Artikel 1
Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit.
Artikel 2
1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar
te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende
regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou
zijn.
Artikel 3
1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet- afdwingbare
verbintenis.
2. Een natuurlijke verbintenis bestaat:
a. wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de
afdwingbaarheid onthoudt;
b. wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting
heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens
niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening
van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.
Artikel 4
Op natuurlijke verbintenissen zijn de wettelijke bepalingen betreffende
verbintenissen van overeenkomstige toepassing, tenzij de wet of
haar strekking meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden
op een niet-afdwingbare verbintenis.
Artikel 5
1. Een natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens afdwingbare
door een overeenkomst van de schuldenaar met de schuldeiser.
2. Een door de schuldenaar tot de schuldeiser gericht aanbod tot
een zodanige overeenkomst om niet, geldt als aanvaard, wanneer het
aanbod ter kennis van de schuldeiser is gekomen en deze het niet
onverwijld heeft afgewezen.
3. Op de overeenkomst zijn de bepalingen betreffende schenkingen
en giften niet van toepassing.
Afdeling 2. Pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid
Artikel 6
1. Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd,
dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet,
gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen
of hoofdelijk verbonden zijn.
2. Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling
voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder
voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
3. Uit een overeenkomst van een schuldenaar met zijn schuldeiser
kan voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of meer rechtsopvolgers
overgaat, dezen voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zullen
zijn.
Artikel 7
1. Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft
de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het
geheel.
2. Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren
tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt
gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de
rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast,
tenzij hij daarbij anders bepaalt.
Artikel 8
Op de rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke schuldenaren onderling
is artikel 2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1. Iedere hoofdelijke schuldenaar is bevoegd namens de overige schuldenaren
een aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht te aanvaarden,
voor zover de afstand ook de andere schuldenaren betreft.
2. Uitstel van betaling, door de schuldeiser aan een der schuldenaren
verleend, werkt ook ten aanzien van zijn medeschuldenaren, voor
zover blijkt dat dit de bedoeling van de schuldeiser is.
Artikel 10
1. Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de
schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht overeenkomstig
de volgende leden in de schuld en in de kosten bij te dragen.
2. De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van
een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het
gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten
voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte
van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.
3. In door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte
kosten moet iedere medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid
van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, tenzij de kosten
slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen.
Artikel 11
1. Een uit hoofde van het vorige artikel tot bijdragen aangesproken
medeschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op het tijdstip van
het ontstaan van de verplichting tot bijdragen jegens de schuldeiser
had, ook inroepen tegen de hoofdelijke schuldenaar die de bijdrage
van hem verlangt.
2. Niettemin kan hij een zodanig verweermiddel niet tegen deze schuldenaar
inroepen, indien het na hun beider verbintenis is ontstaan uit een
rechtshandeling die de schuldeiser met of jegens de aangesprokene
heeft verricht.
3. Een beroep op verjaring van de rechtsvordering van de schuldeiser
komt de tot bijdragen aangesprokene slechts toe, indien op het tijdstip
van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen zowel hijzelf
als degene die de bijdrage verlangt, jegens de schuldeiser de voltooiing
van de verjaring had kunnen inroepen.
4. De vorige leden zijn slechts van toepassing, voor zover uit de
rechtsverhouding tussen de schuldenaren niet anders voortvloeit.
Artikel 12
1. Wordt de schuld ten laste van een hoofdelijke schuldenaar gedelgd
voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan gaan de rechten
van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en jegens derden krachtens
subrogatie voor dit meerdere op die schuldenaar over, telkens tot
ten hoogste het gedeelte dat de medeschuldenaar of de derde aangaat
in zijn verhouding tot die schuldenaar.
2. Door de subrogatie wordt de vordering, indien zij een andere
prestatie dan geld betrof, omgezet in een geldvordering van gelijke
waarde.
Artikel 13
1. Blijkt verhaal op een hoofdelijke schuldenaar voor een vordering
als bedoeld in de artikelen 10 en 12 geheel of gedeeltelijk onmogelijk,
dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over al zijn medeschuldenaren
omgeslagen naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld
ieder van hen in hun onderlinge verhouding aanging.
2. Werd de schuld geheel of gedeeltelijk gedelgd ten laste van een
hoofdelijke schuldenaar wie de schuld zelf niet aanging en blijkt
op geen van de medeschuldenaren wie de schuld wel aanging verhaal
mogelijk, dan wordt het onverhaalbaar gebleken deel over alle medeschuldenaren
wie de schuld niet aanging, omgeslagen naar evenredigheid van de
bedragen waarvoor ieder op het tijdstip van de delging van de schuld
jegens de schuldeiser aansprakelijk was.
3. Ieder der in een omslag betrokkenen blijft gerechtigd het bijgedragene
alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te vorderen.
Artikel 14
Afstand door de schuldeiser van zijn vorderingsrecht jegens een
hoofdelijke schuldenaar bevrijdt deze niet van zijn verplichting
tot bijdragen. De schuldeiser kan hem niettemin van zijn verplichting
tot bijdragen jegens een medeschuldenaar bevrijden door zich jegens
deze laatste te verbinden zijn vordering op hem te verminderen met
het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden.
Afdeling 3. Pluraliteit van schuldeisers
Artikel 15
1. Is een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd,
dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel,
tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie
hun voor ongelijke delen toekomt of dat zij gezamenlijk één
vorderingsrecht hebben.
2. Is de prestatie ondeelbaar of valt het recht daarop in een gemeenschap,
dan hebben zij gezamenlijk één vorderingsrecht.
3. Aan de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het vorderingsrecht
in een gemeenschap valt, wanneer dit recht voortspruit uit een overeenkomst
die hij met de deelgenoten heeft gesloten, maar hij niet wist noch
behoefde te weten dat dit recht van die gemeenschap ging deel uitmaken.
Artikel 16
Wanneer met de schuldenaar is overeengekomen dat twee of meer personen
als schuldeiser de prestatie van hem voor het geheel kunnen vorderen,
des dat de voldoening aan de een hem ook jegens de anderen bevrijdt,
doch in de onderlinge verhouding van die personen de prestatie niet
aan hen allen gezamenlijk toekomt, zijn op hun rechtsverhouding
jegens de schuldenaar de in geval van gemeenschap geldende regels
van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Alternatieve verbintenissen
Artikel 17
1. Een verbintenis is alternatief, wanneer de schuldenaar verplicht
is tot één van twee of meer verschillende prestaties
ter keuze van hemzelf, van de schuldeiser of van een derde.
2. De keuze komt toe aan de schuldenaar, tenzij uit wet, gewoonte
of rechtshandeling anders voortvloeit.
Artikel 18
Een alternatieve verbintenis wordt enkelvoudig door het uitbrengen
van de keuze door de daartoe bevoegde.
Artikel 19
1. Wanneer de keuze aan een der partijen toekomt, gaat de bevoegdheid
om te kiezen op de andere partij over, indien deze haar wederpartij
een redelijke termijn heeft gesteld tot bepaling van haar keuze
en deze daarbinnen haar keuze niet heeft uitgebracht.
2. De bevoegdheid om te kiezen gaat echter niet over op de schuldeiser
voordat deze het recht heeft om nakoming te vorderen, noch op de
schuldenaar voordat deze het recht heeft om te voldoen.
3. Indien op de vordering een pandrecht of een beslag rust en de
aangevangen executie bij gebreke van een keuze niet kan worden voortgezet,
kan de pandhouder of de beslaglegger aan beide partijen een redelijke
termijn stellen om overeenkomstig hun onderlinge rechtsverhouding
een keuze uit te brengen. Indien de keuze niet binnen deze termijn
geschiedt, gaat de bevoegdheid tot kiezen op de pandhouder of beslaglegger
over. Zij zijn gehouden niet nodeloos van deze bevoegdheid gebruik
te maken.
Artikel 20
1. De onmogelijkheid om een of meer der prestaties te verrichten
doet geen afbreuk aan de bevoegdheid om te kiezen.
2. Indien de keuze aan de schuldenaar toekomt, is deze echter niet
bevoegd een onmogelijke prestatie te kiezen, tenzij de onmogelijkheid
een gevolg is van een aan de schuldeiser toe te rekenen oorzaak
of deze met de keuze instemt.
Afdeling 5. Voorwaardelijke verbintenissen
Artikel 21
Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer bij rechtshandeling haar
werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is
gesteld.
Artikel 22
Een opschortende voorwaarde doet de werking der verbintenis eerst
met het plaatsvinden der gebeurtenis aanvangen; een ontbindende
voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden der gebeurtenis
vervallen.
Artikel 23
1. Wanneer de partij die bij de niet-vervulling belang had, de vervulling
heeft belet, geldt de voorwaarde als vervuld, indien redelijkheid
en billijkheid dit verlangen.
2. Wanneer de partij die bij de vervulling belang had, deze heeft
teweeggebracht, geldt de voorwaarde als niet vervuld, indien redelijkheid
en billijkheid dit verlangen.
Artikel 24
1. Nadat een ontbindende voorwaarde is vervuld, is de schuldeiser
verplicht de reeds verrichte prestaties ongedaan te maken, tenzij
uit de inhoud of strekking van de rechtshandeling anders voortvloeit.
2. Strekt de verplichting tot ongedaanmaking tot teruggave van een
goed, dan komen de na de vervulling van de voorwaarde afgescheiden
natuurlijke of opeisbaar geworden burgerlijke vruchten aan de schuldenaar
toe en zijn de artikelen 120-124 van Boek 3 van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent
de vergoeding van kosten en van schade, voor zover die kosten en
die schade na de vervulling zijn ontstaan.
Artikel 25
Is een krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde verschuldigde
prestatie vóór de vervulling van de voorwaarde verricht,
dan kan overeenkomstig afdeling 2 van titel 4 ongedaanmaking van
de prestatie worden gevorderd, zolang de voorwaarde niet in vervulling
is gegaan.
Artikel 26
Op voorwaardelijke verbintenissen zijn de bepalingen betreffende
onvoorwaardelijke verbintenissen van toepassing, voor zover het
voorwaardelijk karakter van de betrokken verbintenis zich daartegen
niet verzet.
Afdeling 6. Nakoming van verbintenissen
Artikel 27
Hij die een individueel bepaalde zaak moet afleveren, is verplicht
tot de aflevering voor deze zaak zorg te dragen op de wijze waarop
een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou
doen.
Artikel 28
Indien de verschuldigde zaak of zaken slechts zijn bepaald naar
de soort en binnen de aangeduide soort verschil in kwaliteit bestaat,
mag hetgeen de schuldenaar aflevert, niet beneden goede gemiddelde
kwaliteit liggen.
Artikel 29
De schuldenaar is zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd
het verschuldigde in gedeelten te voldoen.
Artikel 30
1. Een verbintenis kan door een ander dan de schuldenaar worden
nagekomen, tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet.
2. De schuldeiser komt niet in verzuim, indien hij een door een
derde aangeboden voldoening weigert met goedvinden van de schuldenaar.
Artikel 31
Betaling aan een onbekwame schuldeiser bevrijdt de schuldenaar,
voor zover het betaalde de onbekwame tot werkelijk voordeel heeft
gestrekt of in de macht is gekomen van diens wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 32
Betaling aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met
hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen, bevrijdt de
schuldenaar, voor zover degene aan wie betaald moest worden de betaling
heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat.
Artikel 33
Is de betaling gedaan in weerwil van een beslag of terwijl de schuldeiser
wegens een beperkt recht, een bewind of een soortgelijk beletsel
onbevoegd was haar te ontvangen, en wordt de schuldenaar deswege
genoodzaakt opnieuw te betalen, dan heeft hij verhaal op de schuldeiser.
Artikel 34
1. De schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd
was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald moest
worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij
op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger der betaling
als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit anderen
hoofde aan hem moest worden betaald.
2. Indien iemand zijn recht om betaling te vorderen verliest, in
dier voege dat het met terugwerkende kracht aan een ander toekomt,
kan de schuldenaar een inmiddels gedane betaling aan die ander tegenwerpen,
tenzij hetgeen hij omtrent dit verlies kon voorzien, hem van de
betaling had behoren te weerhouden.
Artikel 35
1. Is in geval van betaling door een derde te zijnen aanzien aan
de vereiste van één der leden van het vorige artikel
voldaan, dan kan hij te zijnen behoeve de bevrijdende werking van
die betaling inroepen.
2. De schuldenaar kan de bevrijdende werking van die betaling te
zijnen behoeve inroepen, indien, bij betaling door hemzelf, ook
wat hem betreft aan die vereisten zou zijn voldaan.
Artikel 36
In de gevallen, bedoeld in de twee voorgaande artikelen, heeft de
ware gerechtigde verhaal op degene die de betaling zonder recht
heeft ontvangen.
Artikel 37
De schuldenaar is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te
schorten, indien hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling
moet geschieden.
Artikel 38
Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan de verbintenis
terstond worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd.
Artikel 39
1. Is wel een tijd voor de nakoming bepaald, dan wordt vermoed dat
dit slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd.
2. Betaling vóór de vervaldag geldt niet als onverschuldigd.
Artikel 40
De schuldenaar kan de tijdsbepaling niet meer inroepen:
a. wanneer hij in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien
van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
is verklaard;
b. wanneer hij in gebreke blijft de door hem toegezegde zekerheid
te verschaffen;
c. wanneer door een aan hem toe te rekenen oorzaak de voor de vordering
gestelde zekerheid verminderd is, tenzij het overgeblevene nog een
voldoende waarborg voor de voldoening oplevert.
Artikel 41
Indien geen plaats voor de nakoming is bepaald, moet de aflevering
van een verschuldigde zaak geschieden:
a. in geval van een individueel bepaalde zaak: ter plaatse waar
zij zich bij het ontstaan van de verbintenis bevond;
b. in geval van een naar de soort bepaalde zaak: ter plaatse waar
de schuldenaar zijn beroep of bedrijf uitoefent of, bij gebreke
daarvan, zijn woonplaats heeft.
Artikel 42
Hij die ter nakoming van een verbintenis een zaak heeft afgeleverd
waarover hij niet bevoegd was te beschikken, kan vorderen dat deze
wordt afgegeven aan degene aan wie zij toekomt, mits hij tegelijkertijd
een andere, aan de verbintenis beantwoordende zaak aanbiedt en het
belang van de schuldeiser zich niet tegen teruggave verzet.
Artikel 43
1. Verricht de schuldenaar een betaling die zou kunnen worden toegerekend
op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, dan
geschiedt de toerekening op de verbintenis welke de schuldenaar
bij de betaling aanwijst.
2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening
in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook
dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden,
dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en
zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen
bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
Artikel 44
1. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom
strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens
in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering
van de hoofdsom en de lopende rente.
2. De schuldeiser kan, zonder daardoor in verzuim te komen, een
aanbod tot betaling weigeren, indien de schuldenaar een andere volgorde
voor de toerekening aanwijst.
3. De schuldeiser kan volledige aflossing van de hoofdsom weigeren,
indien daarbij niet tevens de verschenen en lopende rente alsmede
de kosten worden voldaan.
Artikel 45
Slechts met toestemming van de schuldeiser kan een schuldenaar zich
van zijn verbintenis bevrijden door een andere prestatie dan de
verschuldigde, al mocht zij van gelijke of zelfs hogere waarde zijn.
Artikel 46
1. Wanneer de schuldeiser een cheque, postcheque, overschrijvingsorder
of een ander hem bij wijze van betaling aangeboden papier in ontvangst
neemt, wordt vermoed dat dit geschiedt onder voorbehoud van goede
afloop.
2. Is de schuldeiser bevoegd de nakoming van een op hem rustende
verplichting tot het tijdstip van de betaling op te schorten, dan
behoudt hij dit opschortingsrecht totdat zekerheid van goede afloop
bestaat of door hem had kunnen worden verkregen.
Artikel 47
1. De kosten van betaling komen ten laste van degene die de verbintenis
nakomt.
2. De kosten van een kwitantie komen ten laste van degene ten behoeve
van wie het stuk wordt afgegeven.
Artikel 48
1. De schuldeiser is verplicht voor iedere voldoening een kwitantie
af te geven, tenzij uit overeenkomst, gewoonte of billijkheid anders
voortvloeit.
2. Indien de schuldeiser een ter zake van de schuld afgegeven bewijsstuk
heeft, kan de schuldenaar bij voldoening bovendien de afgifte van
dat bewijsstuk vorderen, tenzij de schuldeiser een redelijk belang
heeft bij het behoud van het stuk en daarop de nodige aantekening
tot bewijs van de bevrijding van de schuldenaar stelt.
3. De schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten,
indien de schuldeiser niet voldoet aan het voorschrift van het eerste
lid.
Artikel 49
1. Bij voldoening van een vordering aan toonder of order kan de
schuldenaar eisen dat een kwijting op het papier wordt gesteld en
dat hem het papier wordt afgegeven.
2. Indien de voldoening niet de gehele vordering betreft of de schuldeiser
het papier nog voor de uitoefening van andere rechten nodig heeft,
kan hij het papier behouden, mits hij naast de kwijting die op het
papier is gesteld, tevens een afzonderlijke kwijting afgeeft.
3. Hij kan, ongeacht of geheel of gedeeltelijk voldaan wordt volstaan
met de enkele afgifte van een kwijting, mits hij op verlangen van
de wederpartij aantoont dat het papier vernietigd of waardeloos
geworden is, of zekerheid stelt voor twintig jaren of een zoveel
kortere tijdsduur als verwacht mag worden dat de wederpartij nog
aan een vordering uit hoofde van het papier bloot zal kunnen staan.
4. De schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten,
indien de schuldeiser niet aan de vorige leden voldoet.
Artikel 50
1. Moeten op achtereenvolgende tijdstippen gelijksoortige prestaties
worden verricht, dan leveren de kwitanties van twee achtereenvolgende
termijnen het vermoeden op dat ook de vroegere termijnen zijn voldaan.
2. Indien de schuldeiser een kwitantie afgeeft voor de hoofdsom,
wordt vermoed dat ook de rente en de kosten zijn voldaan.
Artikel 51
1. Wanneer uit de wet voortvloeit dat iemand verplicht is tot het
stellen van zekerheid of dat het stellen van zekerheid voorwaarde
is voor het intreden van enig rechtsgevolg, heeft hij die daartoe
overgaat, de keuze tussen persoonlijke en zakelijke zekerheid.
2. De aangeboden zekerheid moet zodanig zijn, dat de vordering en,
zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk
gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal
kunnen nemen.
3. Is de gestelde zekerheid door een niet aan de schuldeiser toe
te rekenen oorzaak onvoldoende geworden, dan is de schuldenaar verplicht
haar aan te vullen of te vervangen.
Afdeling 7. Opschortingsrechten
Artikel 52
1. Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser,
is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening
van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis
voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.
2. Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval
de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding
of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.
Artikel 53
Een opschortingsrecht kan ook worden ingeroepen tegen de schuldeisers
van de wederpartij.
Artikel 54
Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat:
a. voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij
wordt verhinderd door schuldeisersverzuim;
b. voor zover de nakoming van de verbintenis van de wederpartij
blijvend onmogelijk is;
c. voor zover op de vordering van de wederpartij geen beslag is
toegelaten.
Artikel 55
Zodra zekerheid is gesteld voor de voldoening van de verbintenis
van de wederpartij, vervalt de bevoegdheid tot opschorting, tenzij
deze voldoening daardoor onredelijk zou worden vertraagd.
Artikel 56
Een bevoegdheid tot opschorting blijft ook na verjaring van de rechtsvordering
op de wederpartij in stand.
Artikel 57
Indien een bevoegdheid tot opschorting voldoet aan de omschrijving
van het retentierecht in artikel 290 van Boek 3, zijn de bepalingen
van de onderhavige afdeling van toepassing, voor zover daarvan in
afdeling 4 van titel 10 van Boek 3 niet is afgeweken.
Afdeling 8. Schuldeisersverzuim
Artikel 58
De schuldeiser komt in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis
verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking
niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt,
tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 59
De schuldeiser komt eveneens in verzuim, wanneer hij ten gevolge
van hem toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan een verplichting
zijnerzijds jegens de schuldenaar en deze op die grond bevoegdelijk
de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort.
Artikel 60
Is de schuldeiser in verzuim, dan kan de rechter op vordering van
de schuldenaar bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal
zijn, al dan niet onder door de rechter te stellen voorwaarden.
Artikel 61
1. Verzuim van de schuldeiser maakt een einde aan verzuim van de
schuldenaar.
2. Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de schuldenaar niet
in verzuim geraken.
Artikel 62
Gedurende het verzuim van de schuldeiser is deze niet bevoegd maatregelen
tot executie te nemen.
Artikel 63
De schuldenaar heeft, binnen de grenzen der redelijkheid, recht
op vergoeding van de kosten, gevallen op een aanbod of een inbewaringstelling
als bedoeld in de artikelen 66-70 of op andere wijze als gevolg
van het verzuim gemaakt.
Artikel 64
Komt tijdens het verzuim van de schuldeiser een omstandigheid op,
die behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt,
dan wordt dit niet aan de schuldenaar toegerekend, tenzij deze door
zijn schuld of die van een ondergeschikte is tekortgeschoten in
de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd.
Artikel 65
Wanneer bij een verbintenis tot aflevering van soortzaken de schuldenaar
bepaalde, aan de verbintenis beantwoordende zaken voor de aflevering
heeft aangewezen en de schuldeiser daarvan heeft verwittigd, dan
is hij in geval van verzuim van de schuldeiser nog slechts tot aflevering
van deze zaken verplicht. Hij blijft echter bevoegd tot aflevering
van andere zaken die aan de verbintenis beantwoorden.
Artikel 66
Strekt de verbintenis tot betaling van een geldsom of tot aflevering
van een zaak, dan is in geval van verzuim van de schuldeiser de
schuldenaar bevoegd het verschuldigde ten behoeve van de schuldeiser
in bewaring te stellen.
Artikel 67
De inbewaringstelling van een geldsom geschiedt door consignatie
overeenkomstig de wet, die van een af te leveren zaak door deze
in bewaring te geven aan iemand die zijn bedrijf maakt van het bewaren
van zaken als de betrokkene ter plaatse waar de aflevering moet
geschieden. Op deze bewaring zijn de regels betreffende gerechtelijke
bewaring van toepassing, voor zover uit de artikelen 68-71 niet
anders voortvloeit.
Artikel 68
Gedurende de bewaring loopt over een in bewaring gestelde geldsom
geen rente ten laste van de schuldenaar.
Artikel 69
1. Gedurende de bewaring kan de schuldeiser zijn verzuim slechts
zuiveren door het in bewaring gestelde te aanvaarden.
2. Zolang de schuldeiser het in bewaring gestelde niet heeft aanvaard,
is de bewaargever bevoegd het uit de bewaring terug te nemen.
Artikel 70
De bewaarder mag de zaak slechts aan de schuldeiser afgeven, indien
deze hem alle kosten van de bewaring voldoet. Hij is na de afgifte
verplicht aan de bewaargever terug te betalen, wat deze reeds had
voldaan. Is de zaak afgegeven, vóórdat de schuldeiser
alle kosten voldeed, dan gaan de rechten te dier zake door de betaling
aan de bewaargever op de bewaarder over.
Artikel 71
De rechtsvordering tegen de schuldenaar verjaart niet later dan
de rechtsvordering tot uitlevering van het in bewaring gestelde.
Artikel 72
In geval van hoofdelijke verbondenheid gelden de rechtsgevolgen
van het verzuim van de schuldeiser jegens ieder van de schuldenaren.
Artikel 73
Weigert de schuldeiser een aanbod van een derde, dan zijn de artikelen
60, 62, 63 en 66-70 ten behoeve van de derde van overeenkomstige
toepassing, mits het aanbod aan de verbintenis beantwoordt en de
derde bij de voldoening een gerechtvaardigd belang heeft.
Afdeling 9. De gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 74
1. Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht
de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden,
tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
2. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, vindt
lid 1 slechts toepassing met inachtneming van hetgeen is bepaald
in de tweede paragraaf betreffende het verzuim van de schuldenaar.
Artikel 75
Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien
zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling
of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
Artikel 76
Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik
van de hulp van andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk.
Artikel 77
Wordt bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van
een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming die
daardoor ontstaat de schuldenaar toegerekend, tenzij dit, gelet
op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis
voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige
omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.
Artikel 78
1. Indien een tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend,
maar hij in verband met die tekortkoming een voordeel geniet dat
hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad, heeft de schuldeiser
met toepassing van de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking
recht op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van
dit voordeel.
2. Bestaat dit voordeel uit een vordering op een derde, dan kan
de schuldenaar aan het vorige lid voldoen door overdracht van die
vordering.
Artikel 79
Is de schuldeiser wiens schuldenaar door een hem niet toe te rekenen
oorzaak verhinderd is na te komen, desondanks in staat zelf zich
door executie of verrekening het verschuldigde te verschaffen, dan
is hij daartoe bevoegd.
Artikel 80
1. De gevolgen van niet-nakoming treden reeds in voordat de vordering
opeisbaar is:
a. indien vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk
zal zijn;
b. indien de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet
afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten; of
c. indien de schuldeiser goede gronden heeft te vrezen dat de schuldenaar
in de nakoming zal tekortschieten en deze niet voldoet aan een schriftelijke
aanmaning met opgave van die gronden om zich binnen een bij die
aanmaning gestelde redelijke termijn bereid te verklaren zijn verplichtingen
na te komen.
2. Het oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid blijft gelden
voor de verschuldigdheid van schadevergoeding wegens vertraging
en de toerekening aan de schuldenaar van onmogelijk worden van nakoming
tijdens zijn verzuim.
§ 2. Verzuim van de schuldenaar
Artikel 81
De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie
uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de
artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging
hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk
is.
Artikel 82
1. Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt
gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke
termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze
termijn uitblijft.
2. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn
houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling
plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat
hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.
Artikel 83
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
a. wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder
dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een
andere strekking heeft.
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of
strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de
verbintenis niet terstond wordt nagekomen;
c. wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar
moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
Artikel 84
Elke onmogelijkheid van nakoming, ontstaan tijdens het verzuim van
de schuldenaar en niet toe te rekenen aan de schuldeiser, wordt
aan de schuldenaar toegerekend; deze moet de daardoor ontstane schade
vergoeden, tenzij de schuldeiser de schade ook bij behoorlijke en
tijdige nakoming zou hebben geleden.
Artikel 85
Tot vergoeding van schade wegens vertraging in de nakoming is de
schuldenaar slechts verplicht over de tijd waarin hij in verzuim
is geweest.
Artikel 86
De schuldeiser kan een na het intreden van het verzuim aangeboden
nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden
van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en
van de kosten.
Artikel 87
1. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, wordt
de verbintenis omgezet in een tot vervangende schadevergoeding,
wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk
mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.
2. Geen omzetting vindt plaats, die door de tekortkoming, gezien
haar ondergeschikte betekenis, niet wordt gerechtvaardigd.
§ 3. Verdere gevolgen van niet-nakoming
Artikel 88
1. De schuldenaar die in de nakoming van zijn verbintenis is tekort
geschoten, kan aan de schuldeiser een redelijke termijn stellen,
waarbinnen deze moet mededelen welke van de hem bij de aanvang van
de termijn ten dienste staande middelen hij wenst uit te oefenen,
op straffe van slechts aanspraak te kunnen maken:
a. op de schadevergoeding waarop de tekortkoming recht geeft en,
zo de verbintenis strekt tot betaling van een geldsom, op die geldsom;
b. op ontbinding van de overeenkomst waaruit de verbintenis voortspruit,
indien de schuldenaar zich erop beroept dat de tekortkoming hem
niet kan worden toegerekend.
2. Heeft de schuldeiser nakoming verlangd, doch wordt daaraan niet
binnen een redelijke termijn voldaan, dan kan hij al zijn rechten
wederom doen gelden; het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 89
De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer
doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft
ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar
terzake heeft geprotesteerd.
Artikel 90
1. Bij een verhindering tot aflevering van een zaak die aan snel
tenietgaan of achteruitgaan onderhevig is of waarvan om een andere
reden de verdere bewaring zo bezwaarlijk is dat zij in de gegeven
omstandigheden niet van de schuldenaar kan worden gevergd, is deze
bevoegd de zaak op een geschikte wijze te doen verkopen. De schuldenaar
is jegens de schuldeiser tot een zodanige verkoop gehouden, wanneer
diens belangen deze verkoop onmiskenbaar eisen of de schuldeiser
te kennen geeft de verkoop te verlangen.
2. De netto-opbrengst treedt voor de zaak in de plaats, onverminderd
de rechten van de schuldeiser wegens tekortkomingen in de nakoming
van de verbintenis.
§ 4. Boetebeding
Artikel 91
Als boetebeding wordt aangemerkt ieder beding waarbij is bepaald
dat de schuldenaar, indien hij in de nakoming van zijn verbintenis
tekortschiet, gehouden is een geldsom of een andere prestatie te
voldoen, ongeacht of zulks strekt tot vergoeding van schade of enkel
tot aansporing om tot nakoming over te gaan.
Artikel 92
1. De schuldeiser kan geen nakoming vorderen zowel van het boetebeding
als van de verbintenis waaraan het boetebeding verbonden is.
2. Hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is treedt in de
plaats van de schadevergoeding op grond van de wet.
3. De schuldeiser kan geen nakoming vorderen van het boetebeding,
indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.
Artikel 93
Voor het vorderen van nakoming van het boetebeding is een aanmaning
of een andere voorafgaande verklaring nodig in dezelfde gevallen
als deze is vereist voor het vorderen van schadevergoeding op grond
van de wet.
Artikel 94
1. Op verlangen van de schuldenaar kan de rechter, indien de billijkheid
dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete matigen, met dien verstande
dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder
kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet.
2. Op verlangen van de schuldeiser kan de rechter, indien de billijkheid
dit klaarblijkelijk eist, naast een bedongen boete die bestemd is
in de plaats te treden van de schadevergoeding op grond van de wet,
aanvullende schadevergoeding toekennen.
3. Van lid 1 afwijkende bedingen zijn nietig.
Afdeling 10. Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding
Artikel 95
De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding
moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel,
dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.
Artikel 96
1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.
2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als
gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht
worden verwacht;
b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
3. Lid 2 onder b en c is niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de vergoeding van kosten als bedoeld in lid 2 onder c. Van deze regels kan niet ten nadele van de schuldenaar worden afgeweken indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. In dit geval mist artikel 241, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepassing.
5. De vergoeding volgens de nadere regels als bedoeld in lid 4, eerste volzin, kan indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, eerst verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 81 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.
6. Indien een schuldenaar voor meer dan een vordering door een schuldeiser kan worden aangemaand als bedoeld in lid 5, dan dient dit in één aanmaning te geschieden. Voor de berekening van de vergoeding worden de hoofdsommen van deze vorderingen bij elkaar opgeteld.
Artikel 97
De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard
ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig
worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
Artikel 98
Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig
verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van
de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid
en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden
toegerekend.
Artikel 99
Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen voor
elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast dat
de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen
is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden
op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het
gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.
Artikel 100
Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens
voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel
bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden
gebracht.
Artikel 101
1. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die
aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht
verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige
te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe
te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met
dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht
geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens
de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden
van het geval eist.
2. Betreft de vergoedingsplicht schade, toegebracht aan een zaak
die een derde voor de benadeelde in zijn macht had, dan worden bij
toepassing van het vorige lid omstandigheden die aan de derde toegerekend
kunnen worden, toegerekend aan de benadeelde.
Artikel 102
1. Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot
vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 10 in hun onderlinge
verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over
hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 101, tenzij
uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit.
2. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die
aan de benadeelde kan worden toegerekend, vindt artikel 101 toepassing
op de vergoedingsplicht van ieder van de in het vorige lid bedoelde
personen afzonderlijk, met dien verstande dat de benadeelde in totaal
van hen niet meer kan vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien
voor de omstandigheden waarop hun vergoedingsplichten berusten,
slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest.
Indien verhaal op een der tot bijdragen verplichte personen niet
ten volle mogelijk blijkt, kan de rechter op verlangen van een hunner
bepalen dat bij toepassing van artikel 13 het onvoldaan gebleven
deel mede over de benadeelde omgeslagen wordt.
Artikel 103
Schadevergoeding wordt voldaan in geld. Nochthans kan de rechter
op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan
betaling van een geldsom toekennen. Wordt niet binnen redelijke
termijn aan een zodanige uitspraak voldaan, dan herkrijgt de benadeelde
zijn bevoegdheid om schadevergoeding in geld te verlangen.
Artikel 104
Indien iemand die op grond van onrechtmatige daad of een tekortkoming
in de nakoming van een verbintenis jegens een ander aansprakelijk
is, door die daad of tekortkoming winst heeft genoten, kan de rechter
op vordering van die ander de schade begroten op het bedrag van
die winst of op een gedeelte daarvan.
Artikel 105
1. De begroting van nog niet ingetreden schade kan door de rechter
geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na afweging van goede
en kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het laatste geval kan
de rechter de schuldenaar veroordelen, hetzij tot betaling van een
bedrag ineens, hetzij tot betaling van periodiek uit te keren bedragen,
al of niet met verplichting tot zekerheidstelling; deze veroordeling
kan geschieden onder door de rechter te stellen voorwaarden.
2. Voor zover de rechter de schuldenaar veroordeelt tot betaling
van periodiek uit te keren bedragen, kan hij in zijn uitspraak bepalen
dat deze op verzoek van elk van de partijen door de rechter die
in eerste aanleg van de vordering tot schadevergoeding heeft kennis
genomen, kan worden gewijzigd, indien zich na de uitspraak omstandigheden
voordoen, die voor de omvang van de vergoedingsplicht van belang
zijn en met de mogelijkheid van het intreden waarvan bij de vaststelling
der bedragen geen rekening is gehouden.
Artikel 106
1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde
recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel
toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn
eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon
is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis
van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant
tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond
op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht
zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn
eer of goede naam.
2. Het recht op een vergoeding, als in het vorige lid bedoeld,
is niet vatbaar voor overgang en beslag, tenzij het bij overeenkomst
is vastgelegd of ter zake een vordering in rechte is ingesteld.
Voor overgang onder algemene titel is voldoende dat de gerechtigde
aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak
te maken.
Artikel 107
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander
aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die
ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf,
ook verplicht tot vergoeding van de kosten die een derde anders
dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft
gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt,
van die ander had kunnen vorderen.
2. Hij die krachtens het vorige lid door de derde tot schadevergoeding
wordt aangesproken kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de
gekwetste ten dienste zou hebben gestaan.
Artikel 107a
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander
aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, houdt
de rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de
gekwetste aanspraak kan maken rekening met de aanspraak op loon
die de gekwetste heeft krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7
of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst.
2. Indien een werkgever krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7
of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verplicht
is tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het
loon door te betalen, heeft hij, indien de ongeschiktheid tot werken
van de gekwetste het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een
ander aansprakelijk is, jegens deze ander recht op schadevergoeding
ten bedrage van de door hem betaalde loon, doch ten hoogste tot
het bedrag, waarvoor de aansprakelijke persoon, bij het ontbreken
van de loondoorbetalingsverplichting aansprakelijk zou zijn, verminderd
met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling
waarvan de aansprakelijke persoon jegens de gekwetste is gehouden.
3. Indien de aansprakelijke persoon een werknemer is, heeft de werkgever
slechts recht op schadevergoeding indien de ongeschiktheid tot werken
het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid.
Artikel 108
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander
jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot
vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde
partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste
het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;
b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze
reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud
voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;
c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop
de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband
samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot
deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder
het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende
in hun levensonderhoud kunnen voorzien;
d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde
en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen
van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt
doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding
moet worden voorzien.
2. Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens
laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden,
voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van
de overledene.
3. Hij die krachtens de vorige leden tot schadevergoeding wordt
aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat hem tegenover de
overledene zou hebben ten dienste gestaan.
Artikel 109
1. Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven
omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen
partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot
kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een
wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen.
2. De matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor
de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt
of verplicht was te dekken.
3. Ieder beding in strijd met lid 1 is nietig.
Artikel 110
Opdat de aansprakelijkheid die ter zake van schade kan ontstaan
niet hetgeen redelijkerwijs door verzekering kan worden gedekt,
te boven gaat, kunnen bij algemene maatregel van bestuur bedragen
worden vastgesteld, waarboven de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt.
Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van onder
meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade en de grond
van de aansprakelijkheid.
Afdeling 11. Verbintenissen tot betaling van een geldsom
Artikel 111
Een verbintenis tot betaling van een geldsom moet naar haar nominale
bedrag worden voldaan, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling
anders voortvloeit.
Artikel 112
Het geld dat ter voldoening van de verbintenis wordt betaald, moet
op het tijdstip van de betaling gangbaar zijn in het land in welks
geld de betaling geschiedt.
Artikel 113 [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 114
1. Bestaat in een land waar de betaling moet of mag geschieden ten
name van de schuldeiser een rekening, bestemd voor girale betaling,
dan kan de schuldenaar de verbintenis voldoen door het verschuldigde
bedrag op die rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser
betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten.
2. In het geval van het vorige lid geschiedt de betaling op het
tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd.
Artikel 115
De plaats waar de betaling moet geschieden wordt bepaald door de
artikelen 116-118, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit
dat op een andere plaats moet of mag worden betaald.
Artikel 116
1. De betaling moet worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser
op het tijdstip van de betaling.
2. De schuldeiser is bevoegd een andere plaats voor de betaling
aan te wijzen in het land van de woonplaats van de schuldeiser op
het tijdstip van de betaling of op het tijdstip van het ontstaan
van de verbintenis.
Artikel 117
Indien de betaling overeenkomstig artikel 116 moet geschieden op
een andere plaats dan de woonplaats van de schuldeiser op het tijdstip
van het ontstaan van de verbintenis en het voldoen aan de verbintenis
daardoor voor de schuldenaar aanmerkelijk bezwaarlijker zou worden,
is deze bevoegd de betaling op te schorten, totdat de schuldeiser
in een der in artikel 116, lid 2 bedoelde landen een andere plaats
voor de betaling heeft aangewezen, waaraan een zodanig bezwaar niet
is verbonden.
Artikel 118
Indien de verbintenis is ontstaan bij de uitoefening van bedrijfs-
of beroepsbezigheden van de schuldeiser, geldt in de artikelen 116
en 117 de plaats van vestiging waar die bezigheden worden uitgeoefend,
als woonplaats van de schuldeiser.
Artikel 119 BW
1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening
van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over
de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim
is geweest.
2. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke
rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde
rente.
3. Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de vorige
leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat
de schuldenaar in verzuim is gekomen.
Artikel 119a BW
1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening
van een geldsom, bestaat in het geval van een handelsovereenkomst
in de wettelijke rente van die som met ingang van de dag volgend
op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling
tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft voldaan.
Onder handelsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst om baat
die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen
en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen
die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.
2. Indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, is de
wettelijke rente van rechtswege verschuldigd:
a. vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop
de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, of
b. indien de datum van ontvangst van de factuur niet vaststaat,
of indien de schuldenaar de factuur ontvangt voordat hij de prestatie
heeft ontvangen, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende
op die waarop de prestatie is ontvangen, of
c. indien de schuldenaar een termijn heeft bedongen waarbinnen hij
de ontvangen prestatie kan aanvaarden dan wel kan beoordelen of
deze aan de overeenkomst beantwoordt, en indien hij de factuur ontvangt
voordat hij de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, vanaf 30
dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar
de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, dan wel, indien hij zich
niet over goedkeuring of aanvaarding uitspreekt, vanaf 30 dagen
na de aanvang van de dag volgende op die waarop de termijn verstrijkt.
3. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar
verschuldigde rente.
4. Geen wettelijke rente is verschuldigd wanneer de schuldeiser
zelf in verzuim is.
5. De wettelijke rente is verschuldigd behalve voor zover de vertraging
niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de wettelijke rente
gelijkgesteld een andere overeengekomen rente.
Artikel 120
1. De wettelijke rente bedoeld in artikel 119 wordt bij algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. Wettelijke rente die loopt op
het tijdstip van inwerkingtreding van een nieuwe bij algemene maatregel
van bestuur vastgestelde rentevoet, wordt met ingang van dat tijdstip
volgens de nieuwe rentevoet berekend.
2. De wettelijke rente bedoeld in artikel 119a is gelijk aan de
herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld
voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft
plaatsgevonden voor de eerste kalenderdag van het betreffende halfjaar,
vermeerderd met zeven procentpunten. Wettelijke rente die loopt
op de eerste dag van het betreffende halfjaar, wordt met ingang
van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend gedurende
een half jaar.
Artikel 121
1. Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van
het land waar de betaling moet geschieden, dan is de schuldenaar
bevoegd de verbintenis in het geld van de plaats van betaling te
voldoen.
2. Het vorige lid geldt niet, indien uit wet, gewoonte of rechtshandeling
voortvloeit dat de schuldenaar verplicht is tot betaling effectief
in het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt.
Artikel 122
1. Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van
het land waar de betaling moet geschieden en is de schuldenaar niet
in staat of beweert hij niet in staat te zijn in dit geld te voldoen,
dan kan de schuldeiser voldoening in het geld van de plaats van
betaling vorderen.
2. Het vorige lid geldt mede, indien de schuldenaar verplicht is
tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis
strekt.
Artikel 123
1. Ingeval in Nederland een rechtsvordering wordt ingesteld ter
verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in buitenlands geld, kan
de schuldeiser veroordeling vorderen tot betaling te zijner keuze
in dat buitenlandse geld of in Nederlands geld.
2. De schuldeiser die een in buitenlands geld luidende executoriale
titel in Nederland kan executeren, kan het hem verschuldigde bij
deze executie opeisen in Nederlands geld.
3. De vorige leden gelden mede, indien de schuldenaar verplicht
is tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis
strekt.
Artikel 124
Wordt de verbintenis als gevolg van toepassing van de artikelen
121, 122 of 123 of van omzetting in een vordering tot schadevergoeding
overeenkomstig het bepaalde in afdeling 9 van titel 1 voldaan in
ander geld dan tot betaling waarvan zij strekt, dan geschiedt de
omrekening naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.
Artikel 125
1. Artikel 119 laat onverlet het recht van de schuldeiser op vergoeding
van de schade die hij heeft geleden, doordat na het intreden van
het verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis
strekt, zich ten opzichte van die van het geld van een of meer andere
landen heeft gewijzigd.
2. Het vorige lid is niet van toepassing, indien de verbintenis
strekt tot betaling van Nederlands geld, de betaling in Nederland
moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan
van de verbintenis zijn woonplaats in Nederland had.
Artikel 126
Voor de toepassing van deze afdeling geldt als koers de koers tegen
welke de schuldeiser zich onverwijld het geld kan verschaffen, zulks
met inachtneming van hetgeen uit wet, gewoonte en inhoud of strekking
van de verbintenis mocht voortvloeien.
Afdeling 12. Verrekening
Artikel 127
1. Wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft,
aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering
verrekent, gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop
teniet.
2. Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer
hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld
jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling
van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.
3. De bevoegdheid tot verrekening bestaat niet ten aanzien van een
vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen.
Artikel 128
1. De schuldeiser van een vordering aan toonder of order brengt
deze in verrekening door zijn verrekeningsverklaring op het papier
te stellen en dit aan de wederpartij af te geven.
2. Indien de verrekening niet zijn gehele vordering betreft of hij
het papier nog voor de uitoefening van andere rechten nodig heeft,
kan hij het papier behouden, mits hij de verklaring niet alleen
op het papier stelt, maar haar ook schriftelijk tot de wederpartij
richt.
3. Hij kan, ongeacht of de verrekening de gehele vordering betreft,
bij enkele, niet op het papier gestelde schriftelijke verklaring
verrekenen, mits hij op verlangen van de wederpartij aantoont dat
het papier vernietigd of waardeloos geworden is, of zekerheid stelt
voor twintig jaren of voor een zoveel kortere tijdsduur als verwacht
mag worden dat de wederpartij nog aan een vordering uit hoofde van
het papier bloot zal kunnen staan.
Artikel 129
1. De verrekening werkt terug tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid
tot verrekening is ontstaan.
2. Is over één der vorderingen of over beide reeds
opeisbare rente betaald, dan werkt de verrekening niet verder terug
dan tot het einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan.
3. Indien voor de bepaling van de werking van een verrekening bij
geldschulden een koersberekening nodig is, geschiedt deze volgens
dezelfde maatstaven als wanneer op de dag der verrekening wederzijdse
betaling had plaatsgevonden.
Artikel 130
1. Is een vordering onder bijzondere titel overgegaan, dan is de
schuldenaar bevoegd ondanks de overgang ook een tegenvordering op
de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze
tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering
voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen
en opeisbaar geworden.
2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, wanneer op
een vordering beslag is gelegd of een beperkt recht is gevestigd
waarvan mededeling aan de schuldenaar is gedaan.
3. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de overgang
of de vestiging van het beperkte recht een vordering aan toonder
of order betrof en is geschied overeenkomstig artikel 93 van Boek
3.
Artikel 131
1. De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van
de rechtsvordering.
2. Uitstel van betaling of van executie, bij wijze van gunst door
de schuldeiser verleend, staat aan verrekening door de schuldeiser
niet in de weg.
Artikel 132
Wordt een verrekeningsverklaring uitgebracht door een daartoe bevoegde,
dan kan niettemin de wederpartij die grond had om nakoming van haar
verbintenis te weigeren, aan de verrekeningsverklaring haar werking
ontnemen door op de weigeringsgrond een beroep te doen, onverwijld
nadat die verklaring werd uitgebracht en zij tot dit beroep in staat
was.
Artikel 133
Nadat de ene partij een verrekeningsverklaring heeft uitgebracht,
kan de andere partij, mits onverwijld, aan die verklaring haar werking
ontnemen door alsnog gebruik te maken van een eigen bevoegdheid
tot verrekening, doch alleen indien deze laatste verrekening verder
terugwerkt.
Artikel 134
De schuldenaar uit een wederkerige overeenkomst, die tot verrekening
bevoegd is, kan aan de verklaring van zijn wederpartij, strekkende
tot ontbinding van de overeenkomst wegens niet-nakoming, haar werking
ontnemen door onverwijld van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik
te maken.
Artikel 135
Een schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening:
a. voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig
zou zijn;
b. indien zijn verplichting strekt tot vergoeding van schade die
hij opzettelijk heeft toegebracht.
Artikel 136
De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de gedaagde
op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer
niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens
voor toewijzing vatbaar is.
Artikel 137
1. Voor zover een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke
verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, geldt de volgorde
van toerekening, aangegeven in de artikelen 43 lid 2 en 44 lid 1.
2. De wederpartijj van degene die heeft verklaard te verrekenen,
kan door een onverwijld protest aan die verklaring haar werking
ontnemen, indien de toerekening op de haar verschuldigde hoofdsom,
kosten en met inachtneming van artikel 129 te berekenen rente in
deze verklaring in een andere volgorde is geschied dan die van artikel
44 lid 1.
Artikel 138
1. De omstandigheid dat de plaats van voldoening der verbintenissen
niet dezelfde is, sluit verrekening niet uit. Hij die verrekent,
is in dit geval verplicht zijn wederpartij de schade te vergoeden
die deze lijdt, doordat niet wederzijds te bestemder plaatse voldoening
geschiedt.
2. De wederpartij van degene die ondanks een verschil in de plaats
van nakoming heeft verrekend, kan door een onverwijld protest aan
de verklaring tot verrekening haar werking ontnemen, als zij er
een gerechtvaardigd belang bij heeft dat geen verrekening, maar
nakoming plaatsvindt.
Artikel 139
1. De borg en degene wiens goed voor de schuld van een ander verbonden
is, kunnen de opschorting van hun aansprakelijkheid inroepen, voor
zover de schuldeiser bevoegd is zijn vordering met een opeisbare
schuld aan de schuldenaar te verrekenen.
2. Zij kunnen de bevrijding van hun aansprakelijkheid inroepen,
voor zover de schuldeiser een bevoegdheid tot verrekening met een
schuld aan de schuldenaar heeft doen verloren gaan, tenzij hij daartoe
een redelijke grond had of hem geen schuld treft.
Artikel 140
1. Moeten tussen twee partijen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling
geldvorderingen en geldschulden in één rekening worden
opgenomen, dan worden zij in de volgorde waarin partijen volgens
de voorgaande artikelen van deze afdeling of krachtens hun onderlinge
rechtsverhouding tot verrekening bevoegd worden, dadelijk van rechtswege
verrekend en is op ieder tijdstip alleen het saldo verschuldigd.
Artikel 137 is niet van toepassing.
2. De partij die de rekening bijhoudt, sluit deze jaarlijks af en
deelt het op dat tijdstip verschuldigde saldo mede aan de wederpartij
met opgave van de aan deze nog niet eerder medegedeelde posten waaruit
het is samengesteld.
3. Indien de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het ingevolge
het vorige lid medegedeelde saldo protesteert, geldt dit als tussen
partijen vastgesteld.
4. Na vaststelling van het saldo kan ten aanzien van de afzonderlijke
posten geen beroep meer worden gedaan op het intreden van verjaring
of op het verstrijken van een vervaltermijn. De rechtsvordering
tot betaling van het saldo verjaart door verloop van vijf jaren
na de dag, volgende op die waarop de rekening is geëindigd
en het saldo opeisbaar is geworden.
5. Uit de tussen partijen bestaande rechtsverhouding kan anders
voortvloeien dan in de vorige leden is bepaald.
Artikel 141
Indien een verbintenis geheel of gedeeltelijk door verrekening tenietgaat,
zijn de leden 1 en 2 van artikel 48 van overeenkomstige toepassing.
Titel 2. Overgang van vorderingen en schulden en afstand van vorderingen
Afdeling 1. Gevolgen van overgang van vorderingen
Artikel 142
1. Bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser verkrijgt
deze de daarbij behorende nevenrechten, zoals rechten van pand en
hypotheek en uit borgtocht, voorrechten en de bevoegdheid om de
ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale
titels ten uitvoer te leggen.
2. Onder de nevenrechten zijn tevens begrepen het recht van de vorige
schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom, behalve
voor zover de rente opeisbaar of de boete of dwangsom reeds verbeurd
was op het tijdstip van de overgang.
Artikel 143
1. In geval van overgang van een vordering is de vorige schuldeiser
verplicht de op de vordering en op de nevenrechten betrekking hebbende
bewijsstukken af te geven aan de nieuwe schuldeiser. Behoudt hij
zelf belang bij een bewijsstuk, dan is hij slechts verplicht om
aan de nieuwe schuldeiser op diens verlangen en op diens kosten
een afschrift of uittreksel af te geven, waaruit met overeenkomstige
bewijskracht als uit het oorspronkelijke stuk van de vordering blijkt.
2. De vorige schuldeiser is tevens verplicht tot afgifte van de
in het vorige artikel bedoelde executoriale titels of, indien hijzelf
belang bij deze titels behoudt, om de nieuwe schuldeiser tot tenuitvoerlegging
daarvan in de gelegenheid te stellen.
3. In geval van overgang van de gehele vordering is de vorige schuldeiser
verplicht de zich in zijn handen bevindende panden af te geven aan
de nieuwe schuldeiser.
4. In geval van overgang van een vordering waaraan hypotheek is
verbonden, is de vorige schuldeiser verplicht desverlangd ertoe
mede te werken dat uit de openbare registers van deze overgang blijkt.
Artikel 144
1. Brengt de overdracht van een vordering mee dat verplichtingen
die uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten voortvloeien, overgaan
op de nieuwe schuldeiser, dan staat de vorige schuldeiser in voor
de nakoming van deze verplichtingen.
2. Lid 1 is niet van toepassing in geval van overdracht van een
vordering aan toonder of order overeenkomstig artikel 93 van Boek
3.
Artikel 145
Overgang van een vordering laat de verweermiddelen van de schuldenaar
onverlet.
Artikel 146
1. Na een overdracht overeenkomstig artikel 93 van Boek 3 van een
vordering aan toonder of aan order kan de schuldenaar een verweermiddel,
gegrond op zijn verhouding tot een vorige schuldeiser, niet tegenwerpen
aan de verkrijger en diens rechtsopvolgers, tenzij op het tijdstip
van de overdracht het verweermiddel bekend was aan de verkrijger
of voor hem kenbaar was uit het papier.
2. Een beroep op onbekwaamheid of onbevoegdheid kan ook jegens een
daarmee niet bekende verkrijger worden gedaan, indien zij ten tijde
van zijn verkrijging kenbaar was uit een in een openbaar register
opgenomen inschrijving, bij of krachtens de wet voorgeschreven teneinde
kennisneming mogelijk te maken van de feiten waarop de onbevoegdheid
of onbekwaamheid berust.
Artikel 147
In geval van overdracht van een papier aan toonder of aan order
verliest degene die volgens dat papier schuldenaar is, en aan wie
is toe te rekenen dat het papier tegen zijn wil in omloop is of
dat zijn handtekening vals of het papier vervalst is, de bevoegdheid
zich daarop te beroepen tegenover de verkrijger te goeder trouw
en diens rechtsopvolgers.
Artikel 148
De artikelen 146 en 147 zijn van overeenkomstige toepassing in geval
van vestiging van een beperkt recht op een vordering aan toonder
of aan order.
Artikel 149
1. Oefent de schuldenaar na overgang van de vordering onder bijzondere
titel jegens de oorspronkelijke schuldeiser een bevoegdheid uit
tot vernietiging of ontbinding van de rechtshandeling waaruit de
vordering voortspruit, dan is hij verplicht om de nieuwe schuldeiser
zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen, tenzij de vernietiging
of ontbinding niet aan deze kan worden tegengeworpen.
2. Na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging of ontbinding
wordt een beroep op de vernietigings- of ontbindingsgrond ter afwering
van een op de rechtshandeling steunende rechtsvordering of andere
rechtsmaatregel gericht tot de nieuwe schuldeiser en is de schuldenaar
verplicht zo spoedig mogelijk nadien mededeling daarvan aan de oorspronkelijke
schuldeiser te doen.
3. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing ter zake
van de uitoefening van een bevoegdheid van de schuldenaar tot vernietiging
of ontbinding, nadat op de vordering met mededeling aan hem een
beperkt recht is gevestigd.
Afdeling 2. Subrogatie
Artikel 150
Een vordering gaat bij wijze van subrogatie over op een derde:
a. indien een hem toebehorend goed voor de vordering wordt uitgewonnen;
b. indien hij de vordering voldoet omdat een hem toebehorend goed
voor de vordering verbonden is;
c. indien hij de vordering voldoet om uitwinning te voorkomen van
een hem niet toebehorend goed, mits door de uitwinning een recht
dat hij op het goed heeft, verloren zou gaan of de voldoening van
een hem toekomend vorderingsrecht in gevaar zou worden gebracht;
d. krachtens overeenkomst tussen de derde die de vordering voldoet
en de schuldenaar, mits de schuldeiser op het tijdstip van de voldoening
deze overeenkomst kende of hem daarvan kennis was gegeven.
Artikel 151
1. Subrogatie overeenkomstig artikel 150 vindt niet plaats voor
zover de schuld de derde aangaat in zijn verhouding tot de schuldenaar.
2. De rechten van de schuldeiser jegens borgen en personen die geen
schuldenaar zijn, gaan slechts op de derde over tot ten hoogste
de bedragen, waarvoor de schuld ieder van hen aangaat in hun verhouding
tot de schuldenaar.
Artikel 152
1. Blijkt verhaal krachtens subrogatie overeenkomstig artikel 150
geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onvoldaan gebleven
deel over de gesubrogeerde en andere in lid 2 van het vorige artikel
genoemde derden omgeslagen naar evenredigheid van de bedragen waarvoor
ieder op het tijdstip van de voldoening jegens de schuldeiser aansprakelijk
was.
2. De gesubrogeerde kan van geen der andere bij de omslag betrokken
derden een groter bedrag vorderen dan de oorspronkelijke schuldeiser
op het tijdstip van de voldoening op deze had kunnen verhalen.
3. Ieder der in de omslag betrokkenen blijft gerechtigd het bijgedragene
alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te vorderen.
Artikel 153
In het geval van subrogatie in de hoofdvordering verkrijgt de gesubrogeerde
het recht op bedongen rente slechts voor zover deze betrekking heeft
op het tijdvak na de overgang.
Artikel 154
De schuldeiser is jegens degene die, zo hij de vordering voldoet,
zal worden gesubrogeerd, verplicht zich te onthouden van elke gedraging
die ten koste van deze afbreuk doet aan de rechten waarin hij mag
verwachten krachtens de subrogatie te zullen treden.
Afdeling 3. Schuld- en contractsoverneming
Artikel 155
Een schuld gaat van de schuldenaar over op een derde, indien deze
haar van de schuldenaar overneemt. De schuldoverneming heeft pas
werking jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming geeft
nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven.
Artikel 156
1. Heeft de schuldeiser bij voorbaat zijn toestemming tot een schuldoverneming
gegeven, dan vindt de overgang plaats, zodra de schuldenaar tot
overeenstemming is gekomen met de derde en partijen de schuldeiser
schriftelijk van de overneming kennis hebben gegeven.
2. De schuldeiser kan een bij voorbaat gegeven toestemming niet
herroepen, tenzij hij zich de bevoegdheid daartoe bij de toestemming
heeft voorbehouden.
Artikel 157
1. De bij de vordering behorende nevenrechten worden na het tijdstip
van de overgang tegen de nieuwe in plaats van tegen de oude schuldenaar
uitgeoefend.
2. Tot zekerheid van de overgegane schuld strekkende rechten van
pand en hypotheek op een aan een der partijen toebehorend goed blijven
bestaan; die op een niet aan partijen toebehorend goed en rechten
uit borgtocht gaan door de overgang teniet, tenzij de pand- of hypotheekgever
of borg tevoren in handhaving heeft toegestemd.
3. Voorrechten op bepaalde goederen waarop de schuldeiser niet tevens
een verhaalsrecht jegens derden heeft, gaan door de overgang teniet,
tenzij de schuldoverneming plaatsvindt ter uitvoering van de overdracht
van een onderneming waartoe ook het goed waarop het voorrecht rust,
behoort. Voorrechten op het vermogen van de schuldenaar gelden na
de overgang als voorrechten op het vermogen van de nieuwe schuldenaar.
4. Bedongen rechten en boeten, alsmede dwangsommen die vóór
de overgang aan de schuldenaar werden opgelegd, worden door de nieuwe
in plaats van door de oude schuldenaar verschuldigd, voor zover
zij na het tijdstip van de overgang zijn opeisbaar geworden of verbeurd.
Artikel 158
Indien de rechtsverhouding tussen de vorige en de nieuwe schuldenaar
op grond waarvan de schuld is overgenomen, nietig, vernietigd of
ontbonden is, kan de schuldeiser de schuld weer op de vorige schuldenaar
doen overgaan door daartoe strekkende kennisgevingen aan de beide
betrokken partijen; elk van hen kan de schuldeiser daartoe een redelijke
termijn stellen.
Artikel 159
1. Een partij bij een overeenkomst kan haar rechtsverhouding tot
de wederpartij met medewerking van deze laatste overdragen aan een
derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte.
2. Hierdoor gaan alle rechten en verplichtingen over op de derde,
voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden
rechten of verplichtingen anders is bepaald.
3. Artikel 156 en de leden 1-3 van artikel 157 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 4. Afstand en vermenging
Artikel 160
1. Een verbintenis gaat teniet door een overeenkomst van de schuldeiser
met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand
doet.
2. Een door de schuldeiser tot de schuldenaar gericht aanbod tot
afstand om niet geldt als aanvaard, wanneer de schuldenaar van het
aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen.
3. De artikelen 48 leden 1 en 2 en 49 leden 1-3 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 161
1. Een verbintenis gaat teniet door vermenging, wanneer door overgang
van de vordering of de schuld de hoedanigheid van schuldeiser en
die van schuldenaar zich in één persoon verenigen.
2. Het vorige lid is niet van toepassing:
a. zolang de vordering en de schuld in van elkaar gescheiden vermogens
vallen;
b. in geval van overdracht overeenkomstig artikel 93 van Boek 3
van een vordering aan toonder of order;
c. indien de voormelde vereniging van hoedanigheden het gevolg is
van een rechtshandeling onder ontbindende voorwaarde, zolang niet
vaststaat dat de voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan.
3. Tenietgaan van een verbintenis door vermenging laat de op de
vordering rustende rechten van derden onverlet.
Titel 3. Onrechtmatige daad
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 162
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke
hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander
dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht
en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met
hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer
betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien
zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens
de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening
komt.
Artikel 163
Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden
norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde
die heeft geleden.
Artikel 164
Een gedraging van een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog
niet heeft bereikt, kan aan hem niet als een onrechtmatige daad
worden toegerekend.
Artikel 165
1. De omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging
van een persoon van veertien jaren of ouder verricht is onder invloed
van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen beletsel
haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen.
2. Is jegens de benadeelde tevens een derde wegens onvoldoende toezicht
aansprakelijk, dan is deze derde jegens de dader verplicht tot bijdragen
in de schadevergoeding voor het gehele bedrag van zijn aansprakelijkheid
jegens de benadeelde.
Artikel 166
1. Indien één van tot een groep behorende personen
onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen
van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen
in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze
gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
2. Zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding
bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid
een andere verdeling vordert.
Artikel 167
1. Wanneer iemand krachtens deze titel jegens een ander aansprakelijk
is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende
publicatie van gegevens van feitelijke aard, kan de rechter hem
op vordering van die ander veroordelen tot openbaarmaking van een
rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.
2. Hetzelfde geldt, indien aansprakelijkheid ontbreekt, omdat de
publicatie aan de dader wegens diens onbekendheid met de onjuistheid
of onvolledigheid niet als een onrechtmatige daad is toe te rekenen.
3. In het geval van lid 2 kan de rechter die de vordering toewijst
bepalen dat de kosten van het geding en van de openbaarmaking van
de rectificatie geheel of gedeeltelijk moeten worden gedragen door
degene die de vordering heeft ingesteld. Elk der partijen heeft
voor het gedeelte van de kosten van het geding en van de openbaarmaking
van de rectificatie dat ingevolge de uitspraak door hem moet worden
gedragen, verhaal op ieder die voor de door de publicatie ontstane
schade aansprakelijk is.
Artikel 168
1. De rechter kan een vordering, strekkende tot verbod van een onrechtmatige
gedraging, afwijzen op de grond dat deze gedraging op grond van
zwaarwegende maatschappelijke belangen behoort te worden geduld.
De benadeelde behoudt zijn recht op vergoeding van de schade overeenkomstig
de onderhavige titel.
2. In het geval van artikel 170 is de ondergeschikte voor deze schade
niet aansprakelijk.
3. Wordt aan een veroordeling tot schadevergoeding of tot het stellen
van zekerheid daarvoor niet voldaan, dan kan de rechter alsnog een
verbod van de gedraging opleggen.
Afdeling 2. Aansprakelijkheid voor personen en zaken
Artikel 169
1. Voor schade aan een derde toegebracht door een als een doen te
beschouwen gedraging van een kind dat nog niet de leeftijd van veertien
jaren heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige
daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet
in de weg zou staan, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij
over het kind uitoefent, aansprakelijk.
2. Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een
kind dat de leeftijd van veertien jaren al wel maar die van zestien
jaren nog niet heeft bereikt, is degene die het ouderlijk gezag
of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk, tenzij hem
niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet
heeft belet.
Artikel 170
1. Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een
ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn
taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht
tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens
dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking
zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen.
2. Stond de ondergeschikte in dienst van een natuurlijke persoon
en was hij niet werkzaam voor een beroep of bedrijf van deze persoon,
dan is deze slechts aansprakelijk, indien de ondergeschikte bij
het begaan van de fout handelde ter vervulling van de hem opgedragen
taak.
3. Zijn de ondergeschikte en degene in wiens dienst hij stond, beiden
voor de schade aansprakelijk, dan behoeft de ondergeschikte in hun
onderlinge verhouding niet in de schadevergoeding bij te dragen,
tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.
Uit de omstandigheden van het geval, mede gelet op de aard van hun
verhouding, kan anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
Artikel 171
Indien een niet ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden
ter uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk
is voor een bij die werkzaamheden begane fout, is ook die ander
jegens de derde aansprakelijk.
Artikel 172
Indien een gedraging van een vertegenwoordiger ter uitoefening van
de hem als zodanig toekomende bevoegdheden een fout jegens een derde
inhoudt, is ook de vertegenwoordigde jegens de derde aansprakelijk.
Artikel 173
1. De bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij,
zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden
aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken
oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk,
tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben
ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van ontstaan daarvan
zou hebben gekend.
2. Indien de zaak niet aan de in het vorige lid bedoelde eisen voldoet
wegens een gebrek als bedoeld in afdeling 3 van titel 3, bestaat
geen aansprakelijkheid op grond van het vorige lid voor schade als
in die afdeling bedoeld, tenzij
a. alle omstandigheden in aanmerking genomen, aannemelijk is dat
het gebrek niet bestond op het tijdstip waarop het produkt in het
verkeer is gebracht of dat het gebrek op een later tijdstip is ontstaan;
of
b. het betreft zaakschade ter zake waarvan krachtens afdeling 3
van titel 3 geen recht op vergoeding bestaat op grond van de in
die afdeling geregelde franchise.
3. De vorige leden zijn niet van toepassing op dieren, schepen en
luchtvaartuigen.
Artikel 174
1. De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die
men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor
gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich
verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond
van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar
op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.
2. Bij erfpacht rust de aansprakelijkheid op de bezitter van het
erfpachtsrecht. Bij openbare wegen rust zij op het overheidslichaam
dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert, bij leidingen
op de leidingbeheerder, behalve voor zover de leiding zich bevindt
in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve
van dat gebouw of werk.
3. Bij ondergrondse werken rust de aansprakelijkheid op degene die
op het moment van het bekend worden van de schade het werk in de
uitoefening van zijn bedrijf gebruikt. Indien na het bekend worden
van de schade een ander gebruiker wordt, blijft de aansprakelijkheid
rusten op degene die ten tijde van dit bekend worden gebruiker was.
Indien de schade is bekend geworden na beëindiging van het
gebruik van het ondergrondse werk, rust de aansprakelijkheid op
degene die de laatste gebruiker was.
4. Onder opstal in dit artikel worden verstaan gebouwen en werken,
die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij
door vereniging met andere gebouwen of werken.
5. Degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal
of van de grond staat ingeschreven, wordt vermoed de bezitter van
de opstal te zijn.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder openbare weg mede
begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting.
Artikel 175
1. Degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof
gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat
zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van
ernstige aard voor personen of zaken oplevert, is aansprakelijk,
wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Onder degene die een bedrijf
uitoefent, wordt mede begrepen elke rechtspersoon die de stof in
de uitoefening van zijn taak gebruikt of onder zich heeft. Als bijzonder
gevaar van ernstige aard geldt in elk geval dat de stof ontplofbaar,
oxyderend, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar,
dan wel vergiftig of zeer vergiftig is volgens de criteria en methoden,
vastgesteld krachtens artikel 34, derde lid, Wet milieugevaarlijke
stoffen (Stb. 1985, 639).
2. Bevindt de stof zich in de macht van een bewaarder die er zijn
bedrijf van maakt zodanige stoffen te bewaren, dan rust de aansprakelijkheid
uit het eerste lid op deze. Met een zodanige bewaarder wordt gelijkgesteld
de vervoerder, expediteur, stuwadoor, bewaarder of soortgelijke
ondernemer, die de stof ten vervoer of uit hoofde van een met het
vervoer samenhangende overeenkomst in ontvangst heeft genomen, zulks
voor de periode waarin de stof zich in zijn macht bevindt zonder
dat afdeling 4 van titel 6, 4 van titel 11, 1 van titel 14 of 4
van titel 19 van Boek 8 van toepassing is.
3. Bevindt de stof zich in een leiding, dan rust de aansprakelijkheid
uit het eerste lid op de leidingbeheerder, behalve voor zover de
leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer
of afvoer ten behoeve van dit gebouw of werk.
4. Is de schade een gevolg van verontreiniging met de stof van lucht,
water of bodem, dan rust de aansprakelijkheid uit het eerste lid
op degene die bij de aanvang van de tot verontreiniging leidende
gebeurtenis door dit artikel als aansprakelijke persoon werd aangewezen.
Heeft de verontreiniging plaatsgevonden doordat de stof in verpakte
toestand in water of bodem is gekomen of op de bodem is achtergelaten,
dan wordt die gebeurtenis geacht op dit tijdstip reeds te zijn aangevangen.
5. Vormt de stof, al of niet tezamen met andere bestanddelen, een
roerende zaak als bedoeld in artikel 173 lid 1, is zij in een zodanige
zaak verpakt of is zij opgeslagen in een daartoe bestemd gebouw
of werk als bedoeld in artikel 174, vierde lid, dan rust de aansprakelijkheid
uit de artikelen 173 en 174, voor wat betreft de schade die door
verwezenlijking van het aan de stof verbonden gevaar is veroorzaakt,
op dezelfde persoon als op wie krachtens de voorgaande leden aansprakelijkheid
ter zake van de stof rust.
6. Een stof wordt geacht aan de omschrijving van de eerste zin van
het eerste lid te voldoen, wanneer zij bij algemene maatregel van
bestuur als zodanig is aangewezen. Een stof kan in elk geval worden
aangewezen, als zij volgens de criteria en methoden, vastgesteld
krachtens artikel 34, derde lid, Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb.
1985, 639), behoort tot een der categorieën bedoeld in het
tweede lid van dat artikel. De aanwijzing kan worden beperkt tot
bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene
maatregel van bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof verbonden
zijn, en tot bepaalde daarin te omschrijven situaties waarin de
stof zich bevindt.
Artikel 176
1. De exploitant van een stortplaats is aansprakelijk voor de schade
die voor of na de sluiting van de stortplaats ontstaat als gevolg
van verontreiniging van lucht, water of bodem met de daar voor die
sluiting gestorte stoffen.
2. In dit artikel wordt onder exploitant van een stortplaats verstaan:
a. degene voor wie een vergunning geldt als bedoeld in artikel 8.1
van de Wet milieubeheer om op het in lid 6 bedoelde terrein een
stortplaats op te richten, te veranderen of de werking daarvan te
veranderen of in werking te hebben;
b. een ieder die de stortplaats exploiteert zonder dat voor hem
een zodanige vergunning geldt.
3. Indien na het bekend worden van de schade een ander exploitant
van de stortplaats wordt, blijft de aansprakelijkheid voor die schade
rusten op degene die tijdens dit bekend worden exploitant was.
4. Indien de schade is bekend geworden na de sluiting van de stortplaats,
rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste exploitant was.
Geen aansprakelijkheid op grond van dit artikel bestaat, wanneer
op het tijdstip waarop de schade bekend wordt, meer dan twintig
jaren waren verstreken nadat de stortplaats was gesloten met inachtneming
van de geldende overheidsvoorschriften, of de schade een gevolg
is van gebruik van de grond in strijd met hetgeen wegens de aanwezigheid
van de gesloten stortplaats omtrent dit gebruik is voorgeschreven.
5. Indien de exploitatie als stortplaats wettelijk is toegelaten,
zijn degenen die de stoffen waardoor de verontreiniging is opgetreden,
daar hebben gestort of doen storten, noch aansprakelijk krachtens
artikel 175, noch krachtens afdeling 4 van titel 6, 4 van titel
11, 1 van titel 14 of 4 van titel 19 van Boek 8. Indien op de stortplaats
een zaak als bedoeld in artikel 173 of een stof als bedoeld in artikel
175 is gestort, rust de aansprakelijkheid uit die artikelen op degene
die krachtens de voorgaande leden als exploitant van de stortplaats
aansprakelijk is.
6. Onder stortplaats is begrepen elk terrein dat door de exploitant
daarvan is bestemd voor het storten van al of niet verpakte, geheel
of ten dele van anderen afkomstige stoffen met als doel dat de exploitant
of die anderen zich van die stoffen ontdoen door ze daar op of in
de bodem te brengen. Onder storten wordt mede begrepen elke vorm
van deponeren of afgeven van de stof op de stortplaats.
Artikel 177
1. De exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1,
onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de schade
die ontstaat door:
a. uitstroming van delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel
a, van de Mijnbouwwet als gevolg van het niet beheersen van de ondergrondse
natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie van het
werk zijn ontketend;
b. beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie
van dat werk.
2. In dit artikel wordt onder exploitant van een mijnbouwwerk verstaan:
a. de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van
de Mijnbouwwet, die een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan
wel in gebruik heeft;
b. een ieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk
aanlegt of doet aanleggen dan wel in gebruik heeft zonder dat hij
houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a, tenzij
hij in opdracht van een ander handelt die houder is van een vergunning
als vorenbedoeld dan wel, indien die ander dat niet is, hij daarmee
niet bekend was of behoorde te zijn.
3. Voor schade door uitstroming van delfstoffen is aansprakelijk
degene die ten tijde van de gebeurtenis waardoor de uitstroming
plaatsvindt, exploitant van een mijnbouwwerk is. Indien na deze
gebeurtenis een ander exploitant wordt van het mijnbouwwerk, blijft
de aansprakelijkheid voor deze schade rusten op degene die ten tijde
van die gebeurtenis exploitant was. Indien de gebeurtenis plaatsvindt
nadat het mijnbouwwerk is verlaten, rust de aansprakelijkheid op
degene die de laatste exploitant van het werk was, tenzij op het
tijdstip van die gebeurtenis meer dan vijf jaren waren verstreken
nadat het werk was verlaten met inachtneming van de geldende overheidsvoorschriften.
4. Voor schade door beweging van de bodem is aansprakelijk degene
die ten tijde van het bekend worden van deze schade exploitant is.
Indien na het bekend worden een ander exploitant wordt, blijft de
aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit bekend
worden exploitant was. Indien deze schade bekend wordt na sluiting
van het mijnbouwwerk, rust de aansprakelijkheid op degene die de
laatste exploitant was.
5. Indien op de gebeurtenis waardoor de uitstroming of de beweging
van de bodem is ontstaan, tevens een aansprakelijkheid uit artikel
173, 174 of 175 kan worden gegrond, rust die aansprakelijkheid,
wat betreft de door die uitstroming of beweging van de bodem veroorzaakte
schade, op dezelfde persoon als op wie de aansprakelijkheid ter
zake van het mijnbouwwerk rust.
Artikel 178
Geen aansprakelijkheid krachtens artikel 175, 176 of 177 bestaat
indien:
a. de schade is veroorzaakt door gewapend conflict, burgeroorlog,
opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij;
b. de schade is veroorzaakt door een natuurgebeuren van uitzonderlijke,
onvermijdelijke en onweerstaanbare aard, behoudens de in artikel
177 lid 1 bedoelde ondergrondse natuurkrachten in het geval van
dat artikel;
c. de schade is veroorzaakt uitsluitend door voldoening aan een
bevel of dwingend voorschrift van de overheid;
d. de schade is veroorzaakt bij een handeling met een stof als bedoeld
in artikel 175 in het belang van de benadeelde zelf, waarbij het
jegens deze redelijk was hem aan het gevaar voor schade bloot te
stellen;
e. de schade is veroorzaakt uitsluitend door een handelen of nalaten
van een derde, geschied met het opzet schade te veroorzaken, zulks
onverminderd het bepaalde in de artikelen 170 en 171;
f. het gaat om hinder, verontreiniging of andere gevolgen, ter zake
waarvan aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben
ontbroken, zo zij door de aangesprokene bewust zouden zijn veroorzaakt.
Artikel 179
De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier
aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige
afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier
waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.
Artikel 180
1. In de gevallen van de artikelen 173, 174 en 179 zijn medebezitters
hoofdelijk aansprakelijk.
2. In geval van overdracht van een zaak onder opschortende voorwaarde
van voldoening van een tegenprestatie rust de aansprakelijkheid
die de artikelen 173, 174 en 179 op de bezitter leggen, vanaf het
tijdstip van deze overdracht op de verkrijger.
Artikel 181
1. Worden de in de artikelen 173, 174 en 179 bedoelde zaken, opstallen
of dieren gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de
aansprakelijkheid uit de artikelen 173 lid 1, 174 lid 1 en lid 2,
eerste zin, en 179 op degene die dit bedrijf uitoefent, tenzij het
een opstal betreft en het ontstaan van de schade niet met de uitoefening
van het bedrijf in verband staat.
2. Wanneer de zaken, opstallen of dieren in de uitoefening van een
bedrijf worden gebruikt door ze ter beschikking te stellen voor
gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan wordt
die ander als de uit hoofde van het vorige lid aansprakelijke persoon
aangemerkt.
3. Wanneer een stof als bedoeld in artikel 175 in de uitoefening
van een bedrijf wordt gebruikt door deze stof ter beschikking te
stellen voor gebruik in de uitoefening van het beroep of bedrijf
van een ander, wordt die ander als de uit hoofde van artikel 175
lid 1 aansprakelijke persoon aangemerkt.
Artikel 182
Indien er in de gevallen van de artikelen 176 en 177 tegelijkertijd
twee of meer al of niet gezamenlijk handelende exploitanten zijn,
zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.
Artikel 183
1. Ter zake van aansprakelijkheid op grond van deze afdeling kan
de aangesprokene geen beroep doen op zijn jeugdige leeftijd of geestelijke
of lichamelijke tekortkoming.
2. Degene die het ouderlijk gezag of voogdij uitoefent over een
kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt,
is in zijn plaats uit de artikelen 173 en 179 voor de daar bedoelde
zaken en dieren aansprakelijk, tenzij deze worden gebruikt in de
uitoefening van een bedrijf.
Artikel 184
1. Onder de schade waarvoor op grond van de artikelen 173-182 aansprakelijkheid
bestaat, vallen ook:
a. de kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking
van schade door wie dan ook genomen, nadat een ernstige en onmiddellijke
dreiging is ontstaan dat schade zal worden veroorzaakt die krachtens
die artikelen voor vergoeding in aanmerking komt;
b. schade en verlies veroorzaakt door zulke maatregelen.
2. Indien de maatregelen, bedoeld in het vorige lid, door een ander
worden genomen dan degene die de schade zou hebben geleden ter zake
waarvan de ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan, kan deze
ander slechts vergoeding van de in het vorige lid bedoelde kosten,
schaden en verliezen vorderen, voor zover zij gevorderd hadden kunnen
worden door degene die de dreigende schade zou hebben geleden, en
kan de aangesprokene jegens die ander hetzelfde verweer voeren als
hem jegens deze ten dienste zou hebben gestaan.
Afdeling 3. Produktenaansprakelijkheid
Artikel 185
1. De producent is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door
een gebrek in zijn produkt, tenzij:
a. hij het produkt niet in het verkeer heeft gebracht;
b. het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek
dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop
hij het produkt in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat dit gebrek
later is ontstaan;
c. het produkt noch voor de verkoop of voor enige andere vorm van
verspreiding met een economisch doel van de producent is vervaardigd,
noch is vervaardigd of verspreid in het kader van de uitoefening
van zijn beroep of bedrijf;
d. het gebrek een gevolg is van het feit dat het produkt in overeenstemming
is met dwingende overheidsvoorschriften;
e. het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische
kennis op het tijdstip waarop hij het produkt in het verkeer bracht,
onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
f. wat de producent van een grondstof of fabrikant van een onderdeel
betreft, het gebrek is te wijten aan het ontwerp van het produkt
waarvan de grondstof of het onderdeel een bestanddeel vormt, dan
wel aan de instructies die door de fabrikant van het produkt zijn
verstrekt.
2. De aansprakelijkheid van de producent wordt verminderd of opgeheven
rekening houdende met alle omstandigheden, indien de schade is veroorzaakt
zowel door een gebrek in het produkt als door schuld van de benadeelde
of een persoon voor wie de benadeelde aansprakelijk is.
3. De aansprakelijkheid van de producent wordt niet verminderd,
indien de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek in het produkt
als door de gedraging van een derde.
Artikel 186
1. Een produkt is gebrekkig, indien het niet de veiligheid biedt
die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking
genomen en in het bijzonder
a. de presentatie van het produkt;
b. het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het produkt;
c. het tijdstip waarop het produkt in het verkeer werd gebracht.
2. Een produkt mag niet als gebrekkig worden beschouwd uitsluitend
omdat nadien een beter produkt in het verkeer is gebracht.
Artikel 187
1. Onder product wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan
een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan vormen
van een andere roerende of onroerende zaak, alsmede elektriciteit.
2. Onder "producent" wordt voor de toepassing van artikel
185 tot en met 193 verstaan de fabrikant van een eindprodukt, de
producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel, alsmede
een ieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn
merk of een ander onderscheidingsteken op het produkt aan te brengen.
3. Onverminderd de aansprakelijkheid van de producent, wordt een
ieder die een produkt in de Europese Economische Ruimte invoert
om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of anderszins te verstrekken
in het kader van zijn commerciële activiteiten, beschouwd als
producent; zijn aansprakelijkheid is dezelfde als die van de producent.
4. Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het produkt
is, wordt elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij
hij de benadeelde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt
van de producent of van degene die hem het produkt heeft geleverd.
Indien ten aanzien van een in de Europese Economische Ruimte geïmporteerd
produkt niet kan worden vastgesteld wie de importeur van dat produkt
is, wordt eveneens elke leverancier als producent ervan beschouwd,
tenzij hij de benadeelde binnen een redelijke termijn de identiteit
meedeelt van de importeur in de Europese Economische Ruimte of van
een leverancier binnen de Europese Economische Ruimte die hem het
produkt heeft geleverd.
Artikel 188
De benadeelde moet de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband
tussen het gebrek en de schade bewijzen.
Artikel 189
Indien verschillende personen op grond van artikel 185, eerste lid,
aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, is elk hunner voor het
geheel aansprakelijk.
Artikel 190
1. De aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 185, eerste lid, bestaat
voor
a. schade door dood of lichamelijk letsel;
b. schade door het produkt toegebracht aan een andere zaak die gewoonlijk
voor gebruik of verbruik in de privésfeer is bestemd en door
de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer is gebruikt
of verbruikt, met toepassing van een franchise ten belope van €
500.
2. Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt bij algemene maatregel
van bestuur aangepast, indien op grond van artikel 18, tweede lid,
van de EEG-richtlijn van 25 juli 1985 (PbEG nr. L 210) de in die
richtlijn genoemde bedragen worden herzien.
Artikel 191
1. De rechtsvordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen
de producent ingevolge artikel 185, eerste lid, verjaart door verloop
van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop
de benadeelde met de schade, het gebrek en de identiteit van de
producent bekend is geworden of had moeten worden.
2. Het recht op schadevergoeding van de benadeelde jegens de producent
ingevolge artikel 185, eerste lid, vervalt door verloop van tien
jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de producent
de zaak die de schade heeft veroorzaakt, in het verkeer heeft gebracht.
Hetzelfde geldt voor het recht van een derde die mede voor de schade
aansprakelijk is, terzake van regres jegens de producent.
Artikel 192
1. De aansprakelijkheid van de producent uit hoofde van deze afdeling
kan jegens de benadeelde niet worden uitgesloten of beperkt.
2. Is jegens de benadeelde tevens een derde aansprakelijk die het
produkt niet gebruikt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
dan kan niet ten nadele van die derde worden afgeweken van de regels
inzake het regres.
Artikel 193
Het recht op schadevergoeding jegens de producent uit hoofde van
deze afdeling komt de benadeelde toe, onverminderd alle andere rechten
of vorderingen.
Afdeling 4. Misleidende en vergelijkende reclame
Artikel 194
Hij die omtrent goederen of diensten die door hem of degene ten
behoeve van wie hij handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf worden aangeboden, een mededeling openbaar maakt of laat
openbaar maken, handelt onrechtmatig, indien deze mededeling in
een of meer opzichten misleidend is, zoals ten aanzien van:
a. de aard, samenstelling, hoeveelheid, hoedanigheid, eigenschappen
of gebruiksmogelijkheden;
b. de herkomst, de wijze op het tijdstip van vervaardigen;
c. de omvang van de voorraad;
d. de prijs of de wijze van berekenen daarvan;
e. de aanleiding of het doel van de aanbieding;
f. de toegekende onderscheidingen, getuigschriften of andere door
derden uitgebrachte beoordelingen of gedane verklaringen, of de
gebezigde wetenschappelijke of vaktermen, technische bevindingen
of statistische gegevens;
g. de voorwaarden, waaronder goederen worden geleverd of diensten
worden verricht of de betaling plaatsvindt;
h. de omvang, inhoud of tijdsduur van de garantie;
i. de identiteit, hoedanigheden, bekwaamheid of bevoegdheid en degene
door wie, onder wiens leiding of toezicht of met wiens medewerking
de goederen zijn of worden vervaardigd of aangeboden of de diensten
worden verricht.
Artikel 194a
1. Onder vergelijkende reclame wordt verstaan elke vorm van reclame
waarbij een concurrent dan wel door een concurrent aangeboden goederen
of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd.
2. Vergelijkende reclame is, wat de vergelijking betreft, geoorloofd
op voorwaarde dat deze:
a. niet misleidend is;
b. goederen of diensten vergelijkt die in dezelfde behoeften voorzien
of voor hetzelfde doel zijn bestemd;
c. op objectieve wijze een of meer wezenlijke, relevante, controleerbare
en representatieve kenmerken van deze goederen en diensten, zoals
de prijs, met elkaar vergelijkt;
d. er niet toe leidt dat op de markt de adverteerder wordt verward
met een concurrent, of de merken, handelsnamen, andere onderscheidende
kenmerken, goederen of diensten van de adverteerder met die van
een concurrent;
e. niet de goede naam schaadt van of zich niet kleinerend uitlaat
over de merken, handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken,
goederen, diensten, activiteiten of omstandigheden van een concurrent;
f. voor producten met een benaming van oorsprong in elk geval betrekking
heeft op producten met dezelfde benaming;
g. geen oneerlijk voordeel oplevert ten gevolge van de bekendheid
van een merk, handelsnaam of andere onderscheidende kenmerken van
een concurrent dan wel van de oorsprongsbenamingen van concurrerende
producten; en
h. niet goederen of diensten voorstelt als een imitatie of namaak
van goederen of diensten met een beschermd merk of beschermde handelsnaam.
3. Elke vergelijking die verwijst naar een speciale aanbieding,
moet duidelijk en ondubbelzinnig het einde en, zo de speciale aanbieding
nog niet loopt, het begin aangeven van de periode gedurende welke
de speciale prijs of andere specifieke voorwaarden gelden dan wel
vermelden dat de speciale aanbieding loopt zo lang de voorraad strekt
of de diensten kunnen worden verleend.
Artikel 195
1. Indien een vordering ingevolge artikel 194 of artikel 194a wordt
ingesteld tegen iemand die inhoud en inkleding van de mededeling
geheel of ten dele heeft bepaald of doen bepalen, rust op hem de
bewijslast ter zake van de juistheid of volledigheid van de feiten
die in de mededeling zijn vervat of daardoor worden gesuggereerd
en waarop het beweerde misleidende karakter van de mededeling berust
onderscheidenlijk waarop de ongeoorloofdheid van de vergelijkende
reclame berust. Ingeval van vergelijkende reclame dient degene die
inhoud en inkleding van de mededeling geheel of ten dele zelf heeft
bepaald of doen bepalen binnen korte termijn de bewijzen aan te
dragen waarop de materiële juistheid en volledigheid van de
feitelijke gegevens in de reclame rust.
2. Indien volgens artikel 194 en artikel 194a onrechtmatig is gehandeld
door iemand die inhoud en inkleding van de mededeling geheel of
ten dele zelf heeft bepaald of doen bepalen, is hij voor de dientengevolge
ontstane schade aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat zulks noch
aan zijn schuld is te wijten noch op andere grond voor zijn rekening
komt.
Artikel 196
1. Indien iemand door het openbaar maken of laten openbaar maken
van een in artikel 194 omschreven mededeling of een ongeoorloofde
vergelijkende reclame aan een ander schade heeft toegebracht of
dreigt toe te brengen, kan de rechter hem op vordering van die ander
niet alleen het openbaar maken of laten openbaar maken van zodanige
mededeling of zodanige ongeoorloofde vergelijkende reclame verbieden,
maar ook hem laten veroordelen tot het op een door de rechter aangegeven
wijze openbaar maken of laten openbaar maken van een rectificatie
van die mededeling of die ongeoorloofde vergelijkende reclame.
2. Indien een vordering als in het vorige lid bedoeld wordt toegewezen
jegens iemand die niet tevens aansprakelijk is voor de in artikel
195 lid 2 bedoelde schade, is artikel 167 lid 3 van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 4A. Aansprakelijkheid bij elektronisch rechtsverkeer
Artikel 196b
1. Indien een certificatiedienstverlener een certificaat aan het
publiek afgeeft als een gekwalificeerd certificaat als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet, of indien
hij voor een zodanig certificaat publiekelijk instaat, en een persoon
op grond daarvan handelt in redelijk vertrouwen op:
a. de juistheid, op het tijdstip van afgifte, van alle in het certificaat
opgenomen gegevens en de opneming van alle voor dit certificaat
voorgeschreven gegevens;
b. het feit dat, op het tijdstip van uitgifte, degene die in het
certificaat is aangeduid als ondertekenaar de houder was van de
gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen die
behoren bij de in het certificaat vermelde gegevens voor het verifiëren
van elektronische handtekeningen;
c. het feit dat de gegevens voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen en de gegevens voor het verifiëren van elektronische
handtekeningen, indien zij beide door de certificatiedienstverlener
zijn gegenereerd, complementair kunnen worden gebruikt; is de certificatiedienstverlener
aansprakelijk voor de dientengevolge door deze persoon geleden schade,
tenzij de certificatiedienstverlener bewijst dat hij niet onzorgvuldig
heeft gehandeld.
2. Een certificatiedienstverlener die een certificaat aan het publiek
heeft afgegeven als een gekwalificeerd certificaat of voor een zodanig
certificaat publiekelijk instaat, en nalaat de intrekking van dat
certificaat te registreren, is, indien een persoon in redelijk vertrouwen
daarop handelt, aansprakelijk voor de door deze persoon dientengevolge
geleden schade, tenzij de certificatiedienstverlener bewijst dat
hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
3. Een certificatiedienstverlener kan in een gekwalificeerd certificaat
beperkingen ten aanzien van het gebruik daarvan opnemen, mits die
beperkingen voor derden duidelijk zijn. Een certificatiedienstverlener
is niet aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het gebruik
van een gekwalificeerd certificaat in strijd met daarin overeenkomstig
de vorige volzin opgenomen beperkingen.
4. Een certificatiedienstverlener kan in een gekwalificeerd certificaat
een grens aangeven voor de waarde van de transacties waarvoor het
certificaat kan worden gebruikt, mits deze grens voor derden duidelijk
is. Een certificatiedienstverlener is niet aansprakelijk voor schade
die het gevolg is van een overschrijding van een overeenkomstig
de vorige volzin opgenomen grens.
Artikel 196c
1. Degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht als
bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3, bestaande uit het doorgeven
van van een ander afkomstige informatie of het verschaffen van toegang
tot een communicatienetwerk is niet aansprakelijk voor de doorgegeven
informatie, indien hij:
a. niet het initiatief tot het doorgeven van de informatie neemt;
b. niet degene is die bepaalt aan wie de informatie wordt doorgegeven;
en
c. hij de doorgegeven informatie niet heeft geselecteerd of gewijzigd.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder het enkele doorgeven
van van een ander afkomstige informatie en het enkele verschaffen
van toegang tot een communicatienetwerk mede verstaan de geautomatiseerde,
tussentijdse en tijdelijke opslag van de doorgegeven informatie,
voor zover deze opslag uitsluitend geschiedt ten behoeve van het
doorgeven van die informatie en de duur van deze opslag niet langer
is dan daarvoor redelijkerwijs noodzakelijk is.
3. Degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht als
bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3, bestaande uit het geautomatiseerd,
tussentijds en tijdelijk opslaan van van een ander afkomstige informatie
voor zover het opslaan enkel geschiedt om het later doorgeven van
die informatie aan anderen op hun verzoek doeltreffender te maken,
is niet aansprakelijk voor het geautomatiseerd, tussentijds en tijdelijk
opslaan van de informatie indien hij:
a. de informatie niet wijzigt;
b. de toegangsvoorwaarden voor de informatie in acht neemt;
c. de in de bedrijfstak geldende of gebruikelijke regels betreffende
de bijwerking van de informatie naleeft;
d. niet de in de bedrijfstak geldende of gebruikelijke technologie
voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie
wijzigt, en
e. prompt de nodige maatregelen neemt om de informatie te verwijderen
of de toegang daartoe onmogelijk te maken, zodra hij weet dat de
informatie is verwijderd van de plaats waar deze zich oorspronkelijk
in het communicatienetwerk bevond of de toegang daartoe onmogelijk
is gemaakt, of dat een bevoegde autoriteit heeft bevolen de informatie
te verwijderen van de plaats waar deze zich oorspronkelijk in het
communicatienetwerk bevond of de toegang daartoe heeft verboden.
4. Degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht als
bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3, bestaande uit het op verzoek
opslaan van van een ander afkomstige informatie, is niet aansprakelijk
voor de opgeslagen informatie, indien hij:
a. niet weet van de activiteit of informatie met een onrechtmatig
karakter en, in geval van een schadevergoedingsvordering, niet redelijkerwijs
behoort te weten van de activiteit of informatie met een onrechtmatig
karakter, dan wel
b. zodra hij dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, prompt
de informatie verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt.
5. Het hiervoor bepaalde staat niet in de weg aan het verkrijgen
van een rechterlijk verbod of bevel.
Afdeling 5. Tijdelijke regeling verhaalsrechten
Artikel 197
1. De artikelen 165, 166, 169, 171, 173, 174, 175, 176, 177 en 185,
alsmede de afdelingen 4 van titel 6, 4 van titel 11, 1 van titel
14 en 4 van titel 19 van Boek 8 blijven buiten toepassing:
a. bij de vaststelling van het totale bedrag waarvoor aansprakelijkheid
naar burgerlijk recht zou bestaan, vereist voor de berekening van
het bedrag waarvoor verhaal bestaat krachtens artikel 107a en de
artikelen 99 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 90
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 68 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 60 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, 52a van de Ziektewet, 61 van de Algemene nabestaandenwet,
65b van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en 8 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
b. bij de vaststelling van het bedrag, bedoeld in artikel 3 van
de Verhaalswet ongevallen ambtenaren waarboven de gehoudenheid krachtens
die wet of krachtens artikel 70 van de Wet privatisering ABP zich
niet uitstrekt.
2. Rechten uit de artikelen 165, 166, 169, 171, 173, 174, 175, 176,
177 en 185, alsmede de afdelingen 4 van titel 6, 4 van titel 11,
1 van titel 14 en 4 van titel 19 van Boek 8 zijn niet vatbaar voor
subrogatie:
a. krachtens artikel 962 van Boek 7, behoudens voor zover de uitkering
door de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft
en een ander krachtens deze artikelen mede aansprakelijk was;
b. krachtens artikel 6, derde lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
3. Degene wiens verhaal of subrogatie door de vorige leden wordt
uitgesloten, kan de in het tweede lid bedoelde rechten evenmin krachtens
overeenkomst verkrijgen of te zijnen behoeve door de gerechtigde
op diens naam doen uitoefenen.
Titel 4. Verbintenissen uit andere bron dan onrechtmatige daad of
overeenkomst
Afdeling 1. Zaakwaarneming
Artikel 198
Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond
inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid
daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde
rechtsverhouding te ontlenen.
Artikel 199
1. De zaakwaarnemer is verplicht bij de waarneming de nodige zorg
te betrachten en, voor zover dit redelijkerwijze van hem kan worden
verlangd, de begonnen waarneming voort te zetten.
2. De zaakwaarnemer doet, zodra dit redelijkerwijze mogelijk is,
aan de belanghebbende verantwoording van hetgeen hij heeft verricht.
Heeft hij voor de belanghebbende gelden uitgegeven of ontvangen,
dan doet hij daarvan rekening.
Artikel 200
1. De belanghebbende is, voor zover zijn belang naar behoren is
behartigd, gehouden de zaakwaarnemer de schade te vergoeden, die
deze als gevolg van de waarneming heeft geleden.
2. Heeft de zaakwaarnemer in de uitoefening van een beroep of bedrijf
gehandeld, dan heeft hij, voor zover dit redelijk is, bovendien
recht op een vergoeding voor zijn verrichtingen, met inachtneming
van de prijzen die daarvoor ten tijde van de zaakwaarneming gewoonlijk
werden berekend.
Artikel 201
Een zaakwaarnemer is bevoegd rechtshandelingen te verrichten in
naam van de belanghebbende, voor zover diens belang daardoor naar
behoren wordt behartigd.
Artikel 202
Heeft iemand die is opgetreden ter behartiging van eens anders belang,
zich zonder redelijke grond daarmede ingelaten of dit belang niet
naar behoren behartigd, dan kan de belanghebbende door goedkeuring
van het optreden zijn bevoegdheid prijsgeven jegens hem het gebrek
in te roepen. Aan de belanghebbende kan door hem een redelijke termijn
voor de goedkeuring worden gesteld.
Afdeling 2. Onverschuldigde betaling
Artikel 203
1. Degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven,
is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug
te vorderen.
2. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de
vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.
3. Degene die zonder rechtsgrond een prestatie van andere aard heeft
verricht, heeft eveneens jegens de ontvanger recht op ongedaanmaking
daarvan.
Artikel 204
1. Heeft de ontvanger in een periode waarin hij redelijkerwijze
met een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening behoefde
te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het goed zorg
gedragen, dan wordt hem dit niet toegerekend.
2. Degene die namens een ander, maar onbevoegd een niet aan die
ander verschuldigde geldsom heeft ontvangen, is van zijn verplichting
tot teruggave bevrijd, voor zover hij die geldsom aan die ander
heeft doorbetaald in een periode waarin hij redelijkerwijze met
die verplichting geen rekening behoefde te houden.
Artikel 205
Heeft de ontvanger het goed te kwader trouw aangenomen, dan is hij
zonder ingebrekestelling in verzuim.
Artikel 206
De artikelen 120, 121, 123 en 124 van Boek 3 zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent
de afgifte van vruchten en de vergoeding van kosten en schade.
Artikel 207
De ontvanger heeft, tenzij hij het goed te kwader trouw heeft aangenomen,
binnen de grenzen van de redelijkheid ook recht op vergoeding van
de kosten van het ontvangen en teruggeven van het goed, alsmede
van uitgaven in de in artikel 204 bedoelde periode die zouden zijn
uitgebleven als hij het goed niet had ontvangen.
Artikel 208
De ontvanger verliest zijn recht op de in de beide vorige artikelen
bedoelde vergoedingen, indien de wederpartij afstand doet van haar
recht op terugvordering en, voor zover nodig, het onverschuldigd
betaalde ter bevrijding van deze vergoedingen op haar kosten aan
de ontvanger overdraagt. De ontvanger is verplicht aan een zodanige
overdracht mede te werken.
Artikel 209
Op de onbekwame die een onverschuldigde betaling heeft ontvangen,
rusten de in deze afdeling omschreven verplichtingen slechts, voor
zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of
in de macht van zijn wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.
Artikel 210
1. Op de ongedaanmaking van prestaties die niet in het geven van
een goed hebben bestaan, zijn de artikelen 204-209 van overeenkomstige
toepassing.
2. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt,
dan treedt, voor zover dit redelijk is, vergoeding van de waarde
van de prestatie op het ogenblik van ontvangst daarvoor in de plaats,
indien de ontvanger door de prestatie is verrijkt, indien het aan
hem is toe te rekenen dat de prestatie is verricht, of indien hij
erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichten.
Artikel 211
1. Kan een prestatie die op grond van een nietige overeenkomst is
verricht, naar haar aard niet ongedaan worden gemaakt en behoort
zij ook niet in rechte op geld te worden gewaardeerd, dan is een
tot ongedaanmaking van een tegenprestatie of tot vergoeding van
de waarde daarvan strekkende vordering, voor zover deze deswege
in strijd met redelijkheid en billijkheid zou zijn, eveneens uitgesloten.
2. Is ingevolge het vorige lid terugvordering van een overgedragen
goed uitgesloten, dan brengt de nietigheid van de overeenkomst niet
de nietigheid van de overdracht mede.
Afdeling 3. Ongerechtvaardigde verrijking
Artikel 212
1. Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander,
is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden
tot het bedrag van zijn verrijking.
2. Voor zover de verrijking is verminderd als gevolg van een omstandigheid
die niet aan de verrijkte kan worden toegerekend, blijft zij buiten
beschouwing.
3. Is de verrijking verminderd in de periode waarin de verrijkte
redelijkerwijze met een verplichting tot vergoeding van de schade
geen rekening behoefde te houden, dan wordt hem dit niet toegerekend.
Bij de vaststelling van deze vermindering wordt mede rekening gehouden
met uitgaven die zonder de verrijking zouden zijn uitgebleven.
Titel 5. Overeenkomsten in het algemeen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 213
1. Een overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige
rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer
andere een verbintenis aangaan.
2. Op overeenkomsten tussen meer dan twee partijen zijn de wettelijke
bepalingen betreffende overeenkomsten niet toepasselijk, voor zover
de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard
van de overeenkomst zich daartegen verzet.
Artikel 214
1. Een overeenkomst door een der partijen gesloten in de uitoefening
van haar bedrijf of beroep, is behalve aan de wettelijke bepalingen
ook onderworpen aan een standaardregeling, wanneer voor de bedrijfstak
waartoe het bedrijf behoort, of voor het beroep ten aanzien van
zodanige overeenkomst een standaardregeling geldt. De bijzondere
soorten van overeenkomsten waarvoor standaardregelingen kunnen worden
vastgesteld en de bedrijfstak of het beroep, waarvoor elk dezer
regelingen bestemd is te gelden, worden bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen.
2. Een standaardregeling wordt vastgesteld, gewijzigd en ingetrokken
door een daartoe door Onze Minister van Justitie te benoemen commissie.
Bij de wet worden nadere regelen gesteld omtrent de wijze van samenstelling
en de werkwijze van de commissies.
3. De vaststelling, wijziging of intrekking van een standaardregeling
wordt niet van kracht voordat zij door Ons is goedgekeurd en met
Ons goedkeuringsbesluit in de Nederlandse Staatscourant is afgekondigd.
4. Bij een standaardregeling kan worden afgeweken van wettelijke
bepalingen, voor zover daarvan ook afwijking bij overeenkomst, al
of niet met inachtneming van een bepaalde vorm, is toegelaten. De
vorige zin lijdt uitzondering, wanneer uit een wettelijke bepaling
iets anders voortvloeit.
5. Partijen kunnen in hun overeenkomst van een standaardregeling
afwijken. Een standaardregeling kan echter voor afwijking een bepaalde
vorm voorschrijven.
Artikel 215
Voldoet een overeenkomst aan de omschrijving van twee of meer door
de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, dan zijn
de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de
overeenkomst van toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen
niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met
de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.
Artikel 216
Hetgeen in deze en de volgende drie afdelingen is bepaald, vindt
overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke
rechtshandelingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen
in verband met de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet
verzet.
Afdeling 2. Het tot stand komen van overeenkomsten
Artikel 217
1. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding
daarvan.
2. De artikelen 219-225 zijn van toepassing, tenzij iets anders
voortvloeit uit het aanbod, uit een andere rechtshandeling of uit
een gewoonte.
Artikel 218
Een aanbod is geldig, nietig of vernietigbaar overeenkomstig de
regels voor meerzijdige rechtshandelingen.
Artikel 219
1. Een aanbod kan worden herroepen, tenzij het een termijn voor
de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere
wijze uit het aanbod volgt.
2. De herroeping kan slechts geschieden, zolang het aanbod niet
is aanvaard en evenmin een mededeling, houdende de aanvaarding is
verzonden. Bevat het aanbod de mededeling dat het vrijblijvend wordt
gedaan, dan kan de herroeping nog onverwijld na de aanvaarding geschieden.
3. Een beding waarbij één der partijen zich verbindt
om, indien de wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde overeenkomst
te sluiten, geldt als een onherroepelijk aanbod.
Artikel 220
1. Een bij wijze van uitloving voor een bepaalde tijd gedaan aanbod
kan wegens gewichtige redenen worden herroepen of gewijzigd.
2. In geval van herroeping of wijziging van een uitloving kan de
rechter aan iemand die op grond van de uitloving met de voorbereiding
van een gevraagde prestatie is begonnen, een billijke schadeloosstelling
toekennen.
Artikel 221
1. Een mondeling aanbod vervalt, wanneer het niet onmiddellijk wordt
aanvaard, een schriftelijk aanbod, wanneer het niet binnen een redelijke
tijd wordt aanvaard.
2. Een aanbod vervalt, doordat het wordt verworpen.
Artikel 222
Een aanbod vervalt niet door de dood of het verlies van handelingsbekwaamheid
van een der partijen, noch doordat een der partijen de bevoegdheid
tot het sluiten van de overeenkomst verliest als gevolg van een
bewind.
Artikel 223
1. De aanbieder kan een te late aanvaarding toch als tijdig gedaan
laten gelden, mits hij dit onverwijld aan de wederpartij mededeelt.
2. Indien een aanvaarding te laat plaatsvindt, maar de aanbieder
begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de wederpartij niet
duidelijk was, geldt de aanvaarding als tijdig gedaan, tenzij hij
onverwijld aan de wederpartij mededeelt dat hij het aanbod als vervallen
beschouwt.
Artikel 224
Indien een aanvaarding de aanbieder niet of niet tijdig bereikt
door een omstandigheid op grond waarvan zij krachtens artikel 37
lid 3, tweede zin, van Boek 3 niettemin haar werking heeft, wordt
de overeenkomst geacht tot stand te zijn gekomen op het tijdstip
waarop zonder de storende omstandigheid de verklaring zou zijn ontvangen.
Artikel 225
1. Een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, geldt als een nieuw
aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke.
2. Wijkt een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod daarvan
slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt dit antwoord als
aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze aanvaarding
tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de
verschillen.
3. Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden,
dan komt aan de tweede verwijzing geen werking toe, wanneer daarbij
niet tevens de toepasselijkheid van de in de eerste verwijzing aangegeven
algemene voorwaarden uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen.
Artikel 226
Stelt de wet voor de totstandkoming van een overeenkomst een vormvereiste,
dan is dit voorschrift van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst
waarbij een partij in wier belang het strekt, zich tot het aangaan
van een zodanige overeenkomst verbindt, tenzij uit de strekking
van het voorschrift anders voortvloeit.
Artikel 227
De verbintenissen die partijen op zich nemen, moeten bepaalbaar
zijn.
Artikel 227a
1. Indien uit de wet voortvloeit dat een overeenkomst slechts in
schriftelijke vorm geldig of onaantastbaar tot stand komt, is aan
deze eis tevens voldaan indien de overeenkomst langs elektronische
weg is totstandgekomen en
a. raadpleegbaar door partijen is;
b. de authenticiteit van de overeenkomst in voldoende mate gewaarborgd
is;
c. het moment van totstandkoming van de overeenkomst met voldoende
zekerheid kan worden vastgesteld; en
d. de identiteit van de partijen met voldoende zekerheid kan worden
vastgesteld.
2. Lid 1 is niet van toepassing op:
a. overeenkomsten die rechten doen ontstaan of overdragen ten aanzien
van onroerende zaken, met uitzondering van huurrechten;
b. overeenkomsten waarbij persoonlijke of zakelijke zekerheden worden
verstrekt door personen die niet handelen in de uitoefening van
een beroep of bedrijf; voor zover de aard van de overeenkomst of
van de rechtsbetrekking waarvan zij deel uitmaakt zich daartegen
verzet.
3. Lid 1 is niet van toepassing op:
a. overeenkomsten waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van
de rechter, een overheidsorgaan of een beroepsbeoefenaar die een
publieke taak uitoefent; en
b. overeenkomsten die onder het familierecht of het erfrecht vallen.
Artikel 227b
1. Voordat een overeenkomst langs elektronische weg tot stand komt
verstrekt degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent
als bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3 de wederpartij ten minste
op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze informatie
over:
a. de wijze waarop de overeenkomst tot stand zal komen en in het
bijzonder welke handelingen daarvoor nodig zijn;
b. het al dan niet archiveren van de overeenkomst nadat deze tot
stand zal zijn gekomen, alsmede, indien de overeenkomst wordt gearchiveerd,
op welke wijze deze voor de wederpartij te raadplegen zal zijn;
c. de wijze waarop de wederpartij van door hem niet gewilde handelingen
op de hoogte kan geraken, alsmede de wijze waarop hij deze kan herstellen
voordat de overeenkomst tot stand komt;
d. de talen waarin de overeenkomst kan worden gesloten;
e. de gedragscodes waaraan hij zich heeft onderworpen en de wijze
waarop deze gedragscodes voor de wederpartij langs elektronische
weg te raadplegen zijn.
2. De dienstverlener stelt voor of bij het sluiten van de overeenkomst
de voorwaarden daarvan, niet zijnde algemene voorwaarden als bedoeld
in artikel 231, op zodanige wijze aan de wederpartij ter beschikking,
dat deze door hem kunnen worden opgeslagen zodat deze voor hem toegankelijk
zijn ten behoeve van latere kennisneming.
3. Lid 1 is niet van toepassing op overeenkomsten die uitsluitend
door middel van de uitwisseling van elektronische post of een soortgelijke
vorm van individuele communicatie tot stand zijn gekomen.
4. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van het
niet naleven door de dienstverlener van zijn in lid 1, aanhef en
onder a, c of d, genoemde verplichtingen, is vernietigbaar. Indien
de dienstverlener zijn in lid 1, aanhef en onder a of c genoemde
verplichting niet is nagekomen, wordt vermoed dat een overeenkomst
onder invloed daarvan tot stand is gekomen.
5. Gedurende de tijd dat de dienstverlener de informatie, bedoeld
in lid 1, onder b en e en lid 2, niet heeft verstrekt, kan de wederpartij
de overeenkomst ontbinden.
6. Tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep
of bedrijf kan van lid 1 worden afgeweken.
Artikel 227c
1. Degene die een dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld
in artikel 15d lid 3 van Boek 3 verleent, stelt de wederpartij passende,
doeltreffende en toegankelijke middelen ter beschikking waarmee
de wederpartij voor de aanvaarding van de overeenkomst van door
hem niet gewilde handelingen op de hoogte kan geraken en waarmee
hij deze kan herstellen.
2. Indien een wederpartij van een dienstverlener langs elektronische
weg een verklaring uitbrengt die door de dienstverlener mag worden
opgevat hetzij als een aanvaarding van een door hem langs elektronische
weg gedaan aanbod, hetzij als een aanbod naar aanleiding van een
door hem langs elektronische weg gedane uitnodiging om in onderhandeling
te treden, bevestigt de dienstverlener zo spoedig mogelijk langs
elektronische weg de ontvangst van deze verklaring. Zolang de ontvangst
van een aanvaarding niet is bevestigd, kan de wederpartij de overeenkomst
ontbinden. Het niet tijdig bevestigen van de ontvangst van een aanbod
geldt als verwerping daarvan.
3. Een verklaring als bedoeld in lid 2 en de ontvangstbevestiging
worden geacht te zijn ontvangen, wanneer deze toegankelijk zijn
voor de partijen tot wie zij zijn gericht.
4. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de overeenkomst
uitsluitend door middel van de uitwisseling van elektronische post
of een soortgelijke vorm van individuele communicatie tot stand
komt.
5. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van het
niet naleven door de dienstverlener van zijn in lid 1 genoemde verplichting,
is vernietigbaar. Indien de dienstverlener zijn in lid 1 genoemde
verplichting niet is nagekomen, wordt vermoed dat een overeenkomst
onder invloed daarvan tot stand is gekomen.
6. Van dit artikel kan slechts worden afgeweken tussen partijen
die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Artikel 228
1. Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling
en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten,
is vernietigbaar:
a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij,
tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting
zou worden gesloten;
b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling
wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;
c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van
dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan,
tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven
te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst
zou worden afgehouden.
2. De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een
uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband
met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen
of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende
behoort te blijven.
Artikel 229
Een overeenkomst die de strekking heeft voort te bouwen op een reeds
tussen partijen bestaande rechtsverhouding, is vernietigbaar, indien
deze rechtsverhouding ontbreekt, tenzij dit in verband met de aard
van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de
omstandigheden van het geval voor rekening van degene die zich op
dit ontbreken beroept, behoort te blijven.
Artikel 230
1. De bevoegdheid tot vernietiging op grond van de artikelen 228
en 229 vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van
de gevolgen van de overeenkomst voorstelt, die het nadeel dat de
tot vernietiging bevoegde bij intstandhouding van de overeenkomst
lijdt, op afdoende wijze opheft.
2. Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen, in
plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst
ter opheffing van dit nadeel wijzigen.
Afdeling 3. Algemene voorwaarden
Artikel 231
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. algemene voorwaarden: een of meer bedingen die zijn opgesteld
teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering
van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover
deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd;
b. gebruiker: degene die algemene voorwaarden in een overeenkomst
gebruikt;
c. wederpartij: degene die door ondertekening van een geschrift
of op andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard.
Artikel 232
Een wederpartij is ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden
als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker begreep of
moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende.
Artikel 233
Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar
a. indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst,
de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds
kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het
geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij; of
b. indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid
heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Artikel 234
1. De gebruiker heeft aan de wederpartij de in artikel 233 onder
b bedoelde mogelijkheid geboden, indien hij
a. hetzij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de
overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld,
b. hetzij, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de totstandkoming
van de overeenkomst aan de wederpartij heeft bekend gemaakt dat
de voorwaarden bij hem ter inzage liggen of bij een door hem opgegeven
Kamer van Koophandel en Fabrieken of een griffie van een gerecht
zijn gedeponeerd, alsmede dat zij op verzoek zullen worden toegezonden,
c. hetzij, indien de overeenkomst langs elektronische weg tot stand
komt, de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst
aan de wederpartij langs elektronische weg ter beschikking heeft
gesteld op een zodanige wijze dat deze door hem kunnen worden opgeslagen
en voor hem toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming
of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de totstandkoming
van de overeenkomst aan de wederpartij heeft bekend gemaakt waar
van de voorwaarden langs elektronische weg kan worden kennisgenomen,
alsmede dat zij op verzoek langs elektronische weg of op andere
wijze zullen worden toegezonden.
2. Indien de voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst
aan de wederpartij zijn ter hand gesteld, zijn de bedingen tevens
vernietigbaar indien de gebruiker de voorwaarden niet op verzoek
van de wederpartij onverwijld op zijn kosten aan haar toezendt.
3. Het in de leden 1 onder b en 2 omtrent de verplichting tot toezending
bepaalde is niet van toepassing, voor zover deze toezending redelijkerwijze
niet van de gebruiker kan worden gevergd.
Artikel 235
1. Op de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234
kan geen beroep worden gedaan door
a. een rechtspersoon bedoeld in artikel 360 van Boek 2, die ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening
openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk
artikel 403 lid 1 van Boek 2 is toegepast;
b. een partij op wie het onder a bepaalde niet van toepassing is,
indien op voormeld tijdstip bij haar vijftig of meer personen werkzaam
zijn of op dat tijdstip uit een opgave krachtens de Handelsregisterwet
1996 blijkt dat bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn.
2. Op de vernietigingsgrond bedoeld in artikel 233 onder a , kan
mede een beroep worden gedaan door een partij voor wie de algemene
voorwaarden door een gevolmachtigde zijn gebruikt, mits de wederpartij
meermalen overeenkomsten sluit waarop dezelfde of nagenoeg dezelfde
algemene voorwaarden van toepassing zijn.
3. Op de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234,
kan geen beroep worden gedaan door een partij die meermalen dezelfde
of nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden in haar overeenkomsten
gebruikt.
4. De termijn bedoeld in artikel 52 lid 1 onder d van Boek 3, begint
met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een beroep op
het beding is gedaan.
Artikel 236
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden
voorkomend beding
a. dat de wederpartij geheel en onvoorwaardelijk het recht ontneemt
de door de gebruiker toegezegde prestatie op te eisen;
b. dat de aan de wederpartij toekomende bevoegdheid tot ontbinding,
zoals deze in afdeling 5 van titel 5 is geregeld, uitsluit of beperkt;
c. dat een de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid
tot opschorting van de nakoming uitsluit of beperkt of de gebruiker
een verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan hem volgens
de wet toekomt;
d. dat de beoordeling van de vraag of de gebruiker in de nakoming
van een of meer van zijn verbintenissen is te kort geschoten aan
hem zelf overlaat, of dat de uitoefening van de rechten die de wederpartij
ter zake van een zodanige tekortkoming volgens de wet toekomen,
afhankelijk stelt van de voorwaarde dat deze eerst een derde in
rechte heeft aangesproken;
e. krachtens hetwelk de wederpartij aan de gebruiker bij voorbaat
toestemming verleent zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen
op een der in afdeling 3 van titel 2 bedoelde wijzen op een derde
te doen overgaan, tenzij de wederpartij te allen tijde de bevoegdheid
heeft de overeenkomst te ontbinden, of de gebruiker jegens de wederpartij
aansprakelijk is voor de nakoming door de derde, of de overgang
plaatsvindt in verband met de overdracht van een onderneming waartoe
zowel die verplichtingen als de daartegenover bedongen rechten behoren;
f. dat voor het geval uit de overeenkomst voor de gebruiker voortvloeiende
rechten op een derde overgaan, ertoe strekt bevoegdheden of verweermiddelen
die de wederpartij volgens de wet jegens die derde zou kunnen doen
gelden, uit te sluiten of te beperken;
g. dat een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de
wederpartij enig recht moet geldend maken, tot een verjarings- onderscheidenlijk
vervaltermijn van minder dan een jaar verkort;
h. dat voor het geval bij de uitvoering van de overeenkomst schade
aan een derde wordt toegebracht door de gebruiker of door een persoon
of zaak waarvoor deze aansprakelijk is, de wederpartij verplicht
deze schade hetzij aan de derde te vergoeden, hetzij in haar verhouding
tot de gebruiker voor een groter deel te dragen dan waartoe zij
volgens de wet verplicht zou zijn;
i. dat de gebruiker de bevoegdheid geeft de door hem bedongen prijs
binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst te verhogen,
tenzij de wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te
ontbinden;
j. dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren
van zaken, elektriciteit daaronder begrepen, of tot het geregeld
doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende verlenging of vernieuwing
van meer dan een jaar;
k. dat de bevoegdheid van de wederpartij om bewijs te leveren uitsluit
of beperkt, of dat de uit de wet voortvloeiende verdeling van de
bewijslast ten nadele van de wederpartij wijzigt, hetzij doordat
het een verklaring van haar bevat omtrent de deugdelijkheid van
de haar verschuldigde prestatie, hetzij doordat het haar belast
met het bewijs dat een tekortkoming van de gebruiker aan hem kan
worden toegerekend;
l. dat ten nadele van de wederpartij afwijkt van artikel 37 van
Boek 3, tenzij het betrekking heeft op de vorm van door de wederpartij
af te leggen verklaringen of bepaalt dat de gebruiker het hem door
de wederpartij opgegeven adres als zodanig mag blijven beschouwen
totdat hem een nieuw adres is meegedeeld;
m. waarbij een wederpartij die bij het aangaan van de overeenkomst
werkelijke woonplaats in een gemeente in Nederland heeft, woonplaats
kiest anders dan voor het geval zij te eniger tijd geen bekende
werkelijke woonplaats in die gemeente zal hebben, tenzij de overeenkomst
betrekking heeft op een registergoed en woonplaats ten kantore van
een notaris wordt gekozen;
n. dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander
dan hetzij de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, hetzij
een of meer arbiters, tenzij het de wederpartij een termijn gunt
van tenminste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk jegens
haar op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil
door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen.
Artikel 237
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden
voorkomend beding
a. dat de gebruiker een, gelet op de omstandigheden van het geval,
ongebruikelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn geeft om op
een aanbod of een andere verklaring van de wederpartij te reageren;
b. dat de inhoud van de verplichtingen van de gebruiker wezenlijk
beperkt ten opzichte van hetgeen de wederpartij, mede gelet op de
wettelijke regels die op de overeenkomst betrekking hebben, zonder
dat beding redelijkerwijs mocht verwachten;
c. dat de gebruiker de bevoegdheid verleent een prestatie te verschaffen
die wezenlijk van de toegezegde prestatie afwijkt, tenzij de wederpartij
bevoegd is in dat geval de overeenkomst te ontbinden;
d. dat de gebruiker van zijn gebondenheid aan de overeenkomst bevrijdt
of hem de bevoegdheid daartoe geeft anders dan op in de overeenkomst
vermelde gronden welke van dien aard zijn dat deze gebondenheid
niet meer van hem kan worden gevergd;
e. dat de gebruiker een ongebruikelijk lange of onvoldoende bepaalde
termijn voor de nakoming geeft;
f. dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van
een wettelijke verplichting tot schadevergoeding;
g. dat een de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid
tot verrekening uitsluit of beperkt of de gebruiker een verdergaande
bevoegdheid tot verrekening verleent dan hem volgens de wet toekomt;
h. dat als sanctie op bepaalde gedragingen van de wederpartij, nalaten
daaronder begrepen, verval stelt van haar toekomende rechten of
van de bevoegdheid bepaalde verweren te voeren, behoudens voor zover
deze gedragingen het verval van die rechten of verweren rechtvaardigen;
i. dat voor het geval de overeenkomst wordt beëindigd anders
dan op grond van het feit dat de wederpartij in de nakoming van
haar verbintenis is tekort geschoten, de wederpartij verplicht een
geldsom te betalen, behoudens voor zover het betreft een redelijke
vergoeding voor door de gebruiker geleden verlies of gederfde winst;
j. dat de wederpartij verplicht tot het sluiten van een overeenkomst
met de gebruiker of met een derde, tenzij dit, mede gelet op het
verband van die overeenkomst met de in dit artikel bedoelde overeenkomst,
redelijkerwijze van de wederpartij kan worden gevergd;
k. dat voor een overeenkomst als bedoeld in artikel 236 onder j
een duur bepaalt van meer dan een jaar, tenzij de wederpartij de
bevoegdheid heeft de overeenkomst telkens na een jaar op te zeggen;
l. dat de wederpartij aan een opzegtermijn bindt die langer is dan
drie maanden of langer dan de termijn waarop de gebruiker de overeenkomst
kan opzeggen;
m. dat voor de geldigheid van een door de wederpartij te verrichten
verklaring een strengere vorm dan het vereiste van een onderhandse
akte stelt;
n. dat bepaalt dat een door de wederpartij verleende volmacht onherroepelijk
is of niet eindigt door haar dood of ondercuratelestelling, tenzij
de volmacht strekt tot levering van een registergoed.
Artikel 238
1. Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237,
kan jegens de wederpartij geen beroep worden gedaan
a. op het feit dat de overeenkomst in naam van een derde is gesloten,
indien dit beroep berust op het enkele feit dat een beding van deze
strekking in de algemene voorwaarden voorkomt;
b. op het feit dat de algemene voorwaarden beperkingen bevatten
van de bevoegdheid van een gevolmachtigde van de gebruiker, die
zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze zonder het beding niet
behoefde te verwachten, tenzij zij ze kende.
2. Bij een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237 moeten
de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij twijfel
over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de wederpartij
gunstigste uitleg.
Artikel 239
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de onderdelen a-n van
artikel 237 worden gewijzigd en kan hun toepassingsgebied worden
beperkt.
2. Alvorens een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking
van een maatregel als bedoeld in het eerste lid te doen, kan Onze
Minister van Justitie de naar zijn oordeel representatieve organisaties
van hen die bij het sluiten van de overeenkomsten waarop de maatregel
betrekking heeft, algemene voorwaarden plegen te gebruiken en van
hen die bij die overeenkomsten als hun wederpartij plegen op te
treden, horen.
3. Een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt zodra het is
vastgesteld toegezonden aan de voorzitters van de beide Kamers van
de Staten-Generaal. Een dergelijk besluit treedt niet in werking
dan nadat twee maanden zijn verstreken sinds de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
Artikel 240
1. Op vordering van een rechtspersoon als bedoeld in lid 3 kunnen
bepaalde bedingen in bepaalde algemene voorwaarden onredelijk bezwarend
worden verklaard; de artikelen 233 onder a , 236 en 237 zijn van
overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de vorige zin
wordt een beding in algemene voorwaarden dat in strijd is met een
dwingende wetsbepaling, als onredelijk bezwarend aangemerkt. Bij
de beoordeling van een beding blijft de uitlegregel van artikel
238 lid 2, tweede zin, buiten toepassing.
2. De vordering kan worden ingesteld tegen de gebruiker, alsmede
tegen een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die ten
doel heeft de behartiging van de belangen van personen die een beroep
of bedrijf uitoefenen, indien hij het gebruik van de algemene voorwaarden
door die personen bevordert.
3. De vordering komt toe aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid
die ten doel hebben de behartiging van belangen van personen die
een beroep of bedrijf uitoefenen of van eindgebruikers van niet
voor een beroep of bedrijf bestemde goederen of diensten. Zij kan
slechts betrekking hebben op algemene voorwaarden die worden gebruikt
of bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten met personen
wier belangen door de rechtspersoon worden behartigd.
4. De eiser is niet ontvankelijk indien niet blijkt dat hij, alvorens
de vordering in te stellen, de gebruiker of, in het geval bedoeld
in artikel 1003 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
de aldaar bedoelde vereniging, de gelegenheid heeft geboden om in
onderling overleg de algemene voorwaarden zodanig te wijzigen dat
de bezwaren die grond voor de vordering zouden opleveren, zijn weggenomen.
Een termijn van twee weken na de ontvangst van een verzoek tot overleg
onder vermelding van de bezwaren, is daartoe in elk geval voldoende.
5. Voor zover een rechtspersoon met het gebruik van bedingen in
algemene voorwaarden heeft ingestemd, komt hem geen vordering als
bedoeld in lid 1 toe.
6. Met een rechtspersoon als bedoeld in lid 3 wordt gelijk gesteld
een organisatie of openbaar lichaam met zetel buiten Nederland welke
geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 4 lid 3 van richtlijn
nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in
het raam van de bescherming van consumentenbelangen (PbEG L 166),
mits de vordering betrekking heeft op algemene voorwaarden die worden
gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten met
personen die hun gewone verblijfplaats hebben in het land waar de
organisatie of het openbaar lichaam gezeteld is, en de organisatie
deze belangen ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het openbaar
lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.
Artikel 241
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage is bij uitsluiting bevoegd tot
kennisneming van vorderingen als in het vorige artikel bedoeld.
2. De in het vorige artikel bedoelde rechtspersonen hebben de bevoegdheden,
geregeld in de artikelen 217 en 376 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering; artikel 379 van dat wetboek is niet van toepassing.
3. Op vordering van de eiser kan aan de uitspraak worden verbonden
a. een verbod van het gebruik van de door de uitspraak getroffen
bedingen of van het bevorderen daarvan;
b. een gebod om een aanbeveling tot het gebruik van deze bedingen
te herroepen;
c. een veroordeling tot het openbaar maken of laten openbaar maken
van de uitspraak, zulks op door de rechter te bepalen wijze en op
kosten van de door de rechter aan te geven partij of partijen.
4. De rechter kan in zijn uitspraak aangeven op welke wijze het
onredelijk bezwarend karakter van de bedingen waarop de uitspraak
betrekking heeft, kan worden weggenomen.
5. Geschillen terzake van de tenuitvoerlegging van de in lid 3 bedoelde
veroordelingen, alsmede van de veroordeling tot betaling van een
dwangsom, zo deze is opgelegd, worden bij uitsluiting door het Gerechtshof
te 's-Gravenhage beslist.
6. Tot kennisneming van vorderingen in kort geding strekkende tot
veroordelingen als bedoeld in lid 3, ingesteld door rechtspersonen
als bedoeld in artikel 240 lid 3, is de voorzieningenrechter van
de rechtbank te 's-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd. Lid 5, alsmede
de artikelen 62, 116 lid 2, 1003, 1005, 1006 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 242
1. Op vordering van een of meer van degenen tegen wie de in artikel
240 lid 1 bedoelde uitspraak is gedaan, kan de rechter die uitspraak
wijzigen of opheffen op grond dat zij tengevolge van een wijziging
in de omstandigheden niet langer gerechtvaardigd is. De vordering
wordt ingesteld tegen de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak
was gedaan.
2. Indien de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak was gedaan,
is ontbonden, wordt de zaak met een verzoekschrift ingeleid. Voor
de toepassing van artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering worden rechtspersonen als bedoeld in artikel 240
lid 3 als belanghebbenden aangemerkt.
3. Artikel 241 leden 1, 2, 3 onder c en 5 is van overeenkomstige
toepassing.
4. De vorige leden zijn niet van toepassing voor zover de uitspraak
betrekking had op een beding dat door de wet als onredelijk bezwarend
wordt aangemerkt.
Artikel 243
Een beding in algemene voorwaarden dat door degene jegens wie een
verbod tot gebruik ervan is uitgesproken, in strijd met het verbod
in een overeenkomst wordt opgenomen, is vernietigbaar. Artikel 235
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 244
1. Een persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
kan geen beroep doen op een beding in een overeenkomst met een partij
die terzake van de goederen of diensten waarop die overeenkomst
betrekking heeft, met gebruikmaking van algemene voorwaarden overeenkomsten
met haar afnemers heeft gesloten, voor zover een beroep op dat beding
onredelijk zou zijn wegens zijn nauwe samenhang met een in de algemene
voorwaarden voorkomend beding dat krachtens deze afdeling is vernietigd
of door een uitspraak als bedoeld in artikel 240 lid 1 is getroffen.
2. Is tegen de gebruiker een vordering als bedoeld in artikel 240
lid 1 ingesteld, dan is hij bevoegd die persoon in het geding te
roepen teneinde voor recht te horen verklaren dat een beroep als
bedoeld in het vorige lid onredelijk zou zijn. Artikel 241 leden
2, 3 onder c, 4 en 5 alsmede de artikelen 210, 211 en 215 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. Op de uitspraak is artikel 242 van overeenkomstige toepassing.
4. Op eerdere overeenkomsten met betrekking tot de voormelde goederen
en diensten zijn de leden 1-3 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 245
Deze afdeling is noch van toepassing op arbeidsovereenkomsten, noch
op collectieve arbeidsovereenkomsten.
Artikel 246
Noch van de artikelen 231-244, noch van de bepalingen van de in
artikel 239 lid 1 bedoelde algemene maatregelen van bestuur kan
worden afgeweken. De bevoegdheid om een beding krachtens deze afdeling
door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen, kan niet
worden uitgesloten.
Artikel 247
1. Op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening
van een beroep of bedrijf en die beide in Nederland gevestigd zijn,
is deze afdeling van toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst
beheerst.
2. Op overeenkomsten tussen partijen die handelen in de uitoefening
van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland gevestigd
zijn, is deze afdeling niet van toepassing, ongeacht het recht dat
de overeenkomst beheerst.
3. Een partij is in de zin van de leden 1 en 2 in Nederland gevestigd,
indien haar hoofdvestiging, of, zo de prestatie volgens de overeenkomst
door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht,
deze andere vestiging zich in Nederland bevindt.
4. Op overeenkomsten tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
is, indien de wederpartij haar gewone verblijfplaats in Nederland
heeft, deze afdeling van toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst
beheerst.
Afdeling 4. Rechtsgevolgen van overeenkomsten
Artikel 248
1. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen
rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst,
uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid
voortvloeien.
2. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel
is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou
zijn.
Artikel 249
De rechtsgevolgen van een overeenkomst gelden mede voor de rechtverkrijgenden
onder algemene titel, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit.
In het geval van verdeling van een nalatenschap ingevolge artikel
13 van Boek 4 gelden de rechtsgevolgen van de overeenkomst niet
mede voor de kinderen van de erflater, tenzij uit de overeenkomst
anders voortvloeit.
Artikel 250
Bij overeenkomst kan worden afgeweken van de volgende artikelen
van deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 251 lid 3,
252 lid 2 voor zover het de eis van een notariële akte betreft,
en lid 3, 253 lid 1, 257, 258, 259 en 260.
Artikel 251
1. Staat een uit een overeenkomst voortvloeiende, voor overgang
vatbaar recht in een zodanig verband met een aan de schuldeiser
toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang
hij het goed behoudt, dan gaat dat recht over op degene die dat
goed onder bijzondere titel verkrijgt.
2. Is voor het recht een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat
de verplichting tot het verrichten van die tegenprestatie mede over,
voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang. De
vervreemder blijft naast de verkrijger jegens de wederpartij aansprakelijk,
behoudens voor zover deze zich na de overgang in geval van uitblijven
van de tegenprestatie van haar verbintenis kan bevrijden door ontbinding
of beëindiging van de overeenkomst.
3. Het in de vorige leden bepaalde geldt niet, indien de verkrijger
van het goed tot de wederpartij bij de overeenkomst een verklaring
richt dat hij de overgang van het recht niet aanvaardt.
4. Uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen, kan
voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt.
Artikel 252
1. Bij een overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting
van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien
van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die
het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen, en dat mede gebonden
zullen zijn degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik
van het goed zullen verkrijgen.
2. Voor de werking van het in lid 1 bedoelde beding is vereist dat
van de overeenkomst tussen partijen een notariële akte wordt
opgemaakt, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers.
Degene jegens wie de verplichting bestaat, waarop het beding betrekking
heeft, moet in de akte ter zake van de inschrijving woonplaats kiezen
in Nederland.
3. Ook na inschrijving heeft het beding geen werking:
a. jegens hen die voor de inschrijving onder bijzondere titel een
recht op het goed of tot gebruik van het goed hebben verkregen;
b. jegens een beslaglegger op het goed of een recht daarop, indien
de inschrijving op het tijdstip van de inschrijving van het proces-verbaal
van inbeslagneming nog niet had plaats gevonden;
c. jegens hen die hun recht hebben verkregen van iemand die ingevolge
het onder a of b bepaalde niet aan de bedongen verplichting gebonden
was.
4. Is voor de verplichting een tegenprestatie overeengekomen, dan
gaat bij de overgang van de verplichting het recht op de tegenprestatie
mee over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na de overgang
en ook het beding omtrent deze tegenprestatie in de registers ingeschreven
is.
5. Dit artikel is niet van toepassing op verplichtingen die een
rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het goed te vervreemden
of te bezwaren.
Artikel 253
1. Een overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie
van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van
hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst
een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt.
2. Tot de aanvaarding kan het beding door degene die het heeft gemaakt,
worden herroepen.
3. Een aanvaarding of herroeping van het beding geschiedt door een
verklaring, gericht tot een van de beide andere betrokkenen.
4. Is het beding onherroepelijk en jegens de derde om niet gemaakt,
dan geldt het als aanvaard, indien het ter kennis van de derde is
gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen.
Artikel 254
1. Nadat de derde het beding heeft aanvaard, geldt hij als partij
bij de overeenkomst.
2. Hij kan, indien dit met de strekking van het beding in overeenstemming
is, daaraan ook rechten ontlenen over de periode vóór
de aanvaarding.
Artikel 255
1. Heeft een beding ten behoeve van een derde ten opzichte van die
derde geen gevolg, dan kan degene die het beding heeft gemaakt,
hetzij zichzelf, hetzij een andere derde als rechthebbende aanwijzen.
2. Hij wordt geacht zichzelf als rechthebbende te hebben aangewezen,
wanneer hem door degene van wie de prestatie is bedongen, een redelijke
termijn voor de aanwijzing is gesteld en hij binnen deze termijn
geen aanwijzing heeft uitgebracht.
Artikel 256
De partij die een beding ten behoeve van een derde heeft gemaakt,
kan nakoming jegens de derde vorderen, tenzij deze zich daartegen
verzet.
Artikel 257
Kan een partij bij een overeenkomst ter afwering van haar aansprakelijkheid
voor een gedraging van een aan haar ondergeschikte aan de overeenkomst
een verweermiddel jegens haar wederpartij ontlenen, dan kan ook
de ondergeschikte, indien hij op grond van deze gedraging door de
wederpartij wordt aangesproken, dit verweermiddel inroepen, als
ware hijzelf bij de overeenkomst partij.
Artikel 258
1. De rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen
van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden
op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn
dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
2. Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover
de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in
het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene
die zich erop beroept.
3. Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht
of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een
partij bij die overeenkomst gelijk.
Artikel 259
1. Indien een overeenkomst ertoe strekt een rechthebbende op of
een gebruiker van een registergoed als zodanig te verplichten tot
een prestatie die niet bestaat in of gepaard gaat met het dulden
van voortdurend houderschap, kan de rechter op zijn verlangen de
gevolgen van de overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk
ontbinden:
a. indien ten minste tien jaren na het sluiten van de overeenkomst
zijn verlopen en het ongewijzigd voortduren van de verplichting
in strijd is met het algemeen belang;
b. indien de schuldeiser bij de nakoming van de verplichting geen
redelijk belang meer heeft en het niet aannemelijk is dat dit belang
zal terugkeren.
2. Voor de termijn vermeld in lid 1 onder a telt mee de gehele periode
waarin rechthebbende op of gebruikers van het goed aan een beding
van dezelfde strekking gebonden zijn geweest. De termijn geldt niet,
voor zover de strijd met het algemeen belang hierin bestaat dat
het beding een beletsel vormt voor verwerkelijking van een geldend
bestemmingsplan.
Artikel 260
1. Een wijziging of ontbinding als bedoeld in de artikelen 258 en
259 kan worden uitgesproken onder door de rechter te stellen voorwaarden.
2. Indien hij op grond van die artikelen de overeenkomst wijzigt
of gedeeltelijk ontbindt, kan hij bepalen dat een of meer der partijen
de overeenkomst binnen een bij de uitspraak vast te stellen termijn
door een schriftelijke verklaring geheel zal kunnen ontbinden. De
wijziging of gedeeltelijke ontbinding treedt niet in, voordat deze
termijn is verstreken.
3. Is de overeenkomst die op grond van de artikelen 258 en 259 wordt
gewijzigd of geheel of gedeeltelijk ontbonden, ingeschreven in de
openbare registers, dan kan ook de uitspraak waarbij de wijziging
of ontbinding plaatsvond, daarin worden ingeschreven, mits deze
uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad
is.
4. Wordt iemand te dier zake gedagvaard aan zijn overeenkomstig
artikel 252 lid 2, eerste zin, gekozen woonplaats, dan zijn daarmee
tevens gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving
hebben genomen. Artikel 29 lid 2 en lid 3, tweede tot en met vierde
zin, van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Andere rechtsfeiten die een ingeschreven overeenkomst wijzigen
of beëindigen, zijn eveneens inschrijfbaar, voor zover het
rechterlijke uitspraken betreft mits zij in kracht van gewijsde
zijn gegaan of uitvoerbaar bij voorraad zijn.
Afdeling 5. Wederkerige overeenkomsten
Artikel 261
1. Een overeenkomst is wederkerig, indien elk van beide partijen
een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de prestatie waartoe
de wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt.
2. De bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten zijn van overeenkomstige
toepassing op andere rechtsbetrekkingen die strekken tot het wederzijds
verrichten van prestaties, voor zover de aard van die rechtsbetrekkingen
zich daartegen niet verzet.
Artikel 262
1. Komt een der partijen haar verbintenis niet na, dan is de wederpartij
bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen
op te schorten.
2. In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting
slechts toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
Artikel 263
1. De partij die verplicht is het eerst te presteren, is niettemin
bevoegd de nakoming van haar verbintenis op te schorten, indien
na het sluiten van de overeenkomst te harer kennis gekomen omstandigheden
haar goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar daartegenover
staande verplichtingen niet zal nakomen.
2. In geval er goede grond bestaat te vrezen dat slechts gedeeltelijk
of niet behoorlijk zal worden nagekomen, is de opschorting slechts
toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
Artikel 264
In geval van opschorting op grond van de artikelen 262 en 263 zijn
de artikelen 54 onder b en c en 55 niet van toepassing.
Artikel 265
1. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van
haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de
overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming,
gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding
met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
2. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is,
ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar
in verzuim is.
Artikel 266
1. Geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de
nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser
zelf in verzuim is.
2. Wordt echter tijdens het verzuim van de schuldeiser behoorlijke
nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan kan de overeenkomst
ontbonden worden, indien door schuld van de schuldenaar of zijn
ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden
van hem mocht worden gevergd.
Artikel 267
1. De ontbinding vindt plaats door een schriftelijke verklaring
van de daartoe gerechtigde. Indien de overeenkomst langs elektronische
weg is totstandgekomen, kan deze tevens door een langs elektronische
weg uitgebrachte verklaring worden ontbonden. Artikel 227a lid 1
is van overeenkomstige toepassing.
2. Zij kan ook op zijn vordering door de rechter worden uitgesproken.
Artikel 268
De bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding vervalt door verjaring
van de rechtsvordering tot ontbinding. De verjaring staat niet in
de weg aan gerechtelijke of buitengerechtelijke ontbinding ter afwering
van een op de overeenkomst steunende rechtsvordering of andere rechtsmaatregel.
Artikel 269
De ontbinding heeft geen terugwerkende kracht, behoudens dat een
aanbod tot nakoming, gedaan nadat de ontbinding is gevorderd, geen
werking heeft, indien de ontbinding wordt uitgesproken.
Artikel 270
Een gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in
van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid.
Artikel 271
Een ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen.
Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor
deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis
tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.
Artikel 272
1. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt,
dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van haar
waarde op het tijdstip van de ontvangst.
2. Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt
deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie
voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk
heeft gehad.
Artikel 273
Een partij die een prestatie heeft ontvangen, is vanaf het tijdstip
dat zij redelijkerwijze met een ontbinding rekening moet houden,
verplicht er als een zorgvuldig schuldenaar zorg voor te dragen
dat de ingevolge die ontbinding verschuldigde ongedaanmaking van
de prestatie mogelijk zal zijn. Artikel 78 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 274
Heeft een partij in weerwil van een dreigende ontbinding te kwader
trouw een prestatie ontvangen, dan wordt zij na de ontbinding geacht
vanaf de ontvangst van de prestatie in verzuim geweest te zijn.
Artikel 275
De artikelen 120-124 van Boek 3 zijn van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent de afgifte
van vruchten en de vergoeding van kosten en schade.
Artikel 276
Op de onbekwame die een prestatie heeft ontvangen, rusten de in
deze afdeling omschreven verplichtingen slechts, voor zover het
ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht
van zijn wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.
Artikel 277
1. Wordt een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden, dan
is de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd,
verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt,
doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst
plaatsvindt.
2. Indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend,
is het vorige lid slechts van toepassing binnen de grenzen van het
in artikel 78 bepaalde.
Artikel 278
1. De partij die ontbinding kiest van een reeds uitgevoerde overeenkomst,
nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen wederzijds bij ongedaanmaking
zou moeten worden verricht, zich te haren gunste heeft gewijzigd,
is verplicht door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding
te herstellen, indien aannemelijk is dat zij zonder deze wijziging
geen ontbinding zou hebben gekozen.
2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de partij
te wier gunste de wijziging is ingetreden, op andere grond dan ontbinding
de stoot tot ongedaanmaking geeft en aannemelijk is dat zij daartoe
zonder deze wijziging niet zou zijn overgegaan.
Artikel 279
1. Op overeenkomsten waaruit tussen meer dan twee partijen verbintenissen
voortvloeien, vinden de bepalingen betreffende wederkerige overeenkomsten
met inachtneming van de volgende leden overeenkomstige toepassing,
voor zover de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet.
2. De partij die een verbintenis op zich heeft genomen ter verkrijging
van een daartegenover van een of meer der andere partijen bedongen
prestatie, kan haar recht op ontbinding gronden op een tekortkoming
in de nakoming van de verbintenis jegens haarzelf.
3. Schiet een partij met samenhangende rechten en verplichtingen
zelf tekort in de nakoming van haar verbintenis, dan kunnen in ieder
geval de overige partijen gezamenlijk de overeenkomst ontbinden.
|