt verwezen. Dat laatste is mogelijk als het reglement op grond van artikel 5:139 lid 5 BW is neergelegd in een notariële en ingeschreven akte.

Modelreglement 1992>>

In het meest gehanteerde huishoudelijk reglement, het modelreglement 1992, is alleen de beperking opgenomen dat de huurder een verklaring moet ondertekenen, waarin hij zich bereid verklaart zich aan de bepalingen van het huishoudelijk reglement van de VVE te zullen houden. Zou de huurder deze verklaring niet tekenen, dan kan de VVE hiervoor in het uiterste geval de ontruiming van het appartement vorderen. In artikel 28 van het modelreglement 2006 is geregeld dat de gebruiker en/of de eigenaar van appartementsrecht gehouden is het privé gedeelte te onderhouden. Het onderhoud van het gemeenschappelijke gedeelte van het complex woningen waarin de appartementen zich bevinden komen voor rekening van de gemeenschappelijke eigenaars. Als er onderhoud uitgevoerd moet worden zullen de gezamenlijke eigenaren daarover een besluit moeten nemen.

Verhuring van een parkeerplaats bij koopappartementen >>

Het is mogelijk dat door de verkoper van een appartementsrecht de koper dwingt een parkeerplaats behorend bij het appartement te huren. Dit kan bijvoorbeeld worden vereist vanwege stedenbouwkundige redenen.
Het eigendomsbewijs van het appartementsrecht kan dan verwijzen naar een splitsingsakte. In de splitsingsakte kan dan bijvoorbeeld de volgende bepaling worden opgenomen. In dit voorbeeld ga ik ervan uit dat het wooncomplex uit 100 appartementen bestaat.

“Iedere koper van één van de hiervoor vermelden 100 appartementsrechten zal worden verplicht om per woonappartement één van de 100 aanwezige parkeerplaatsen te huren. Voormelde 100 woonappartementen zullen niet mogen worden verkocht (en geleverd) dan wel op andere wijze in eigendom overgaan, anders dan in combinatie met één van voormelde 100 parkeerplaatsen, tenzij er sprake is van ruiling onderling, in wel laatstbedoeld geval voor wat betreft voormelde tot verhuur bestemde parkeerplaatsen steeds schriftelijk toestemming van de eigenaar van laatstbedoelde parkeerplaatsen zal zijn vereist”.

Bovengenoemde bepaling wordt ook wel een kwalitatief recht met een daarbij behorende verplichting genoemd.
In het eigendomsbewijs van het appartement kan een kwalitatieve verplichting zijn opgenomen. Wettelijke is dit mogelijk. De mogelijkheid om kwalitatieve rechten en verplichtingen op te leggen is geregeld onder artikel 6:252 BW. Kwalitatieve rechten zijn rechten die in zodanig verband met een zaak staan, dat men daarbij slechts belang heeft zolang men de zaak behoudt. Dit is uiteraard een parkeerplek behorend bij een appartement. Bij overdracht van deze zaak gaat het kwalitatieve recht over op de nieuwe eigenaar.

Verplichtingen gaan niet over op de nieuwe verkrijger. De verplichtingen gelden echter wel voor de contractspartij. Bijvoorbeeld een verplichting om het gras van een stuk grond te maaien.

Consequenties voor het huurrecht

De huur van een parkeerplek kan dus zijn verbonden aan een appartementsrecht, zodat de huur niet volgens de normale regels van artikel 7:228 BW kan eindigen. De appartementseigenaar moet daarop bedacht zijn. Als men een koper treft die wel het appartement wenst te kopen, maar niet de parkeerplek wenst te huren, dan kan het kwalitatieve recht de verkoop van het appartement in de weg staan. De appartementseigenaar kan deze huurovereenkomst dus niet opzeggen. Dit is toch zuur als de eigenaar het appartement niet eenvoudig krijgt verkocht en verkoop wél plaats zou kunnen vinden zonder de daarbij horende gehuurde parkeerplaats.

De verenging van eigenaren kan de eigenaren van de appartementen dus verplichten een parkeerplaats te huren.

Verhuring van parkeerplaatsen bij appartementen
In een zaak die heeft geleid tot een uitspraak op 28 november 2012 door de kantonrechter te Breda, locatie Berg op Zoom LJN: BY4484,sector kanton Rechtbank Breda, 720829 ov 12-2218 werd beslist dat op een afwijkend “gedoogbeleid” van de VVE door één van de appartementsgerechtigden geen beroep kon worden gedaan.
De casus luidde als volgt. Tijdens een vergadering van de VVE is het volgende onderwerp aan de orde geweest: een aantal eigenaren van een appartementsrecht met het gebruiksrecht op een parkeerplaats, verhuurt een parkeerplaats aan derden, niet zijnde een eigenaar of gebruiker van een ander appartementsrecht in het onderhavige complex. De VVE heeft, na constatering dat dit niet overeenkomt met artikel 35 lid 7a van het reglement, besloten om aan dit gebruik een einde te maken wanneer de huidige daaromtrent gesloten overeenkomsten expireren.
Een appartementseigenaar vocht dit besluit aan bij de rechter en legde aan zijn verzoek ten grondslag dat dit besluit bloot staat aan vernietiging. Volgens deze appartementsgerechtigde was het besluit vernietigbaar wegens strijd met het opgewekte vertrouwen en rechtsverwerking alsmede omdat het besluit in strijd is met artikel 7 lid 4 van het huishoudelijk reglement.

In rechtsoverweging 3.7 van het vonnis was de rechter van mening dat rechtsverwerking niet aan de orde is. Volgens de rechter was de bepaling in artikel 35 lid 7a van het reglement duidelijk: er mag niet worden verhuurd aan externe derden. De VVE heeft betwist dat zij er al vijf jaren van op de hoogte was, dat de bewuste appartementsgerechtigde verhuurde aan een externe derde. De VVE stelde dat zij tot anderhalf à twee jaar terug ervan uitging dat de betreffende parkeerplaatsen werden verhuurd aan de gebruikers van het aan de appartementsgerechtigde toebehorende appartementsrecht. De VVE heeft hierbij onbetwist gesteld dat de appartementsgerechtigde niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 35 lid 1 van het reglement (zoals opgesomd onder 3.1 sub d), zodat het voor haar niet duidelijk was aan wie de appartementsgerechtigde de parkeerplaatsen verhuurde. Een verhuur aan een derde is immers wel toegestaan, enkel de verhuur aan een externe derde is niet toegestaan op grond van het bepaalde in het reglement. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Er zijn geen bijzondere omstandigheden komen vast te staan als gevolg waarvan hetzij bij de appartementsgerechtigde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de VVE haar aanspraak ter zake van artikel 35 lid 7a van het reglement niet (meer) geldend zou maken, hetzij de appartementsgerechtigde in haar positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de VVE haar aanspraak alsnog geldend maakt. In het onderhavige geval heeft te gelden dat de appartementsgerechtigde bekend was, althans had moeten zijn, met het bepaalde in voornoemd artikel van het splitsingsreglement. Dat hij op een gegeven moment, in strijd met het bepaalde in het reglement, is gaan verhuren aan een externe derde, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.
Het verweer van de eigenaar, dat ook andere eigenaars aan externe derden verhuren, ging ook niet op. Die eigenaren zullen zich immers ook aan het reglement moeten houden.
De rechter was daarom van mening, dat niet is gebleken, dat de VvE in redelijkheid en billijkheid niet tot het bewuste besluit kon komen. Het verzoek tot vernietiging werd daarom afgewezen.

Verhuring van een parkeerplaats bij huurappartementen

De verhuurder van een appartement kan de huurder verplichten een parkeerplaats bij het appartement te huren.
De rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam heeft in haar uitspraak van 16 maart 2006, WR2006-06, bladzijde 205, bepaald dat de verhuurder een beding mocht maken in de huurovereenkomst van de parkeerplaats inhoudende dat de huurovereenkomst van de parkeerplaats alleen beëindigd mocht worden tezamen met beëindiging van de huurovereenkomst met de huurwoning. Onderstaand wordt de situatie uitgelegd om deze redenering te kunnen volgen.

De feiten

De huurder had een appartement gehuurd in een bepaald appartementencomplex. De huurder huurde vanaf dezelfde ingangsdatum van het appartement een parkeerplaats nabij het appartementencomplex. In de huurovereenkomst van de parkeerplaats stond een bepaling opgenomen inhoudende dat de huurovereenkomst van de parkeerplaats onlosmakelijk was verbonden aan de huurovereenkomst van de woning. Beide overeenkomsten waren niet los van elkaar te beëindigen.
De huurder had zelf geen auto, maar de algemene ledenvergadering van de woonvereniging had onderverhuring van de parkeerplaats toegestaan.
De huurder had de huur van de parkeerplaats opgezegd op grond van artikel 7:264 BW (onredelijk voordeel door de verhuurder).

Overwegingen van de kantonrechter

Allereerst was de kantonrechter van mening dat het partijen door de contractsvrijheid vrij staat een dergelijk beding in de huurovereenkomst op te nemen.
Voorts was er volgens de kanonrechter geen sprake van een onredelijk voordeel nu de parkeerplaats tegen een redelijke vergoeding beschikbaar werd gesteld.
Het is niet ongebruikelijk dat naast de woning tevens een parkeerplaats wordt verhuurd. Dat de parkeerplaats niet voor de woning van de huurder is gelegen maakt dit niet anders.
De huurder had niet weersproken dat de verhuurder uitvoering overleg heeft gehad met de woonvereniging over koppelverhuur en dat de leden uiteindelijk met de koppelverhuur hebben ingestemd. De huurder had niet gesteld dat zij noodzakelijk op de door haar gehuurde woning was aangewezen en had er dus voor kunnen kiezen om een andere woning te huren.
De verhuurder was de huurders, die geen auto hebben, tegemoet gekomen door onderhuur van de parkeerplaats aan derden voor dezelfde prijs toe te staan. De stelling van de huurder dat de verhuurder de parkeerplaats vrijelijk kon verhuren ging niet op, omdat de verhuurder altijd er voor moet zorgen dat zich bij de woning een parkeerplaats bevindt.
De parkeerplaatsen waren bovendien niet vrij toegankelijk, doordat deze enkel via een sleutel of via een magneetsysteem zijn te bereiken.
Op grond van het bovenstaande kon een beroep op nietigheid van dit beding niet slagen, aldus de rechter.
Als de overwegingen in bovengenoemde situatie niet op een andere individuele situatie aansluiten, kan de uitkomst anders zijn. Het valt te bedenken dat de situatie anders zou liggen als onderhuur niet zou zijn toegestaan.

Gebreken het verhuurde appartement

Als een gebrek in het appartement zich voordoet, dan zal eerst beoordeeld dienen te worden voor wiens rekening herstel plaats dient te vinden. Als er sprake is van kleine herstellingen dan komt het gebrek voor rekening van de huurder. Is er sprake van een gebrek dat niet als kleine herstelling gekwalificeerd kan worden, dan is de verhuurder gehouden dit gebrek op eerste verzoek van de huurder te verhelpen. Herstel door de verhuurder of de huurder is mogelijk als het gebrek zich in het privé gedeelte bevindt.

De verhuurder van een appartement ondervindt een probleem met herstel van een gebrek, waarvan de huurder hinder ondervindt, als dit gebrek zich voordoet in het gemeenschappelijke deel met een uitstralend effect in het door de huurder gehuurde appartement. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van lekkage van een standleiding, waardoor er in het appartement lekkage en/of schimmelvorming ontstaat. De kosten van zowel het verhelpen van de verstopping als het vervangen van een standleiding zijn voor rekening van de VVE. Aan een verstopping en de veroudering van de standleiding dragen alle deelnemers van de VVE bij in de kosten.

De verhuurder en/of de huurder mag niet op eigen gelegenheid tot herstel van de gebreken aan de gemeenschappelijke ruimte overgaan. De bevoegdheid tot herstel van een gebrek in de gemeenschappelijke ruimte ligt immers bij de gezamenlijke eigenaren.

Er doet zich geen probleem voor als door de verhuurder een verzoek tot herstel aan de VVE wordt gedaan en dit verzoek wordt tijdig opgepakt. Er doet zich wel een probleem voor als door de VVE wordt geweigerd een urgent probleem direct op te lossen. De huurder komt immers niet het zelfklusrecht toe op grond van artikel 7:206 lid 3 BW. Er is immers in het voorbeeld van de lekkage aan de standleiding weliswaar door het effect van de lekkage in de woonruimte sprake van een gebrek aan het gehuurde, doch de oorzaak van het gebrek bevindt zich niet in het gedeelte waarvan de eigenaar en/of de huurder het exclusief gebruiksrecht heeft. Volgens met modelreglement 2006 is de huurder en/of de eigenaar niet bevoegd om wijzigingen aan de gemeenschappelijk ruimten aan te brengen (artikel 22 modelreglement 2006).

In het voorbeeld van de lekkage aan de standleiding is er sprake van een gebrek aan het gehuurde als er water in het gehuurde stroomt, of als er schimmelvorming in het gehuurde ontstaat. Er is namelijk sprake van een gebrek aan het gehuurde als het voorgespiegelde huurgenot bij aanvang van de huurovereenkomst gedurende de huurperiode niet wordt gecontinueerd. Door dit effect op het gehuurde is het mogelijk huurverlaging te vorderen. Op het moment dat de VVE besluit om het gebrek (voorlopig) niet te laten herstellen is de rol van de huurder min of meer uitgespeeld. De huurder kan immers niet optreden in de vergadering van eigenaren. De verhuurder/eigenaar dient op grond van artikel 5:130 BW in verbinding met artikel 2:15 BW een beroep op vernietiging van het besluit te doen. Op grond van artikel 5:130 BW moet het besluit binnen een termijn van een maand worden vernietigd. Dit betreft een vervaltermijn. Na verstrijken van deze termijn is vernietiging niet meer mogelijk. De termijn vangt aan vanaf het moment dat de eigenaar/verhuurder van het besluit op de hoogte is gebracht, of van het besluit op de hoogte had kunnen zijn.
De huurder kan wel de verhuurder dwingen om deze stappen naar de VVE onder verbeuring van een dwangsom te dwingen om actie naar de VVE te ondernemen. Als de verhuurder wel actie naar de VVE onderneemt, maar de VVE vertraagt de zaak, dan zal de verhuurder weinig verweten kunnen worden.
Als de VVE echter niets doet en weigert een besluit te nemen, dan kan er van de verhuurder/eigenaar actie worden verlangd. Op grond van artikel 5:121 BW kan de eigenaar immers de kantonrechter verzoeken machtiging te verlenen die in de plaatst treedt van het besluit van de VVE. Deze weg is ook mogelijk als er binnen korte termijn door de VVE een besluit genomen moet worden en dit besluit wordt door de VVE niet genomen. Als er door de VVE een besluit wordt genomen om de werkzaamheden wel uit te voeren, doch slechts binnen bepaalde termijn, dan dient de eigenaar/verhuurder dit besluit op grond van artikel 5:130 BW te vernietigen.
Mr. M.J.J. Nijenhof is van mening dat de verhuurder/eigenaar problemen aan gemeenschappelijke delen van het complex, die effect hebben op het overeengekomen huurgenot zo snel mogelijk door moet spelen naar de VVE en moet de VVE vergewissen van het effect van het gebrek voor zijn huurder.

Updates>>

  • Bijgewerkt 15 september 2011, rechtbank Rotterdam vonnis van 7 september 2011 LJN: BR7083, Rechtbank Rotterdam, 302077/HA ZA 08-562 . De eigenaar van een appartement, die dat het appartement in strijd met het splitsingsreglement als kamerverhuurbedrijf gebruikt, dient dit gebruikt te beëindigen.
  • Bijgewerkt 30 april 2012: gehele redactie van dit hoofdstuk.
  • Bijgewerkt 22 mei 2012: gehele redactie van het onderdeel reglement.
  • Bijgewerkt 16 juli 2012: De rechtbank Groningen, sector civiel recht, gaf in alinea 5.3.1 van haar vonnis van 9 juni 2010 LJN: BM7306, rechtbank Groningen, 114360 aan dat verhuring van appartementen beperkt kan worden.
  • Bijgewerkt 13 januari 2013: Vonnis 28 november 2012 door de kantonrechter te Breda, locatie Berg op Zoom LJN: BY4484,sector kanton Rechtbank Breda, 720829 ov 12-2218 . Geen beroep op een afwijkend “gedoogbeleid” van de VVE door één van de appartementsgerechtigden.
    .
  • Bijgewerkt 13 augutus 2013. Aanvulling gebreken aan het appartement