Schade aan het gehuurde gedurende de huurperiode

Schade aan het gehuurde gedurende de huurperiode

Aansprakelijkheid van huurder voor schade aan het gehuurde >>

De wettelijke regeling van ansprakelijkheid van huurder voor schade aan het gehuurde gedurende de huurperiode is vastgelegd in artikel 7:218 BW. Volgens deze regeling wordt alle toerekenbare schade aan het gehuurde geacht voor rekening van de huurder te komen. Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan behoudens brandschade.
Óf schade aan het gehuurde aan de huurder doorberekend kan worden, moet worden beantwoord aan de hand van de vraag of de schade aan de huurder toegerekend kan worden. De rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede, heeft in haar vonnis van 30 augustus 2011 LJN: BR6251, Rechtbank Almelo, 360.980 CV EXPL 10-15366 moeten beoordelen of de schade die is ontstaan door diefstal van een gehuurde rolsteiger aan de (particuliere) huurder toegerekend kon worden. Volgens de rechtbank dient de vraag of de tekortkoming de huurder toegerekend dient te worden, beantwoord te worden aan de hand van de algemene maatstaf als neergelegd in artikel 6:75 BW e.v., meer in het bijzonder of de schuld krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van huurder dient te komen (LJN: ZC2469, HR, 24-10-1997, 16395)
De rechtbank overwoog dat bouwmateriaal, waaronder mede wordt begrepen een rolsteiger, op derden een grote aantrekkingskracht kan uitoefenen, zodat het risico van diefstal groot is.
Uit de overgelegde gegevens bleek dat een diefstalverzekering door de verhuurder wel wordt aangeboden aan bedrijven, maar niet aan particulieren/consumenten. Die kunnen slechts in aanmerking komen voor een schadeafkoopregeling, maar van deze regeling is schade door diefstal uitgesloten.
De kantonrechter was van oordeel dat van de verhuurder verwacht had mogen worden dat zij de huurder uitdrukkelijk erop zou wijzen, en hem zou waarschuwen, dat hij bij diefstal van de rolsteiger het risico op aanzienlijke schade zou lopen. In een dergelijk geval had de huurder dan kunnen onderzoeken of hij de mogelijkheid had zich hiertegen te verzekeren en, wanneer het antwoord negatief zou zijn, dit bij zijn keuze voor het huren van de rolsteiger kunnen betrekken, dan wel had hij nog meer dan de gebruikelijke maatregelen kunnen treffen om schade door diefstal te voorkomen. Deze uitspraak is ook van belang voor verhuring van onroerende zaken, omdat op deze verhuring dezelfde wettelijke regels van toepassing zijn.
Nu uit niets blijkt dat de verhuurder de huurder heeft gewezen op het risico van het huren van de rolsteiger, komt de schade niet voor rekening van de huurder nu deze niets valt te verwijten en de schade naar in het verkeer geldende opvattingen niet aan de huurder toegerekend kan worden.
In dit hoofdstuk worden meerdere uitspraken over schade aan het gehuurde behandeld. Blijkens de inhoud van deze zaken dient te worden beoordeeld of de schade de huurder toegerekend kan worden en of er sprake is van een gedeelde schuld tussen de huurder en de verhuurder.

De toerekenbaarheid speelde ook een rol in een zaak van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Den Helder, van 26 mei 2011 LJN: BQ8476, sector kanton Rechtbank Alkmaar, 326882 CV EXPL 10-928 waarin de verhuurder de huurder aansprakelijk stelde voor schade die was ontstaan door asbestbesmetting door brand in een schuurtje. Het schuurtje was meer dan twintig jaar geleden zonder toestemming van de verhuurder geplaatst. De materialen waren destijds gebruikelijke materialen. Het gebruik van asbest was op het moment dat het schuurtje werd geplaatsts nog niet verboden.
Het feit dat de schuur destijds (1988/1989) zonder toestemming van de verhuurder was gebouwd was volgens de kantonrechter niet meer van belang. De verhuurder had volgens de rechter haar recht verwerkt om na deze lange periode alsnog bezwaar tegen aanwezigheid van de schuur te maken. De kantonrechter was verder van mening dat ook als er sprake is van een tekortkoming de huurder toch niet aansprakelijk is voor de schade vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de tekortkoming en de schade.
Op grond van artikel 6:98 BW komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
De kantonrechter was verder van mening dat niet de oprichting en de bouw van de schuur zelf de schade heeft veroorzaakt, maar de brand in die schuur. In die zin is er dus slechts sprake van een indirect en beperkt verband tussen de bouw en oprichting van de schuur en de gestelde schade. De kantonrechter vond dat verband ook in tijd ver verwijderd, nu de brand pas heeft plaatsgevonden 20 jaar na oprichting van de schuur.
Verder werd in aanmerking genomen dat de huurder geen enkel verwijt treft ten aanzien van het ontstaan van de brand in de schuur en dat zij die brand ook niet had kunnen voorkomen. Zoals Woningstichting ter zitting heeft erkend, kan niet worden aangetoond en is ook niet gebleken dat de brand is ontstaan door een ondeugdelijke elektrische installatie in de schuur.
Voorts vond de kantonrechter dat de schade door de aard niet voorzienbaar was. Niet in geschil was dat het gebruik van asbest als dakbedekking in 1989 voor particulieren mogelijk was en niet verboden.

Ik vind de redenering van de kantonrechter over toerekening van de schade in zijn algemeenheid wel aardig gevonden, doch ik vraag mij af of deze redenering ook voor deze situatie correct is. Feit blijft dat er sprake is van een zelf aangebrachte voorziening door de huurder. Ook als de verhuurder niet meer zou kunnen stellen dat de huurder toerekenbaar te kort is geschoten door plaatsing van de schuur, is de verhuurder niet aansprakelijk voor het onderhoud van de schuur. De huurder die de voorziening aanbrengt blijft immers verantwoordelijk voor het onderhoud van de schuur. Ook bij het einde van de huurovereenkomst zou de verhuurder kunnen eisen dat de schuur verwijderd zou worden. De schuur lijkt geen objectieve verbetering. De schuur mag bovendien tot het einde van de overeenkomst op grond van artikel 7:216 lid 2 BW door de huurder worden verwijderd als er al geen verplichting tot verwijdering van de schuur is. De verhuurder is niet-risico aansprakelijk ten aanzien van dit schuurtje. Het is jammer dat de rechter bij zijn beoordeling artikel 7:216 lid 2 BW en de onderhoudsverplichting van de huurder van zelf aangebrachte voorzieningen niet in zijn beslissing heeft betrokken. De verhuurder heeft immers totaal geen relatie tot het schuurtje, terwijl dat voor de huurder anders ligt. Het lijkt mij dat de huurder vanwege het feit zij nog gehouden is ten aanzien van het onderhoud van het schuurtje meer reden heeft om voor deze schade op te draaien dan de verhuurder. De toerekenbaarheid van artikel 7:218 BW staat hier los van, omdat dit geen schade aan het gehuurde betreft, maar directe en indirecte schade aan een zelf aangebrachte voorziening.

Bewijspositie gedurende de huurperiode en gedeelde schuld>>

In artikel 7:218 BW staat dat de huurder aansprakelijk is voor alle schade die aan het gehuurde is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van de verplichting uit de huurovereenkomst. Volgens artikel 7:218 lid 2 BW wordt alle schade vermoed daardoor te zijn ontstaan, behoudens brandschade. Aangenomen wordt dat artikelen 7:224 lid 2 BW en 7:218 BW ook van toepassing zijn voor bepaling van aansprakelijkheid van schade gedurende de huurperiode. Ook gedurende de huurperiode kan de huurder van woonruimte terugvallen op de in artikel 7:224 lid 2 BW vermelde bewijspositie. De discussie over schade aan het gehuurde gedurende de huurperiode is dezelfde discussie als die plaatsvindt bij het einde van de huurperiode. De basis zal altijd dienen te zijn of de schade bij aanvang van de huurperiode al dan niet aanwezig was. De huurder van bedrijfsruimte heeft een gelijkwaardige positie, met dien verstande dat van de regel van artikel 7:224 lid 2 BW in het nadeel van de huurder kan worden afgeweken. In de ROZ-voorwaarden van 2008 wordt dan ook in artikel 24.3 in het nadeel van de huurder van bedrijfsruimte van deze regel afgeweken. Voor de huurder van woonruimte is deze regel op grond van artikel 7:242 lid 2 BW semi-dwingend verklaard.
De positie van zowel de huurder als de verhuurder bij het einde van de huurperiode is uitgebreid beschreven in het hoofdstuk: De oplevering van de woning- en bedrijfsruimte
Het Hof te 's-Gravenhage heeft zich in haar arrest van 25 mei 2007 ( LJN: BA6751, gerechtshof 's-Gravenhage, C05/687) moeten buigen over de vraag bij wie de bewijslast lag voor schade aan het aanrecht dat na tien jaar al was versleten, terwijl dit aanrecht volgens de stelling van de verhuurder tenminste 20 jaar mee moest gaan. De huurder stelde dat er sprake was van slijtage en de verhuurder stelde dat er sprake was van grof gebruik.
De rechtbank had de verhuurder toegelaten tot het bewijs, dat de huurder dan wel andere personen die zich met zijn goedvinden in de woning bevonden, zich met betrekking tot het bedoelde keukenblok niet als een goed huurder hadden gedragen, en dat als gevolg daarvan het keukenblok (voortijdig) ernstig beschadigd was geraakt.
De verhuurder ging in beroep tegen de door de rechtbank gehanteerde bewijslasttoedeling. Volgens de verhuurder had de rechtbank daarbij 7:218 BW miskend. Ingevolge dat artikel had de rechtbank volgens de verhuurder de huurder moeten toelaten tot het bewijs dat de schade aan het keukenblok niet door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst is ontstaan.

Het hof overwoog als volgt: Tegen de overweging van de rechtbank dat de verhuurder is gehouden tot vervanging of reparatie op zijn kosten over te gaan indien het keukenblok door intensief gebruik eerder dan gebruikelijk vervangen of gerepareerd moet worden, en niet sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de huurder voor wat betreft zijn verplichting zich ten aanzien van het gehuurde als een goed huurder te gedragen, is geen beroep ingesteld. Partijen kunnen zich dus in deze overweging vinden. Met andere woorden: de verhuurder heeft in deze hoger beroep procedure niet bestreden dat de huurder zich als goed huurder heeft gedragen. Dit heeft tot gevolg dat daarom de verhuurder moet bewijzen dat de schade is ontstaan door een toerekenbaar tekortschieten van de huurder.
Als de verhuurder deze stelling in hoger beroep had betwist had de zaak anders kunnen liggen. Het Hof vervolgde in deze kwestie daarom als volgt:
(...) dit brengt mee dat, indien komt vast te staan dat het gebrek is ontstaan door een tekortkoming aan de zijde van de huurder, het gebrek op kosten van de huurder moet worden verholpen en een tijdelijke verlaging van de huurprijs vanwege het gebrek niet redelijk is.
Voor toewijzing van de vordering van de verhuurder is derhalve een tekortkoming aan de zijde van huurder nodig. Gelet hierop heeft de rechtbank overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 RV de verhuurder naar de mening van het Hof terecht belast met het bewijs van zijn stelling dat de huurder dan wel andere personen die zich met zijn goedvinden in de woning bevonden, zich met betrekking tot het keukenblok niet als een goed huurder heeft/hebben gedragen, en dat als gevolg daarvan het keukenblok (voortijdig) ernstig beschadigd is geraakt.
Het beroep op artikel 7:218 BW maakt dit standpunt niet anders. Artikel 7:218 BW bevat in lid 1 een bevestiging van de reeds uit het algemene deel van het verbintenissenrecht voortvloeiende aansprakelijkheid van de huurder (hij is aansprakelijk voor schade die is ontstaan uit een hem toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst) en bevat in lid 2 een regel omtrent de bewijslast ter zake van het causaal verband (alle schade, behalve brandschade en bij een gebouwde zaak schade aan de buitenzijde, wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan).

Het Hof stelde dus dat de verhuurder op grond van artikel 7:218 BW dient te bewijzen dat de huurder toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Als dit is bewezen, dan wordt de schade aan het gehuurde geacht hierdoor te zijn ontstaan. Het vermoeden (dat de huurder toerekenbaar tekort is geschoten) is naar het oordeel van het hof genoegzaam weerlegd door de onvoldoende gemotiveerd weersproken stelling dat de schade door gewoon gebruik door een groot gezin kan zijn ontstaan, hetgeen door de huurcommissie als zodanig wordt onderschreven. De stelling van de verhuurder dat er in andere situaties van intensieve bewoning niet van vergelijkbare beschadigingen sprake is, is door de verhuurder in het geheel niet geconcretiseerd en wordt om die reden door het hof gepasseerd. Dit brengt mee dat de hoofdregel van artikel 150 RV herleeft, zodat de klacht tegen de bewijslevering ongegrond is.
Als een discussie over de oorzaak van de schade niet waarschijnlijk is (het ging hier over de vraag of er sprake was van normale slijtage die voor rekening van de verhuurder komt of grof gebruik door de huurder) zoals bijvoorbeeld bij schade in de vorm van gaten in deuren en/of gaten in stucwerk, ongeoorloofde wijzigingen van het gehuurde, etc., dan zal eerder worden aangenomen dat de schade is ontstaan door het tekortschieten door de huurder in de verplichtingen uit de huurovereenkomst. De huurder wordt immers geacht het gehuurde in goede staat te hebben ontvangen. Zie hierover ook het onderdeel: De oplevering van de woning- (bedrijfs)ruimte .

In de zaak die heeft geleid tot een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 april 2007 LJN: BB1012, Gerechtshof 's-Hertogenbosch , C200501222 kwam de vraag aan de orde of de schade aan het gehuurde de huurder kon worden toegerekend. Het ging hier om een schade aan een woonboot, die was gezonken omdat de huurders de leiding niet hadden afgesloten tijdens een vorstperiode. De verhuurder had geen instructie gegeven op welke wijze dit kon worden gedaan en had de leiding ook niet geïsoleerd. De leiding was bevroren. Verder was de gootsteen verstopt en had de huurder er geen erg in gehad dat de kraan niet goed was afgesloten. Toen de dooi in trad was er water gaan stromen en was als gevolg daarvan de boot (bij afwezigheid van de huurders) vol gelopen en gezonken.

Het Hof komt tot oordeel dat er over en weer fouten zijn gemaakt en overweegt als volgt:

  • het ontstaan van de schade is een gevolg dat kan worden toegerekend aan gedragingen van huurders, te weten dat zij de woonark hebben achtergelaten terwijl het vroor, zonder dat de gootsteenkraan goed was afgesloten terwijl de gootsteenafvoer was verstopt, en zonder de hoofdkraan af te sluiten (rechtsoverweging 4.16);
  • deze schade kan de huurders worden toegerekend (rechtsoverweging 4.17 );
  • Het ontbreken van vorstbescherming aan de watertoevoerleiding kan aan verhuurder worden toegerekend. Het ontbreken van vorstbescherming moet als een gebrek aan de woonark worden aangemerkt: een verhuurder (ook van een woonark) is gehouden deze in zodanige staat en met een zodanige uitrusting ter beschikking te stellen dat een huurder niet hoeft te verwachten dat de watertoevoerleiding onder normale, niet extreme omstandigheden (van extreme weersomstandigheden is niet gebleken) niet bevriest (rechtsoverweging 4.29);
  • als de toevoerleiding niet was bevroren, hadden huurders kunnen bemerken dat de gootsteenkraan open stond zodat zij deze kraan hadden kunnen afsluiten alvorens te vertrekken;
Het Hof is alles afwegende van mening dat ieder de helft van zijn eigen schade als gevolg van het zinken van de woonark dient te dragen (het gevolg daarvan is dat ieder de helft van de schade van de ander dient te vergoeden).
De algemene voorwaarden van de huurovereenkomst sluit schade uit (tenzij de schade het gevolg is van grove schuld of ernstig nalaten). Het Hof zegt daarmee niet dat de verhuurder ter zake van het zinken van het schip grove schuld treft of dat hij daaromtrent ernstig nalatig is gebleven. Het hof is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Door de over en weer gemaakt fouten kan de verhuurder terecht een beroep doen op uitsluiting van de aansprakelijkheid als beschreven in de algemene huurbepalingen. De toerekening als genoemd in artikel 7:218 BW staat een schuldverdeling daarom niet in de weg!

De huurder van een auto, waarvan de regeling onder hetzelfde huurregime valt (Voor roerende zaken kan echter veelal van de wettelijke regeling worden afgeweken). Voor woonruimte en artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte kan vaak niet van de regels worden afgeweken als dit in het nadeel van de huurder is als de huur van onroerende zaken, is aansprakelijk voor diefstal van de auto gedurende de huurperiode. Dit besliste de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam in haar vonnis van 18 november 2009 LJN: BK6040, sector kanton rechtbank Rotterdam, 969305.
De feiten die tot deze uitspraak hebben geleid luidden als volgt:

  • tussen huurder en verhuurder is een huurovereenkomst tot verhuring van een auto gesloten;
  • op 18 maart 2008 (tijdens de huurperiode) heeft huurder geconstateerd dat de autosleutels tijdens het uitladen van zijn boodschappen verdwenen waren;
  • huurder heeft verhuurder hiervan om circa 20:30 uur in kennis gesteld;
  • verhuurder heeft bij deze gelegenheid huurder te kennen gegeven dat voor het ter beschikking stellen van een reservesleutel of het ophalen van de auto € 200,00 in rekening wordt gebracht;
  • huurder heeft afgezien van de mogelijkheid om de reservesleutels te laten brengen of om deze op te halen;
  • in de nacht van 18 op 19 maart 2008 is de auto gestolen.
Huurder had de volgende voorzorgsmaatregelen genomen:
  • de accu losgekoppeld;
  • een aardappel in de uitlaat geplaatst;
  • 's nachts voor het raam waken.
Het oordeel van de kantonrechter luidde als volgt:
De door huurder getroffen maatregelen – het loskoppelen van de accu en het plaatsen van een aardappel in de uitlaat – zijn hiertoe niet voldoende, omdat deze maatregelen relatief eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waken voor het raam is eveneens niet voldoende, nu huurder rekening had moeten houden met het risico dat hij gezien de lange duur van de waakperiode in slaap zou vallen. Huurder had er in de onderhavige situatie voor moeten kiezen de auto op te laten halen of zelf de reservesleutel moeten ophalen om de auto vervolgens op een plaats te stallen. Het goed huurderschap ( zie artikel 7:213 BW, toevoeging Mr. F.C.P. Teeuw) brengt met zich dat er mogelijk kosten gemaakt dienen te worden voor het behoud van de zaak. De door verhuurder in het onderhavige geval berekende € 200,00 komt niet onredelijk voor. Nu huurder van verdere maatregelen heeft afgezien – ondanks de mededeling van verhuurder dat deze handelwijze voor risico van huurder komt – heeft huurder zich niet als een goed huurder gedragen en is dan ook in beginsel aansprakelijk voor de schade.

Gezien het bovenstaande komt schade aan het gehuurde op grond van een analoge redenering voor rekening van de huurder als de schade door nalatigheid van de huurder aan het gehuurde wordt vergroot. Te denken valt aan lekkage aan het gehuurde, waarvan door de huurder aan de verhuurder geen melding wordt gemaakt. Als door de verzuimde mededeling van de huurder het gehuurde (ernstig) wordt beschadigd, dan zal de huurder vanwege niet goed huurderschap aansprakelijk zijn voor de schade aan het gehuurde.

In een zaak waarin schade als gevolg van bodemverontreiniging onderwerp van een procedure was, heeft het hof te Amsterdam in hoger beroep in haar arrest van 2 november 2010 ( LJN: BO5281, gerechtshof Amsterdam , 200.023.413/01 ) beslist dat er sprake was van gedeelde schuld aan de verontreiniging, waardoor het gehuurde was beschadigd. De verhuurder was gedeeltelijk verantwoordelijk voor de schade, omdat het bedrijfsriool gebreken vertoonde. De huurder had niet goed gehandeld betreffende de olie/waterscheider. De conclusie van het hof luidde dat de schade mede het gevolg was van de omstandigheid dat de bedrijfsriolering niet goed functioneerde en dat die omstandigheid aan de verhuurder kon worden toegerekend. Het hof was van oordeel dat het niet legen van de olie/waterscheider en het niet goed functioneren van de bedrijfsriolering in gelijke mate hebben bijgedragen aan de schade. Echter, de door huurder gemaakte fouten zijn aanzienlijk ernstiger dan die van de verhuurder. De huurder heeft in 2001 het gehuurde verlaten en heeft daarbij nagelaten de olie/waterscheider tijdig te legen, dan wel verzuimd maatregelen te treffen om te voorkomen dat in haar langdurige afwezigheid derden olie in de olie/waterscheider konden deponeren, hoewel de huurder wist dat de riolering bij regenval problemen opleverde. Een dergelijk ernstig verwijt valt de verhuurder niet te maken. Gelet op dit een en ander is het hof van oordeel dat de schade voor 80% aan de huurder moet worden toegerekend en voor 20% aan de verhuurder.

Aansprakelijkheid huurder voor gedragingen huisgenoten en loges>>

Een huurder werd door de rechtbank, sector kanton, locatie Amsterdam, in een kortgedingvonnis van 13 augustus 2009 ( LJN: BJ5575, rechtbank Amsterdam, 664KK09 ) aansprakelijk gehouden voor de schade die bij haar inwonende personen aan de andere huurders hebben toegebracht. De basis voor deze uitspraak vormden de algemene voorwaarden, waarin onder meer de volgende bepalingen waren opgenomen:
  • De huurovereenkomst bepaalt dat de huurder geen schade aan de woning of aan naburige woningen of overlast voor omwonenden mag veroorzaken.
  • Ingevolge artikel 5.13 van de voorwaarden is de huurder aansprakelijk voor gedragingen in strijd met (onder meer) artikel 5.11 zowel van huisgenoten als van degenen die door de huurder en huisgenoten in het gehuurde zijn toegelaten.

In het gehuurde had de politie een groot aantal niet aan huurder toebehorende zaken aangetroffen, waaronder in haar slaapkamer een "minibike" en elders in de woning een fiets, een hogedrukreiniger en een printer. De betreffende eigenaars hebben aangifte gedaan dat de vier laatstgenoemde zaken bij de inbraken zijn gestolen. De politie heeft vervolgens de zoon van de huurder aangehouden terwijl hij in het bezit was van bij de inbraken ontvreemde zaken die hij trachtte te verkopen. Een aantal bij de inbraken ontvreemde zaken zijn door de vriendin van de zoon van huurder verkocht aan een winkel in tweedehands zaken.
Aan de hand van deze feiten overwoog de rechter als volgt: dat nu de huurder had toegestaan dat de zoon en de vriendin bij haar inwoonden dan wel veelvuldig in het gehuurde verbleven in de periode waarin de inbraken plaatsvonden en dat zij aan hen de beschikking heeft gegeven van sleutels van de woning. Daarom is huurder ingevolge artikel 5.13 van de algemene voorwaarden aansprakelijk voor hun gedragingen, voorzover daardoor verplichtingen van huurder uit hoofde van de huurovereenkomst zijn geschonden. Als huurder niet van die gedragingen heeft afgeweten of redelijkerwijs heeft kunnen afweten, doet dat aan haar aansprakelijkheid niet af.
De rechter formuleerde aldus mede gezien de toepasselijke voorwaarden een risicoaansprakelijkheid ten aanzien van de inwonende personen. Bedacht dient hierbij te worden dat de risicoaansprakelijkheid op grond van artikel 7:219 BW wel geldt ten aanzien van schade aan het gehuurde, maar niet als sprake is van ander toegebracht nadeel, zoals lichamelijk letsel of overlast. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 22 juni 2007 ( ECLI:NL:HR:2007:AZ8743) bepaald dat de huurder tekortschiet als deze zich - in het licht van de gedragingen van de personen waarvoor hij in het kader van dit artikel aansprakelijk is - zich zelf niet als goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er een voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen.
Gezien de door de Hoge Raad geplaatste kaders is de huurder aansprakelijk voor de gedragingen van de bij hem inwonende personen als deze van de gedragingen op de hoogte was. De door de rechter geformuleerde aansprakelijkheid in het geval dat de huurder niet van die gedragingen heeft afgeweten of redelijkerwijs heeft kunnen afweten is niet in lijn met het door haar uitgezette beleid. Er is dan immers geen aansprakelijkheid op grond van artikel 7:219 BW en evenmin een overtreding van artikel 7:213 BW. De aansprakelijkheid kan dan slechts worden gebaseerd op een contractueel beding zoals boven reeds aangegeven en niet op grond van de wettelijke regeling.

Aansprakelijkheid van de huurder voor brandschade >>

De rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad, kwam in haar vonnis van 1 maart 2006 LJN: AV3078, Sector kanton Rechtbank Zwolle, 288815 CV 05-10831 tot het oordeel dat schade aan het gehuurde voor rekening van de huurder diende te komen. In onderstaande uitspraak had de huurder een vuilcontainer nabij het gehuurde laten staan, waarin door derden brand was gesticht. Door handelen strijdig met de bepalingen van het huurcontract en gevaarzetting kwam de schade als gevolg van de brand voor rekening van de huurder. De feiten en de beoordeling waren als onderstaand weergegeven.

De feiten

De huurder had een gedeelte van het gehuurde onderverhuurd.
De huurder en de onderhuurder hadden een plastic afvalcontainer (met afval) tegen de gevel van het gehuurde geplaatst. De huurder verhuurde een gedeelte van het gehuurde onderaan een tabakswinkel. De (hoofd) huurder had de tabakswinkel toestemming gegeven om een afvalcontainer te plaatsen naast hun container aan de achterzijde van de winkel. De achterzijde grenst aan een open parkeerplaats. Onbekende derden hadden brand gesticht in de afvalcontainer van de tabakswinkel en/of de afvalcontainer van de (hoofd)huurder.

In het huurcontract van de (hoofd) huurder stond onder meer dat het de (hoofd) huurder niet is toegestaan in de omgeving van het gehuurde brandgevaarlijke zaken te plaatsen. Voorts staat in het huurcontract (voor zover van belang) dat de (hoofd) huurder aansprakelijk is voor alle schade aan het gehuurde, tenzij hem niets valt te verwijten.

Beoordeling door de rechter

De rechter verwijst in rechtsoverweging 4.3 eerst naar de regeling omtrent de schade als vermeld in het huurcontract. Voorts is de rechter van mening dat de (hoofd) huurder rekening moet houden met vernielingen door jongeren. Van de huurder kan dan ook worden verwacht dat zij maatregelen neemt ter voorkoming van schade aan het huurobject als gevolg van misdragingen van deze genoemde jongeren.
Niet elke situatie leent zich voor het nemen van maatregelen. Een uithangbord en een auto behoeven respectievelijk niet te worden verwijderd of te worden verplaatst.
Volgens de kantonrechter plegen afvalcontainers nogal eens het doelwit te zijn van baldadigheden. Mede gezien de vrij toegankelijke parkeerplaats had van de (hoofd) huurder verwacht mogen worden dat deze maatregelen zou nemen om schade te voorkomen.
Er waren door de (hoofd) verhuurder geen feiten en/of omstandigheden gesteld waarom deze maatregelen niet genomen hadden kunnen worden.
De Kantonrechter merkte verder nog op dat er niet is gebleken van feiten en omstandigheden waarom deze maatregelen niet genomen hadden kunnen worden (bijvoorbeeld het huren van een afsluitbare ijzeren container).
De (hoofd) huurder was een assurantietussenpersoon. Deze had bij uitstek bekend moeten zijn over de risico's van het plaatsen van een plastic container aan de buitenzijde van het pand en de mogelijke gevaren voor het pand door deze handelwijze.
Gezien het vorenstaande vond de kantonrechter de vordering tot toewijzing van de schade toewijsbaar.

De rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden, oordeelde in haar vonnis van 23 september 2009 LJN: BK5712, sector kanton Rechtbank 's-Gravenhage, 830983/CV EXPL 09-1199 dat de schade door een brand, die door derden in winkelwagentjes was gesticht niet voor rekening van de huurder diende te komen. Deze wagentjes stonden buiten de winkel onder een afdak gestald. De kantonrechter benadrukte dat de brand niet is ontstaan door de wijze van stalling van de winkelwagentjes, maar doordat derden daarin brand hadden gesticht. Voor dit gedrag door derden was de huurder niet aansprakelijk. Brandstichting is mogelijk door gebruik en misbruik van tal van - al dan niet op straat aanwezige - middelen en de aanwezigheid van de winkelwagentjes heeft het risico op brandstichting niet doen ontstaan of vergroot. De huurder handelde niet in strijd met het gebruiksbesluit dat van toepassing was bij de huurovereenkomst. Dit besluit verbood om brandbare zaken onbeheerd buiten te laten staan.
De rechtbank Rotterdam, sector civiel, oordeelde in haar vonnis van 16 maart 2011 LJN: BQ0406, rechtbank Rotterdam, 353673/HA ZA 10-1459 over brandstichting door derden in kratten die door de huurder buiten het gehuurde waren geplaatst dat de huurder niet aansprakelijk is voor deze schade. In het huurcontract was het de huurder verboden zaken aan de buitenzijde van het gehuurde te zetten, die gevaar van brandstichting opleveren. De verhuurder vorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen door de huurder. De rechter was van oordeel dat het geen feit van algemene bekendheid is dat het tegen de achtergevel zetten van lege, niet-brandbare kratten het gevaar oplevert van brandstichting in die kratten. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat voor brandstichting in de kratten niet voldoende is dat de kratten zelf worden aangestoken, maar dat er brandbaar materiaal in geplaatst moet worden en daarbij, zoals tussen partijen niet in geschil is, een kleine hoeveelheid niet voldoende is.

Schade aan het gehuurde bij het einde van de huurperiode >>

De positie van zowel de huurder als de verhuurder bij het einde van de huurperiode is uitgebreid beschreven in het hoofdstuk: De oplevering van de woning- en bedrijfsruimte.

Updates>>